zondag 10 maart 2013

Terug keren naar de vader: vol-ledig leven


Commentaar bij Lc 15, 1-3.11-32: De parabel van de vader en de twee zonen

[1] Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. [2] Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ [3] Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: ‘Iemand had twee zonen. [12] De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. [13] Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. [14] Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. [15] Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. [16] Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. [17] Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. [18] Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, [19] ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” [20] Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.
[21] “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” [22] Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. [23] Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, [24] want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.
[25] De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. [26] Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. [27] De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” [28] Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. [29] Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. [30] Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” [31] Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. [32] Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

Terugkeren naar de vader: vol-ledig leven

De voorbije jaren was ik bij dit al te bekende verhaal vooral gefascineerd door de twee zonen die elk een figuur voorstellen: de jongste als de figuur van de hedendaagse mens die zijn deel opeist, zijn eigen weg gaat, in de vervreemding terecht komt en dan node terugkeert; de oudste als de mens van de generatie van mijn ouders, gekenmerkt door de wet, de teksten, plichtsbewust; stilletjes jaloers op de jongere generatie die van alles mag ervaren wat vroeger verboden was. Nu ben ik meer gepassioneerd door de vader, de figuur die het leven gunt. Wat stelt hij voor?

Daarvoor even de context: drie parabels over hoe datgene wat verloren ging gevonden en gered werd (het schaap, de drachme, de zoon). Ze komen naar aanleiding van de vaststelling dat ‘alle tollenaars en zondaars’ (nieuwe, oecumenische vertaling) bij Jezus kwamen om naar Hem te luisteren. Hoe komt het dat ze naar Hem wilden toekomen? Wat proefden ze in deze figuur Jezus? De parabel van de Vader en de twee zonen geeft het allicht aan, met name in de figuur van de Vader. De jongere zoon lijkt te verwijzen naar de ‘zondaars’; de oudere zoon naar de Farizeeërs en Schriftgeleerden; de vader naar de houding die Jezus zelf voorstaat. En die wordt gekenmerkt door twee zaken: authentiek mede-lijden enerzijds en anderzijds vreugde om de hereniging. Dat is allicht wat die ‘zondaars’ proefden bij Jezus en daar wil ik proberen naar te kijken.

MEDE-LIJDEN
Authentiek mede-lijden is niet de projectie van onze afschuw bij het zien van iets triestigs, het is een bepaald delen in een lijden. Elke figuur heeft hier zijn lijden, en misschien kunnen we ons in elk van die figuren tegelijk herkennen.
De jongere zoon lijdt aan zijn eigen vrijheid. Hij heeft zich kunnen/durven vrijmaken maar heeft nog geen nieuwe heelheid gevonden, heeft zich nog niet herenigd. De oudere zoon lijdt aan het gewicht van de wet, aan de plichtsgetrouwheid. Hij heeft zich niet kunnen/durven vrijmaken ten opzichte van de Wet en beleeft geen vreugde aan de Wet, blijft erin steken want kan het leven niet gunnen aan wie de Wet overtreedt. De vader lijdt ook: hij weet dat hij noch de ene noch de andere zoon kan tegenhouden te lijden, ik zou zeggen aan zichzelf. Hij beseft dat ze hun eigen weg moeten gaan om tot een diepere hereniging te komen: ‘Ik kan niet in hun plaats leven. Ik laat hen leven….’ Ver weg (v 13), wat de jongere zoon betreft. Het valt bijvoorbeeld op dat de Vader geen weerstand biedt aan het verzoek van de jongere zoon wanneer deze zijn deel opeist en verzilvert en wegtrekt. De afstand is eigenlijk niet alleen uitwendig, ook inwendig doet de scheiding haar werk. Hij had zich kunnen laten verdrinken in zijn pijn om wat hij noemt de ‘dood’ van zijn jongste zoon (v 24 en 32), maar hij lijkt te beseffen dat dit eigenlijk ‘moet’ gebeuren.

Bij zijn terugkomst ziet de vader hem al ‘in de verte aankomen’ – blijkbaar stond hij aandachtig uit te kijken - en dan ontstaat zijn medelijden, als iets nieuws, als een inval, geen sympathie maar medelijden. “De vader is in zijn darmen geraakt, alsof hij hem nooit gezien had… er is geen schuldige meer, geen onschuldige, maar enkel een lichaam dat stil nadert, met een schreeuw om relatie, en een ander lichaam dat zich laat ‘openen’ en vervoegen in het meest intieme, gevoelige, meest gekwetste…” (Lytta Basset). Je zou dat medelijden kunnen wegduwen, door iets te gaan doen, maar dat doet de vader niet. Door zijn mede-lijdende omhelzing communiceert de vader met het lijden van de ander.  Vandaar komt het gevoel van toebehoren, voornaamste ingrediënt van de vreugde om te zijn.
Mede-lijden maakt dus herstel mogelijk zodat we uit de kwestie van schuld en onschuld geraken en tot vreugde kunnen komen. Vreugde: in de drie parabels primeert de vreugde, maar is die er wel, wat moeten we er ons bij voorstellen en hoe kunnen wij daartoe komen?

VREUGDE
Het valt me op dat het in de eerste plaatst gaat om de vreugde van de vader. En eigenlijk alleen van de vader. Het is dus zeker geen ‘volkomen vreugde’. ‘We konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden,’ zegt de vader tegen de woeste oudere zoon die er helemaal niet in kan delen en buiten blijft. Het is ook niet duidelijk of de verloren zoon zelf al echt kan delen in die vreugde. Het lijkt erop dat enkel de vader echt vreugde beleeft. De zonen proeven nog geen vreugde; ze beleven zich nog niet terug als ‘broers’ - de oudste zegt: ‘die zoon van u’, als de vader spreekt van ‘uw broer’, de vader wel.

