Op 15 september vertrok mijn boek naar de boekhandel: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'. Na een maand waren we aan een tweede druk toe.
Nu zondag Allerheiligen is er op KLARA tussen 10 en 11 in de ochtend een interview door Pat Donnez met mij. Het programma heet 'Berg en dal'. Een uur lang (een eeuwigheid in medialand). De aanleiding is het boek, maar het gesprek gaat een stuk breder.
woensdag 28 oktober 2015
maandag 14 september 2015
Mijn nieuw boek is uit: Euthanasie: waarom niet?
Op 15 september is mijn boek naar de boekhandel vertrokken: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'
Hier een link met you tube waar het boek heel kort voorstel:https://www.youtube.com/watch?v=rYfiLhIdl_4
Hier de covertekst:
‘Er ontbreekt iets essentieels in het
maatschappelijk debat over euthanasie: nuance.’
Dat is de basisstelling van Marc Desmet,
meer dan twintig jaar actief als palliatieve-zorgarts.
Euthanasie: waarom niet? probeert die nuances onder woorden
te brengen. Ja, waaróm niet? Euthanasie moet in bepaalde
lijdenssituaties kunnen.
En tegelijkertijd, waarom níét?
De praktijk leert dat euthanasie niet vanzelfsprekend blijft.
Niet voor de zieke, die afhankelijk is van een goed luisterende arts.
Niet voor naasten, die alles soms erg verschillend beleven.
Niet voor artsen.
En er is nog een betrokkene: onze maatschappij.
Leven we te lang? Weten we geen weg meer met lijden? Of willen
we economisch niet tot het uiterste gaan in de zorg?
Zo veel vragen en vaak zo weinig genuanceerde antwoorden die
de mediawaan van de dag overstijgen. Marc Desmet wil recht doen
aan de complexiteit van de lijdensbeëindiging, met verhalen
uit zijn euthanasiebegeleidingen,
voorbij de simpele tegenstelling.
Dit boek wil vooral doen nadenken. Op zoek naar praktische
wijsheid die ook durft te zeggen: je sais que je ne sais pas.
Indien u het interview met mij in De Standaard over het boek wil lezen:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20150911_01862191
maandag 20 april 2015
Wat betekent opstanding eigenlijk? Over zwaarte-kracht.
Op zondag 19 april 2015 (3° zondag van de Paastijd B-jaar ) hield ik voor de Universitaire parochie van Leuven de volgende homilie
Lucas
24,35-48.
[35] De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.
[36] Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ [37] Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. [38] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? [39] Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ [40] Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. [41] Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ [42] Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. [43] Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. [44] Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ [45] Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. [46] Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, [47] en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.
[36] Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ [37] Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. [38] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? [39] Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ [40] Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. [41] Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ [42] Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. [43] Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. [44] Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ [45] Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. [46] Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, [47] en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.
Een
vermeende zelfdoding
Op paaszaterdag kreeg ik een telefoontje dat een
studievriend zich had gezelfdood. Ik had hem enkele weken voordien nog ontmoet.
Op Pasen raapten een collega-vriendin en ikzelf al onze moed samen om de weduwe
te bezoeken. ‘Nu zeggen ze al dat hij dood is’,
zei de vrouw. Hij was dus niet dood. Hij was opgenomen in een
ziekenhuis. Ik was zo verbouwereerd dat ik de eerste minuten niets kon onthouden
van het relaas van de vrouw. Ik was verbijsterd. ‘Ik kon het van vreugde en
verbazing bijna niet geloven…’ Het was misschien een klein smaakje van wat de
leerlingen lijken te ervaren wanneer ze Jezus terug zagen.
Hoewel… iemand die alleen vermeend dood was, toch levend
terugzien, dat gaat nog, maar ‘een dode – ja, morsdood – die niet dood is’ terug
zien verschijnen wie gelooft dat nu? Als we in het credo belijden dat ‘Jezus
nedergedaald is ter helle’ bedoelen we in de eerste plaats dat Jezus werkelijk
morsdood was, dat hij bij de doden was. Totaal machteloos. Welnu, de opstanding
is de hoeksteen van het christelijk geloof, wordt gezegd. Maar tegelijk lijkt
het het fragielste van dat geloof. Pasen brengt een blijere stemming, vreugde,
al was het maar door het lenteweer, maar als we eerlijk zijn tegelijk misschien
ook verbijstering, vertwijfeling: waar slaan die verschijningsverhalen op? Wat
kunnen we ons daarbij voorstellen?
Het
verschijningsverhaal heeft een bedrieglijke kant: het
verschijnen van de Heer met het benadrukken van zijn lichamelijkheid – betast
mijn handen en voeten, geen geest maar een betastbaar mens die eet, spreekt en
Schriftuitleg verschaft – zet ons in deze tijd op het verkeerde, modern-wetenschappelijke
been. Verrijzenis gaat niet over de reanimatie van een lijk,
zoals bij Lazarus of zoals bij het dochtertje van Jaïrus waar Jezus bij leven
en welzijn twee keer te laat kwam en de gestorvene toch tot leven riep. Wij
weten in onze tijd, met onze wetenschap, dat dit niet gebeurt. En al zou het ooit eenmaal bij wonder gebeurd zijn
met Jezus van Nazaret, wat verandert dit aan ons leven? Fijn voor Hem, maar wat
met mij en mijn (overleden) geliefden? Neen, het gaat niet over dergelijke reanimatie
die de doden weer onder de levenden terugbrengt. De tekst doet Jezus immers ook
zeggen: “Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was…”
Hij is dus niet meer bij hen, toch
niet op die manier.
In de vier verzen die volgen op onze lezing van vandaag,
de laatste vier van het Lucasevangelie, gaat Hij dan ook verdwijnen, ‘opgenomen
worden ten hemel’. Na de woorden: ‘Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.’
En dàt lijkt het onmiskenbare historische
feit te zijn: dat de leerlingen die Hem gekend hadden na Zijn dood kracht gingen ervaren die ze
associeerden met leven en sterven van Jezus van Nazaret. In feite jaren,
misschien tientallen jaren na zijn overlijden. Maar er gebeurde onmiskenbaar
iets. Onrechtstreeks merkten ze dat Hij leefde, hoewel de mens Jezus mors-dood
– dubbel dood – was. Ze hadden Hem immers zelf van het kruis gehaald, zijn
lichaam gebalsemd en begraven. Toch associeerden ze die kracht met Hem. Zoals
een gedode Romero ons kan inspireren – jaren later, en in beslist heel andere
omstandigheden dan die van zijn El Salvador.
Dat laatste aspect voert ons naar iets essentieels in de opstanding. Wat er uit groeide was iets dat er
helemaal anders ging uit zien dan een joodse rabbi met wat volgelingen in een
specifieke Palestijnse cultuur. Er ontstaat iets totaal anders – totaliter aliter – om te spreken met Paulus
over opstanding. Hij heeft het dan over het hiernamaals, maar dat geldt m.i. ook
voor het hiernumaals – en we kunnen
enkel van hieruit spreken. Totaliter
aliter: een spirituele Big Bang : een nieuwe liefdesschepping uit het
zwarte gat van lijden en dood, heel en al uitdijend. De grondlegger van dat oerknalidee was een Belgische
priester-astronoom (Georges Lemaître). Om het bescheidener te zeggen: de boom
(‘boom’) lijkt niet op het zaadje. De Kerk lijkt bijvoorbeeld helemaal niet op
de rondtrekkende Jezus en zijn vriendenclub: wat hebben kathedralen, parochies,
Vaticaan, sacramenten zoals we ze kennen, encyclieken etc er mee te maken? Toch
kan ze er op haar best nog trekken van hebben, een ruimte zijn voor Zijn Geest
en Kracht. Toch kan ze op haar best er een nieuwe schepping van zijn, maar
blijvend herkenbaar als van Jezus Christus komend. Hoezo?
Hier
zet het verschijningsverhaal ons dan toch weer op het juiste been:
het christelijk verrijzenisgeloof voert ons niet naar de hemel maar naar de
tastbare wereld toe. Dit ‘bedrieglijk’ verhaal dat op het eerste zicht ons
ervan moet overtuigen dat de leerlingen Jezus in levende lijve hebben terug
gezien geeft mij misschien vooral aan wat referentiepunten zijn in een echte
opstandingsevolutie:
- “Vrede zij u” is het eerste woord: het gaat om vredesschepping; ook over ‘vrede’ als herkenning van de ‘binnenkomst’ van de Heer. En het laatste woord is vergeving.
- Er wordt gesproken en gegeten.
- Het gaat over concrete mensen, lichamen, geen geesten (geen hallucinaties), geen schimmen (zoals in de joodse sjeool), geen hersenschimmen
- Het gaat over diepmenselijke emoties: verbijstering en schrik; vreugde en verbazing
- Het gaat over de mens die lijdt: doornagelde handen een voeten als identificatie
- In dit alles blijft de ‘oude’ Schrift oriënterend: de historische, de profetische, de wijsheidsboeken: zij worden ‘vervuld’ dwz ook omgezet in een nieuwe schepping
- En het gaat niet alleen over individuen, maar ook over volkeren die opgeroepen worden tot inkeer zodat ze vergeving krijgen
- Tenslotte: begin in Jeruzalem: te beginnen, maar daar zal het niet bij blijven. De ‘tak’, de boom zal er helemaal anders uitzien dan Jeruzalem. Dat is wat Lucas al ziet.