Wat moeten we ons voorstellen bij die vreugde? Waarom kan de vader vreugde beleven? Enerzijds omdat zijn zoon terug is, maar anderzijds ook omdat voor Hem niets perfect moet zijn: de jongere zoon is er, maar nog niet ten volle; de oudere zoon is er, maar is boos. De vader proeft vreugde omdat hij ‘ja’ kan zeggen op het hele leven, ik zou zeggen op het vol-ledige leven. Er is iets merkwaardigs met het woord vol-ledig.  Het spreekt van een volheid die inherent verbonden is met een ledigheid. Vol-ledig. Zoals de in-  en de uitademing samenhangen, onlosmakelijk. De volheid van het leven hangt samen met toelaten van ledigheid. Volheid is niet hetzelfde als 100 % kwaliteit, niet hetzelfde als ‘voltooid’. God kan volheid zijn (bij de Vader), maar God is ook de ontlediging, de kenosis, de lediging van de kelk in Jezus toen, in de Christus nu. Zo is ons leven volheid en tegelijk leegte.

BIDDEN EN LEVEN ALS TELKENS NAAR DE VADER TERUGKEREN

Is de tijd van vasten niet een tijd van uitnodiging om naar de Vader terug te keren, om iets te proeven van die vol-ledigheid?
Ik heb dat gedaan door te schrappen in mijn agenda en mij een week terug te trekken om in stilte te bidden, in groep, op een tegelijk zeer eenvoudige maar ook niet zo evidente manier. Daar wil ik toch iets van zeggen om te zeggen wat terugkeren naar de Vader, maar ook de afwisseling van volheid en leegte concreet voor mij kan betekenen.

Ik heb vroeger heel vaak met bijbelteksten gebeden, en dat blijft natuurlijk waardevol maar er kan een tijd komen dat je aan iets anders behoefte hebt, aan stilte. We waren met zestien personen en wie wilde meebidden zat in een kring, een kring van stilte. Telkens baden we gedurende 2 x 25 minuten, met vijf minuten ontspanningspauze tussenin. Tot vijf keer per dag. Na de gongslag baden we een Onzevader – het gebed dat Jezus zelf aan de leerlingen gaf toen ze vroegen hoe ze moesten bidden - om onze intentie duidelijk te maken: ons richten op de Vader en op zijn Koninkrijk (17,20): ‘De komst van het koninkrijk  van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ ‘Binnen uw bereik’: hier en nu. Na het Onzevader niets anders dan zich innerlijk richten op God, zonder bijbel- of andere ‘interessante’ tekst, enkel gedragen door één woord (bijvoorbeeld vol-ledig) en natuurlijk komt dan van alles op wat je gewoon laat voorbijgaan zonder er op in te gaan: voorbijgaan aan mijn mooie gedachten (ja, speeches, preken etc…), voorbijgaan aan mijn gevoelens tot en met seksuele, aan ergernissen over mensen of de kerk, mijn lichamelijke ongemakken of signalen, botsen op een bolster in mij tot er misschien een barst ontstaat…, zonder allerlei interpretaties en reflecties te maken,… je gewoon proberen te richten op God en geduldig waarnemen wat gebeurt. ‘Zen’, inderdaad, maar christelijk ingebed. In zekere zin steeds terugkeren naar de Vader, naar de bron, zonder te blijven stilstaan bij de obstakels die ik waarneem rondom mij en vooral in mezelf.
Het lijkt niets, leegte, vasten, maar het vreemde is dat het opening geeft, dat we niet zot werden, dat het zinvol en zen-vol is. Dat het een perspectief biedt over onze eigen reflecties en pogingen heen waarin we kunnen vastlopen. Dat het helpt om hier en nu te leven in het gewone leven, in onze job en onze relaties. Met woorden van Franciscus van Sales:

“Als je hart zwerft of pijn lijdt
Breng het dan behoedzaam naar zijn plaats

Breng het zacht voor het aangezicht van de Heer
En zelfs als je je hele leven niets anders hebt gedaan

dan je hart steeds maar terugbrengen
en het weer voor het aangezicht van onze God plaatsen

hoewel het telkens weer wegliep nadat je het had teruggebracht,
toch heb je dan je leven vervuld.”

zondag 27 januari 2013

Lucas' Sondergut: bijzonder goed! Hoezo?


Lucas 1,1-4; 4,14-21.

[1] Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, [2] en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, [3] leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, [4] om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent

Optreden van Jezus in Nazaret
[
14] Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek. [15] Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. [16] Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, [17] werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat:

[18]
‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
[19]
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’


[
20] Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. [21] Hij zei tegen hen: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’

Beste ‘teo-fili’, vrienden van God,
De liturgist heeft een wat eigenaardig evangelie samengesteld voor deze zondag. Het bestaat uit twee stukjes waar drie hoofdstukken tussen zitten. Het evangelie begint vandaag met verzen 1 tot 4 van het eerste hoofdstuk, gevolgd door verzen 14 tot 21 uit het vierde hoofdstuk. Tussenin: het kindsheidsevangelie, het optreden van Johannes de Doper, evenals Jezus’ grote retraite in de woestijn en zijn eerste optredens in Galilea buiten Nazaret over om zich uiteindelijk te richten op Jezus’ optreden in Nazaret dat we hoorden.

Die eerste vier verzen zijn een soort voorwoord of verantwoording van de schrijver - zoals we die niet zien bij de drie andere evangelisten. We hoorden dus die verantwoording en vervolgens Jezus’ optreden in Nazaret. De liturgist doet dit niet toevallig: hij geeft aan dat we in het C-jaar vanaf nu vooral Lucas  zullen volgen. Maar daarmee richt hij ook onze, in elk geval mijn, aandacht op het perspectief van dat evangelie. Daar wil ik wat bij stilstaan.

Lucas richt zich tot een zekere Teofilus – ons onbekend, maar niet toevallig betekent die naam ‘vriend(in) van God’ – en zijn wij dat niet? Hij zegt dat velen reeds getracht hebben de gebeurtenissen te vertellen die gebeurd zijn. Lucas zegt dat ook hij  besloot ‘voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien, hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.’ Dat is zijn bedoeling: een ordelijk verslag. Moeten we daar een chronologisch historisch precies verslag onder verstaan, zoals een verslag van een vergadering? Deden anderen dat niet nauwkeurig genoeg? Veeleer zal blijken dat Lucas een literaire constructie maakt, een eigen perspectief ontwikkelt, het bestaande literair materiaal op zijn manier herschikt en aanvult. Hij schrijft geschiedenis, maar ook blijde boodschap. En zo wil hij ons de betrouwbaarheid van de leer doen inzien.

Inderdaad, zijn constructie is betrouwbaar. Er zit structuur, lijn, perspectief in. Maar welk perspectief? Dat van iemand die Jezus niet persoonlijk heeft gekend, enkel ‘van horen zeggen van iemand die het heeft zien doen’, iemand die Paulus’ reisgezel was, iemand die daarover een ander ons bekend boek schreef, de Handelingen, iemand die de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus kent, en volgens de traditie ook een arts.

Laten we naar de passage in Nazaret kijken en Lucas’ perspectief en ordenend principe proberen te bespeuren.

Lucas geeft het Nazaret-verhaal een prominente plaats
Vooreerst valt op dat Lucas het verhaal van de terugkomst van Jezus als rabbi in Nazaret een letterlijk en figuurlijk prominente plaats geeft. Het komt vooraan in het publieke optreden van Jezus. Bij Matteüs daarentegen komt het Nazaret-verhaal midden in zijn evangelie, aan het einde van de parabelrede. Bij Marcus komt het ‘ongelovige Nazaret’ pas in het zesde hoofdstuk (dus na ongeveer een derde) als er al heel wat expliciete wonderhalen aan bod zijn gekomen.

Bij Lucas dus vooraan. Bovendien werkt hij het verhaal uit en vergroot de contrasten. Marcus en Matteüs zullen enkel vermelden dat Jezus ‘daar niet veel wonderen kon verrichten’. Dat valt nog mee ten opzichte van wat we volgende week bij Lucas bij  het vervolg horen: na aanvankelijk applaus proberen ze om Hem in een afgrond te storten. Lucas zet eigenlijk de verwerping van de profeet door de eigen stad en het succes daarbuiten in de verf.

Jesaja’s citaat: programma en verwijzing naar het nieuwe Jeruzalem
Bovendien laat Lucas Jezus een boekenrol openen en een citaat uit Jesaja vinden en voorlezen. Nergens elders bij de evangelisten staat dit citaat vermeld.  Men noemde dat in de exegese Lucas’ Sondergut. Men verwees daar mee niet naar zijn “Lucas’ ondergoed” maar naar zinnen die enkel bij Lucas voorkomen: Sondergut von Lukas -  zo was exegese toch ook een beetje leuk…

Maar terzake: wat doet dit citaat hier? Vooreerst kan je zeggen dat Jezus, terwijl Hij de boekenrol van Jesaja openrolt, hier ook zijn programma ‘uitrolt’ zoals het tegenwoordig heet.

(1)   De Geest des Heren is over mij gekomen omdat Hij mij gezalfd heeft….

(2)   Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen -  Aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken En aan blinden, dat zij zullen zien: Om verdrukten te laten gaan in vrijheid

(3)   Om een genadejaar af te kondigen van de Heer:

Bij de arts Lucas zijn de armen, gevangenen, blinden letterlijke, concrete mensen. Bovendien is Lucas’ evangelie zoals dit citaat doordrongen van barmhartigheid; denk aan het fameuze hoofdstuk 15 met de ‘verloren zoon’… en het verhaal van Zacheüs in Lc 19 – allemaal Lucas’ Sondergut.… Dat Jesaja-citaat klinkt dan ook anders, meer menselijk en minder strak/streng, dan het citaat dat in de mond van Johannes de Doper in het voorafgaand hoofdstuk, uit Jesaja 40:  ‘Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; De kronkelpaden moeten recht, De ruwe wegen effen worden..’ Dat strenge valt helemaal weg bij Jezus.
En dan volgt de verrassende, uiterst korte commentaar van Jezus: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.” Hoezo?

Het klinkt pretentieus als we het zo uit Jezus’ mond horen. Maar misschien moeten we dit veeleer horen als een vertolking van het perspectief van Lucas die opnieuw de enige is die Jezus deze commentaar laat geven. Lucas was weliswaar geen getuige van Jezus maar wel van de Handelingen van de apostelen die in zekere zin – zoals een exegeet me leerde – de Handelingen van Jezus zijn. Hij is getuige geweest van de ongelooflijk snelle verspreiding van de christengemeenten gedurende de eerste eeuw: buiten Nazaret, buiten Jeruzalem en Palestina, in klein-Azië, naar Griekenland en Rome toe. In die christengemeenten is Jesaja’s Schriftwoord als het ware in vervulling gegaan, heeft Lucas op zijn reizen vastgesteld.