Het
verhaal houdt ons in zijn naïviteit en eenvoud aan de grond. En
oriënteert naar vrede en vergeving. Het gaat dus niet alleen om een ervaring
van kracht. We zouden ons immers kunnen verbazen over de kracht die mensen
doet meewerken aan totalitaire systemen zoals stalinisme en nazisme, maar ook
zoals de Kerk zelf op zijn slechtst, religie op zijn ‘pseudoost’ zoals bij IS,
Boco Haram etc., en ook ongebreideld marktisme. Ze spreken niet van vrede en
vergeving. De herschepping in Christus betreft geen totalitarisme, maar iets
totaliter aliter. De kiem van dat nieuwe wordt verteld in een verhaal van Jezus
die leerlingen onderweg vervoegt. Jezus’ geest is heel reëel en concreet, zo reëel en concreet als een gezel(lin).
In zekere zin ‘Kan ik alleen woorden ontmoeten, U niet
meer…’, zoals we vaak hier zingen met Gerrit Achterberg. Hoe laten we dit Woord ons hier
vervoegen? En hoe zullen wij het
Woord vervolgens (als werk-woord) vervoegen? Vervoegen we het in de
onvoltooid verleden tijd of maken we er voor bepaalde interpretaties een
voltooid verleden tijd van? We
kunnen het Woord vervoegen in de tegenwoordige tijd: met oog voor wat nu
gegeven wordt, the present time, het
geschenk van het ogenblik, de blik in de ogen van de ander. We moeten het ook
vervoegen in de toekomstige tijd, in
de futur pas si simple.
Zwaarte-kracht
Pas
si simple….want ‘Moest de Messias dat
alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’ zegt Jezus aan de twee
Emmaüsgangers, aanwezig in dit verhaal waar we opnieuw lezen: “Toen maakte Hij
hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften.” Blijkbaar moest
Hij lijden en sterven. En wij zijn toch zijn volgelingen, tochtgenoten,
aanhangers. Er is een
onvermijdelijke zwaarte in ons leven.
Maar dat is tegelijk een/de zwaarte-kracht die ons aan de grond houdt,
zodat we niet als een Icarus gaan opvliegen en neerstorten. De kracht die de
leerlingen van Jezus, tot op vandaag, op wonderlijke wijze ervaren is een soort
zwaarte-kracht: kracht ontstaan uit lijden en dood omwille van de liefde. We
denken opnieuw aan onze bijna-huis-heilige: Romero.
Zwaartekracht doet me ook denken aan Simone Weil in ‘La pesanteur et la grâce . Ze zegt
zoiets als: de wet van de zwaartekracht geldt niet alleen in fysica, maar ook
analoog in psychologie en spiritualiteit. Alleen de genade onttrekt ons ‘soms
even’ aan die zwaarte. ‘Alle natuurlijke
bewegingen van de ziel worden gestuurd door wetten die analoog zijn aan die van
de materiële zwaartekracht. Alleen de genade maakt de uitzondering.’ Met
enige humor – een teken van verrijzenis – kunnen we ook zeggen dat de verliefdheid
de uitzondering maakt. Op een affiche in een ziekenkamer las ik deze week een
quote van Einstein: ‘Gravitation is not
responsible for people falling in love’. Inderdaad, verliefdheid
onttrekt ons aan de zwaarte, maar liefde
kent zijn zwaarte. Wie die zwaarte(kracht) ontkent komt in de ‘ondraaglijke
lichtheid van het bestaan’ terecht, zo hebben we in deze tijd (van Kundera)
geleerd.
De eucharistie is de herinnering aan de zwaarte-kracht
van Jezus Christus, ons zwaartepunt. De herijking op zijn genade houdt ons aan
de grond.
Marc Desmet sj
zaterdag 14 maart 2015
De zweep van Jezus: woede een plaats geven
Beter laat dan nooit: mijn homilie van de voorbije derde vastenzondag (B-jaar 2015) voor de UP van Leuven op 8 maart 2015.
Lezingen:
Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-25
Het evangelie van de
tempelreiniging van vandaag vormt een sterk contrast met het evangelie van
vorige week, dat van de gedaanteverandering bij Marcus. Hier een soort contra-transfiguratie: Jezus die
woedend wordt in de tempel en de boel uitmest. Jezus’ kuiswoede als het ware.