En er is meer. Niet toevallig allicht komt het Jesaja-citaat uit het laatste, derde deel van Jesaja, met name hoofdstuk 60-61. Welnu, hoofdstuk 60 handelt  over het Nieuwe Jeruzalem – bijvoorbeeld: vreemdelingen zullen je muren herbouwen…. Dan volgen de woorden van de profetie die hernomen wordt door Lucas: De geest van de Heer rust op mij… om aan armen het goede nieuws te brengen…’ En enkele verzen verder staat weer: ‘Wat eertijds vernield is, zullen zij heropbouwen, de lang verlaten streken weer bevolken.’ Het Jesaja-citaat voert ons naar Jeruzalem.

Jeruzalem als  structurerend, ordenend ‘principe’
Jeruzalem, zijn vernietiging waarvan Lucas weet had en het ‘nieuwe Jeruzalem’ zijn – meer dan bij de andere evangelisten – wat zijn ‘ordelijk verslag’ structureert.

Immers, zijn kindsheidsevangelie eindigt met het verhaal van de twaalfjarige Jezus in Jeruzalem, waar Hij moest zijn ‘in het huis van zijn Vader’. En Lucas’ groot evangelieverhaal eindigt (na hemelvaart in Betanië) – anders dan bij de andere evangelisten - met leerlingen die naar Jeruzalem terugkeren, zoals de Emmaüsgangers zich ook naar Jeruzalem terughaasten. Vervolgens beginnen de Handelingen in Jeruzalem vanwaar men de hele wereld zal intrekken naar het ‘nieuwe Jeruzalem’.

De motor: verwerping in eigen land, verspreiding elders
De motor van het gebeuren lijkt paradoxaal genoeg de verwerping door het eigen volk te zijn.

Jezus krijgt eerst instemming en applaus in Nazaret maar aldra proberen ze hem te vermoorden. Het is in miniatuur wat in Jeruzalem gebeurt: halleluja bij Palmzondag, lijden en dood wat later.

In Paulus, Lucas’ gezel waarover de Handelingen grotendeels gaan, zien we dan de omgekeerde beweging: verwerping van Jezus en vervolgens verkondiging van Christus, en wel naar de hele heidense wereld toe.

De vraag is: waar zien we deze Lucas-dynamiek van verwerping en verspreiding van de goede boodschap in onze maatschappij, in onze kerk, in ons eigen leven? Een heel programma voor een heel liturgisch jaar….

zondag 16 december 2012

Boosheid hoort erbij!


HOMILIE DERDE ZONDAG VAN DE ADVENT VAN HET C-JAAR 16 DECEMBER 2012

De Boze Boodschap van Jezus Christus

Marc Desmet sj

Lucas 3,10-18
De mensen vroegen hem: ‘Wat moeten wij dan doen?’ Hij gaf hun ten antwoord: ‘Wie twee stel kleren heeft, moet delen met iemand die niets heeft, en wie te eten heeft, moet hetzelfde doen.’ Ook tollenaars kwamen zich laten dopen en zeiden: ‘Meester, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Vorder niet meer dan u is voorgeschreven.’ Ook soldaten stelden hem de vraag: ‘En wij, wat moeten wij doen?’ Tegen hen zei hij: ‘Pers niemand geld af, ook niet onder valse voorwendsels, maar wees tevreden met uw soldij.’
     Het volk leefde in gespannen verwachting, en allen vroegen zich af of Johannes niet de messias was, maar Johannes gaf hun allen ten antwoord: ‘Ik doop u met water. Maar er komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen in heilige Geest en vuur. De wan heeft Hij in zijn hand om zijn dorsvloer op te ruimen; het graan verzamelt Hij in zijn schuur, maar het kaf zal Hij verbranden in onblusbaar vuur.’
     Zo en op vele andere manieren verkondigde hij met klem aan het volk de goede boodschap.

Twee zaken kenmerken het optreden van Johannes de Doper in deze passage, twee heel menselijke, niet zweverige zaken die spreken van menswording:

(1)  Zijn praktisch en evident antwoord op de vraag ‘Wat moeten wij doen?’

Aan ‘de mensen’ antwoordt hij: Wie teveel heeft, laat hij/zij delen…  ; aan tollenaars: niet meer vragen dan is vastgesteld ; aan soldaten: niet plunderen, tevreden zijn met uw soldij..  Heel evident, sober. Doen! En klaar! Johannes de Doper was geen charlatan of revolutionair, zoals er in die tijd van verwachting van protest tegen de bezetter en eindtijdelijke verwachting historisch gezien veel waren, zoals we kunnen lezen in een niet-christelijke bron zoals Josephus Flavius die Johannes de Doper de enige profeet vond die respect verdiende. Hij predikte gewoon een deugdzaam, joods leven en dat contrasteerde met allerlei ‘visionairs’ en bedrieglijke ‘wonderdoeners’ zoals bijvoorbeeld Teudas die beloofde het water van de Jordaan te splitsen.

Johannes’ deugdelijkheid doet de vraag in de tekst verschuiven van moraal (‘Wat moeten we doen?’) naar identiteit: Wie zijt gij Johannes de Doper: zijt gij de Messias, de verlosser? Krijgen we, anders gezegd, in Johannes de Doper een verlossend mensbeeld?  En dat is wonderlijk genoeg een heel actuele vraag. Onze cultuur zegt eigenlijk: voordat je de vraag kunt beantwoorden ‘Wat moet ik doen?’ wil ik weten: ‘Wie ben ik?’ Denk maar aan Paul Verhaeghe’s boek  ‘Identiteit’. Welk beeld houdt het evangelie voor van mens-wording, van de Mens?

(2)  Dat brengt naar een tweede kenmerk – en hier wil ik langer bij stilstaan - de verwijzing naar een verlosser die grote opruim zal houden, die het kaf, gescheiden van het koren, zal verbranden. In zekere zin een boos figuur. Iemand die zich kwaad maakt. Dat leidt me naar de vraag: wat is de plaats van kwaadheid en boosheid in de  figuur van Jezus van Nazaret in wiens gezindheid wij willen groeien?

Johannes de Doper die doopte met water, verwijst naar Jezus die’ doopt met vuur’: ‘een apocalyptisch beeld dat herinnert aan de dag van JHWH’ (studiebijbel) waar het kaf gescheiden van het koren zal verbrand worden, al verwijst het beeld bij Lucas naar het vuur van Pinksteren – want hij is ook de auteur van de Handelingen waar dit wordt beschreven.  Maar uit het beeld spreekt dus ook toorn. Kwaadheid. Vuur is immers dubbel: licht/warmte/enthousiasme maar ook hitte/verbranding/woede. Een vuur, een brand woedt immers, zoals we zeggen. Liefde woedt ook: There’s a love in me raging - Allegria! … (Cirque du soleil). Heilige woede, colère.

Bij die woede zou ik willen stilstaan. Woede, kwaadheid, toorn, verontwaardiging, verwijten, onbeleefdheid, overdreven radicaliteit, vrijmoedigheid, enz horen bij ons menszijn. Een heel paradigma dat niet dadelijk met mystiek, spiritualiteit, devotie wordt geassocieerd maar dat bij nalezen van de vier evangelies door de bril van toorn – wat ik gedaan heb – wel te associëren is met Jezus. Nochtans zingen we: ’Verschenen is de mildheid en de trouw van onze God’ - een van de mooiste kerstuitdrukkingen, vind ik: barmhartigheid. Maar toch geldt ook:  ‘Verschenen is de boosheid en de rouw van onze God’? We kunnen gerust spreken van de Boze Boodschap van Jezus Christus in de vier canonieke evangelie. Een beperkte bloemlezing, met de uiteindelijke bedoeling te bemoedigen:

De evangelies zitten vol verontwaardiging, discussie en debat… zeker de eerste helft van Johannes en zowat het hele Matteüsevangelie hangenvol conflict, maar ook bij Marcus en Lucas… toch volgens mij…

In het toornparadigma zit ook de radicaliteit van de Bergrede: als uw oog u ergert, ruk het uit… en zo kan men de hele bergrede bij Matteüs op de Zaligsprekingen na, lezen als een geladen, conflictueuze  tekst: Gij hebt gehoord dat… Maar Ik zeg u: het klinkt als een politiek strijdpamflet.

Verwijten over ongeloof (vaak aan zijn leerlingen) en kleingelovigheid, doorspekt van ongeduld en ergernis: ‘Ongelovig en tegendraads slag mensen, hoelang moet Ik nog bij u blijven en u verdragen?’

Hij demonstreert soms onbeleefdheid tegenover wie een vraag naar genezing stelt  ‘Mijn dochter, zegt de Kanaänese, is vreselijk bezeten.’ Maar Hij gaf haar niet eens antwoord. Of als zijn eigen moeder zegt: ‘Ze* zitten zonder wijn’, antwoordt Jezus weinig delicaat: ‘Wat* hebben ik en u daarmee van doen, Vrouwe? Mijn uur is nog niet gekomen.’ En verderop in datzelfde Johannesevangelie: Toen Jezus zag hoe Maria weeklaagde (over de gestorven Lazarus) en hoe ook de Joden die haar vergezelden weeklaagden, ontstak Hij in toorn* en wond zich op. [34] ‘Waar hebt u hem neergelegd?’

Tussendoor ‘bestraft’ Jezus demonen, vervloekt een vijgenboom, mest een tempel uit met de zweep.

Het wemelt van de Wee-spreuken aan het adres van ‘Schriftgeleerden, Farizeeën, schijnheiligen’, naast straffe uitsprakenals : ‘Hoeren en tollenaars gaan u voor in het koninkrijk der hemelen…’  Of: ‘Het is fraai, hoe u het gebod van God opzij zet om uw traditie overeind te houden.’ Hij toont zich tegenover hen overigens ook ‘boos’ in de zin van slim, een bolle-boos die de Schriftteksten handig aanwendt om hen in hun blootje te zetten.

Ook in zijn parabels komt woede vaak voor: bijvoorbeeld de koning die woedend is omdat de genodigden niet opdagen en die vervolgens woedend is als een van de later uitgenodigden geen feestkledij aanheeft.

Klare taal schenkt Hij ons: U bent op een dwaalspoor (tav de sadduceeën die de verrijzenis belachelijk maken via de vrouw die zeven keer huwde…).

Of denk aan zijn voorspellingen over rampspoed over Jeruzalem en vluchten naar de bergen. Waarschuwingen voor dwaalsporen en valse profeten. Of verkiest u vermaningen, dreigementen, molenstenen rond de nek, ‘Pas op voor de zuurdesem van de farizeeën, dat wil zeggen hun huichelarij!’

Het ontbreekt Jezus ook niet aan vrijmoedigheid: Johannes de Doper is gekomen, hij at geen brood en dronk geen wijn, en u zegt: “Hij is in de macht van een demon.” De Mensenzoon is gekomen, Hij at en dronk, en u zegt: “Kijk die veelvraat, die slemper, die vriend van tollenaars en zondaars.” ’t Is nooit goed dus… Of aan zijn leerlingen: Ge zoudt uw leven voor mij geven? Voor de haan kraait zult ge me drie keer  verraden hebben…)‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die Ik zal drinken?’

Een beetje later zal Hij hen verwijten dat ze niet eens een uurtje kunnen waken, zelfs in zijn moeilijkste uur,

Tot en met verwijt naar God: Mijn God, mijn God, waarom hebt U Mij in de steek gelaten?

Het toornparadigma houdt zelfs niet op na zijn dood: ‘Wat zijn jullie toch onverstandig en traag van begrip als het gaat om het geloof in alles wat de profeten hebben gezegd! Moest de Messias niet zo lijden en dan zijn heerlijkheid binnengaan?’ (Lc 24) Bij Mc luidt het: Later verscheen Hij aan de elf … en Hij verweet hun hun gebrek aan geloof en hun verstoktheid van hart, omdat ze geen geloof geschonken hadden aan hen die Hem in leven gezien hadden.

Besluit

Excuseer voor deze boze bloemlezing en boodschap: enkel om ons te laten doordringen van de plaats voor boosheid in de menswording. En toch verbinden we Jezus ook heel sterk met barmhartigheid en mildheid. In dat vurig spanningsveld worden we geroepen Hem achterna te gaan.

Dat gigantisch spanningsveld zit eigenlijk in het hele Eerste Testament en zien we voorbeeldig samengebald, gesym-boliseerd in de Mensenzoon, Jezus Christus. Toorn van God (denk aan de vele beelden van de straffende God), toorn van de mens (denk aan de ‘verschrikkelijke dingen’ die in sommige psalmen staan en uit het hart van de mens komen); maar ook de steeds terugkerende barmhartigheid en liefde en trouw van God - getuige de eerste lezing uit Sefanja.

Wat is daar nu bemoedigend aan?

Wel, het hele woede&boosheid-paradigma hoort erbij. Als u dus dit weekend al of komende week daarin terecht komt (of al lang vertoeft), weet dan dat dit ook met de menswording, met de geboorte en barensweeën van de Mensenzoon en –dochter te maken heeft. Dat u dan in goed gezelschap vertoeft, het gezelschap van Jezus.

zondag 4 november 2012

Het vreemde boek Apokalyps: beeld van onze cultuur?


Schriftcommentaar bij Allerheiligen en Allerzielen

Op 4 november 2012 gaf ik op vraag van de gemeenschap De Brug in Lier een Schriftcommentaar bij een stukje van het laatste boek van het Nieuw Testament. Ik vertrok van een algemene beschouwing bij de ‘triptiek’ Halloween - Allerheiligen – Allerzielen.

Uit het boek Apokalyps: hoofdstuk 2 verzen,1 tot 7

[1] Toen zag ik een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; de eerste hemel en de eerste aarde waren verdwenen en de zee bestond niet meer. [2] Ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, vanuit God uit de hemel neerdalen, gereed als een bruid die zich voor haar man heeft getooid.

[3] Toen hoorde ik een luide stem, die vanaf de troon riep: ‘Dit is de tent van God bij de mensen! Hij zal bij hen wonen. Zij zullen zijn volk zijn, en Hij, God-met-hen, zal hun God zijn. [4] Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal niet meer bestaan; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij.’

[5] En Hij die op de troon zetelt, zei: ‘Zie, Ik maak alles nieuw.’ Ik hoorde zeggen: ‘Schrijf deze woorden op, ze zijn betrouwbaar en waar.’ [6] Toen zei Hij tegen mij: ‘Ze zijn vervuld! Ik ben de alfa en de omega, de oorsprong en het einde. Wie dorst heeft zal Ik voor niets te drinken geven uit de bron van het water dat leven geeft. [7] Wie overwint zal dit allemaal krijgen, en Ik zal zijn God zijn en hij mijn zoon.

Halloween, Allerheiligen, Allerzielen: drie manieren van omgaan met de dood

Allerheiligen en Allerzielen vormen als het ware een kerkelijke tweeëiige tweeling; de laatste jaren heeft hun niet kerkelijk broertje Halloween uit Noord-Amerika de Plas overgestoken. Halloween, Allerheiligen, Allerzielen: het is een soort drievuldige benadering van de dood, midden in het seizoen van het afsterven, de herfst. Drie manieren om met de dood om te gaan, om ermee te kunnen leven. Drie kinderen van het gezin ‘vanderdood’ die elk hun eigenheid hebben, die elk hun eigen weg gaan, de een niet kerkelijk de andere twee wel.
Halloween gaat er lachend mee om. Laten we er een grap van maken, iets karnavalesks, de dood bezweren met ironie, ja bijna cynisme. Laat ons een feestje bouwen, een party (een foute party zoals op ons palliatief-teambuildingsweekend!) waarop we ons als freaks verkleden. We amuseren ons als het ware dood (ja, soms helaas letterlijk zoals in Madrid). (Het is een manier van omgaan met de dood die past bij deze tijd, en waarop de kerkelijke tweeling misschien wel heimelijk wat jaloers is, want ze zijn zo ernstig.)
Allerheiligen gaat om met lijden en dood vanuit het perspectief van de zaligsprekingen, dat is dan ook de evangelielezing op die dag. Allerheiligen is  niet zozeer het feest van alle officiële heiligen zij het nog een Damiaan, maar veeleer van alle mensen als potentieel heilig en soms ook in stilte effectief heilig, als in staat om de ramp-zaligheid te beleven. Zalig de rampzaligen, de treurenden, de zachtmoedigen, de vervolgden om de gerechtigheid…
En dan is er zusje Allerzielen: na de ironie van Halloween en de zaligspreking van Allerheiligen, de herdenking van Allerzielen. Herdenking als bemoediging.

Dat is me vertrouwd. Op de palliatieve dienst waar ik werk organiseren wij vijf keer per jaar een bemoedigingsmoment. Dan worden families van bij ons overleden patiënten uitgenodigd om samen met een aantal mensen van ons team hun dierbaren te gedenken. Het gaat telkens om een 25-tal overledenen van de voorbije maanden. Er komen tot honderd personen naartoe. Wat doen we? Heel eenvoudige dingen. Over elke overledene wordt door iemand van het team een korte, bemoedigende tekst geschreven over hoe we de persoon in de tijd dat hij of zij bij ons was hebben ervaren. Telkens wordt bij het lezen van de tekst ook een kaarsje aangestoken, en volgt een korte stilte. Er wordt muziek gedraaid of gespeeld; iemand vertelt een zelf geschreven echt of fictief verhaal ; er wordt aan elke familie een roos uitgedeeld met daaraan gehecht de tekst over de overledene; de dokter mag, naar goede gewoonte, het laatste woordje voeren. En nadien is er koffie en taart, en ontmoeting. We doen het al bijna vijftien jaar. Het valt ons op hoe bemoedigend dit eenvoudig ritueel werkt. Ik vraag me altijd af: wie bemoedigt hier wie? Zijn wij, de zorgverleners, degenen die de familieleden bemoedigen of bemoedigen zij ons? Of is het de overledene die ons op een heel andere wijze vanuit zijn of haar verte bemoedigt? Het is merkwaardig dat je door iets samen te delen, ook al is dat een triestig gegeven, toch bemoediging kunt ondervinden. ‘Ik wist niet dat we met zovelen waren die in die periode iemand verloren hebben’, horen we dan vaak zeggen.

Samen de overledenen herdenken, dat is toch Allerzielen. Vanuit het bemoedigingsmoment van onze kleine dienst, zie ik Allerzielen - op het eerste zicht een ‘aller-zieligst’ gebeuren - als een groot bemoedigingsmoment van de bredere gemeenschap.

 Een actualiserende lezing van Apokalyps 21: een schrikbarende, een symbolisch-cryptische en een bemoedigende tekst

Bemoediging, dat is ook wat Apokalyps 21, de eerste lezing van Allerzielen, beoogt. Met name voor christenen in bange dagen, vervolgd in klein-Azië. Bemoedigend klinkt het stukje, dat net voor het slot van het boek Openbaring komt: ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. Maar zoals we allicht weten staat Apokalyps in wat voorafgaat vol met schrikbarende beelden die bovendien erg symbolisch-cryptisch overkomen. Er wordt in code-taal over Christus gesproken. Ik ben helaas niet vertrouwd met de exegetische finesses van Apokalyps. Veeleer wil ik dan ook weergeven wat de drie kenmerken van de tekst - schrikbarend, cryptisch, bemoedigend - oproepen als ik die op de tekst van ons leven nu leg.

(1)   Een schrik-barende tekst: schrikbarende beelden

Schrik-barend is de Apokalypstekst soms: zo is er bijvoorbeeld de draak die het pasgeboren kind van de Maagd bedreigt. En zo zijn bepaalde beelden van de dood in onze maatschappij. Een gemedicaliseerde dood: de helft van alle overlijdens gaat tegenwoordig gepaard met een medische beslissing! Dood in het ziekenhuis, burcht van technologische ‘bewapening’ tegen de vijand ‘dood’ waar de zieke niet zelden sterft in een geur van therapeutische hardnekkigheid, en niet van heiligheid of waardigheid. Anderzijds zien we beelden van lijden en sterven in onderbemande en -bevrouwde rusthuizen, van dementerenden, beelden die mensen niet geruststellen, ook al worden de goede beelden al te weinig getoond. Bij jongere mensen beelden van ongelukken door de dodelijke cocktail van snelheid en alcohol of van zelfdoding en gezinsdrama’s. Beelden in documentaires en films over geassisteerde zelfdoding ofte euthanasie die je wel eens doen vragen: “Waar gaat dat…‘eindigen’?” De beelden van onze tijd zijn dus ook schrikbarend, zoals in het boek Apokalyps.

(2)   Een symbolisch-cryptische tekst: code-taal

Apokalyps is niet alleen schrik-barend, de tekst staat ook bol van hermetische visioenen en symbolen (‘het zevende zegel’). Onze tijd staat in zekere zin ook bol van visioenen en symbolen – is er ooit een tijd geweest met meer van dat, gezien alles wat bijvoorbeeld gebeurt op vlak van films en media… En hoe vreemd het ook lijkt, je kan, zoals in de tijd dat Apokalyps werd geschreven, publiek nauwelijks over Christus spreken, maar toch kan je bepaalde fenomenen, symbolen en visioenen lezen, ‘de-coderen’ met een eigenzinnige religieuze-christelijke bril en daar inzicht, bemoediging en troost uit putten.
Ik denk ondermeer toch dat in de palliatieve zorgbeweging en in de vernieuwde aandacht voor rouw meer ruimte is voor het ‘visioen’ en de beleving van de zaligsprekingen, ook al wordt in palliatieve zorg zelden of nooit Jezus Christus vernoemd.

Ook helpt het om fenomenen vanuit de diepe behoefte van de mens aan rituelen en religie – ver-binding – te bekijken. De mens is een ‘dier’ dat symbolen en rituele nodig heeft.  Er zijn ‘rituelen’ waar je ze niet verwacht: medische technologie bijvoorbeeld heeft een rituele betekenis. Een aantal chemotherapieën, veel infuzen en sondes, kunstmatige voedingen en stamcellen hebben (ook) een diep symbolische betekenis, want die ‘levenslijnen’ kanaliseren letterlijk onze angst voor eindigheid en lijden. Het helpt me om milder te kijken naar het fenomeen van therapeutische hardnekkigheid en technologische inzet.

Zelfs euthanasie kan je, merkwaardig genoeg, beschouwen als een postmodern ritueel in een tijd dat klassieke rituelen minder aanspreken. Het klinkt misschien pervers, maar zoals bij een ziekenzalving spreek je af: op die dag, op dat uur, met die mensen, door die persoon zal het gebeuren. Rituelen dienen om onze diepe emoties en angsten te kanaliseren en controleren, en om gemeenschap te creëren. Voor sommigen gebeurt dat in onze cultuur zelfs via het ritueel euthanasie. Het helpt me bevreemdende fenomenen te de-coderen, begrip te voelen.

(3)   Een bemoedigende tekst:

De Apokalypstekst klinkt tenslotte niet alleen schrikbarend en symbolisch-cryptisch maar soms ook expliciet bemoedigend.  De tekst spreekt van ‘God-met-ons’, ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, van: ‘Zie, ik maak alles nieuw’, van ‘En de dood zal niet meer zijn’.
God-met-ons, dat is voor mij palliatieve zorg. Maar dat is misschien ook wat ik lees in bepaalde films. God is opgedoken waar je hem nooit had verwacht: in Nazaret en Betlehem, in een stal. Dat verhaal van Jozef, Maria en het kind Jezus, God-met-ons zie je opduiken waar je ’t niet verwacht: bijvoorbeeld in ‘The Broken circle… breakdown’. Misschien zag u de film.
Hard, theatraal-overdreven die film, en toch hangt er een zweem van positiviteit, met veel geluid en instrumenten die nooit ver weg zijn, zoals in de Apokalyps. Je ziet een soort postmoderne Jozef en Maria – een koppel waar letterlijk en figuurlijk muziek in zit, en allerlei standjes, wonend aan de rand van de maatschappij. Ze krijgen een onverwacht, zelfs ongewenst maar liefdevol bejegend dochtertje dat uiteindelijk een vreselijke dood sterft aan een leukemie – waar we ook de grote medisch-technologische ‘rituelen’ zien. De mama ligt als een piëta in bed met haar dode dochtertje  – hart dat doorboord wordt zoals voorspeld door Simeon aan Maria. Het rouwproces trekt de beide ouders uiteen - hoe komt het overigens dat we in het evangelie nooit meer iets horen van Jozef? Het lijden lijkt in de film de liefde te ‘breken’ (The broken circle…breakdown), doordat men elkaar beschuldigt, wat de moeder zelfs tot suïcide drijft.
Is alles kommer en kwel? De film eindigt toch op een positieve-optimistische noot (letterlijk dan) wanneer de vader met zijn muzikale maten onder tranen vrolijke blue grass muziek speelt wanneer het beademingsapparaat van de jonge moeder wiens hersenen door de suïcidepoging al te zeer beschadigd zijn, wordt stilgezet. De film is doorspekt met de nu zo populaire tattoos op het lichaam van de vrouw: ook ‘schrikbarende’ beelden met op het einde toch een ‘blijde boodschap’ zelfs midden de suïcide: ‘Maria’ heeft de nieuwe namen voor haarzelf en haar man op haar lichaam getatoeëerd: Monroe & Alabama: het doet me denken aan Apokalyps: ‘Ik zal hem een wit steentje geven en op dat steentje staat een nieuwe naam geschreven, die niemand kent’, een ‘nieuwe hemel en de nieuwe aarde’ ‘zie ik maak alles nieuw’… Uitdrukkingen van de onverwoestbare neiging tot geloof, hoop en liefde in de mens, over de grens van de dood heen. Het ‘kleine meisje hoop’ tussen de grote zussen geloof en liefde (zoals Charles Péguy het uitdrukt), letterlijk en figuurlijk in deze film.
En als u het een beetje overdreven vindt om die film met het evangelie te verbinden: lees dan het evangelie van Allerzielen waarin Jezus stervend als een foute mens op het kruis een luide kreet geeft… en de Geest. En ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën’: dwz God ontsnapt als het ware uit het heiligdom van de tempel, uit het instituut, voorgoed. God is van iedereen, ook van deze ‘goddeloze’ wereld en daar is Hij/Zij met ons voor wie het waagt te lezen en te decoderen. En dat is fundamenteel bemoedigend.