De Zoon is niet zo zen, bij momenten. Verbaal en ook fysiek geweld.
Het is niet moeilijk om enkele actuele associaties
te laten opkomen.
We denken aan de
nieuwjaarsrede van de paus. Geen vrolijke bijeenkomst voor de Romeinse Curie.
Franciscus confronteerde ze met 15 zonden: "roddelterreur",
"pathologische drang om macht te veroveren", en natuurlijk
"spirituele alzheimer", waardoor ze vergeten dat ze in de eerste
plaats God moeten dienen.
Verbaal geweld. Maar ook
fysiek. We denken aan de I.S. beeldenstorm van werelderfgoed, aan de Twin
Towers, en de vele variaties op terroristische aanslagen.
Of misschien zult u -
devoter – denken aan uw irritatie over de commercie in Lourdes. En de ‘tempel
van zijn lichaam’ waarover ook sprake in de scène zal sommigen verwijzen naar
de commercialisering van het lichaam, van organen, van seks, etc.
Woede is menselijk. De
geboden en verboden van de eerste lezing stellen een ultieme grens: “Gij zult niet doden.” Maar ze lijken –
slecht begrepen - het geweld ook uit te lokken: “Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult geen
godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel. (…) want
ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders
wreekt tot het derde en vierde geslacht…”
Na het laten optrekken van deze stofwolk van associaties proberen
we te bespeuren wat Johannes deed met dit gegeven.
Johannes doet twee literaire ingrepen die de
tempelreiniging krachtiger maken dan bij Matteüs, Lucas, Marcus.
1. Hij plaatst ze helemaal
vooraan in het evangelie (na de bruiloft te Kana, het eerste teken van
Jezus en voor de nachtelijke ontmoeting met Nicodemus); daar waar de synoptici
de tempelreiniging meer naar het einde van het evangelie, na de lijdensvoorspellingen,
situeerden. Het is dus Jezus’ eerste optreden in de hoofdstad. Het is dadelijk
‘prijs’. Later volgen nog drie ‘feestreizen’. De laatste keer opnieuw voor een
Pesachfeest. Je leest: “Jezus komt naar Jeruzalem” ’t Zal weer wat zijn!
2. En Johannes voegt er een gesel, een zweep aan toe (niet zomaar een/het zweepje). Hij heeft die zweep nodig om de offerdieren
uit te drijven, ttz de brand- en slachtoffers van het Oude Testament.
Een krachtige boodschap van Johannes, namelijk: de
Tempel heeft uitgediend, Jezus zal hem niet zuiveren, maar afbreken en door een
andere vervangen. Het gaat niet meer om een gebouw dat men in 46 jaar
heeft opgebouwd, en dat op kortere tijd door de Romeinen verwoest is geworden. Het echt huis van de Vader bestaat in zijn eigen
persoon en de gemeenschap daarop gebouwd. Nieuwe wijn in nieuwe zakken.
Johannes radicaliseert het thema van de
tempelreiniging. We lezen er een schreeuw
om verinnerlijking van de eredienst in; een radicaal nieuwe opvatting over de plaats waar wij God ontmoeten.
Die plaats is de persoon van de Verrezene, Jezus zelf. Zeg maar: de Mens met
grote M, de mens in zijn of haar essentie. Een groot perspectief op weg naar
Pasen. Maar ik zou misschien bij één aspect in dat perspectief willen
stilstaan.
Deze passage heeft mij vooral doen stilstaan bij de
uitdrukkingen heilige woede, ‘sainte
colère’ (Lytta Basset). De heilige woede wordt hier letterlijk-literair op
de voorgrond gebracht. De vastentocht naar Jeruzalem kan gelezen worden als een
tocht van woede naar heilige woede.
Geen
eenvoudig thema omdat Jezus zelf daar nogal ambivalent in verschijnt.
Langs de ene kant lezen we heel wat Boze Boodschap in de Blijde Boodschap.
Jezus maakt zich vaak boos. Langs de andere kant is Hij heel streng wat toorn
en woede betreft, zoals blijkt uit zijn interpretatie van ‘Gij zult niet doden’
– verbod dat vandaag klinkt in de eerste lezing.
Beroepshalve ben ik daar nogal mee bezig en het is pas
onlangs dat het me zo opviel dat Jezus in de Bergrede een link legt tussen
doden en toorn: “Jullie hebben gehoord
dat destijds tegen het volk is gezegd: ‘Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het
gerecht.’ En ik zeg zelfs: ieder die in
woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden
voor het gerecht. Wie tegen hen “nietsnut” zegt… Wie ‘Dwaas!’ zegt, zal
voor het vuur van de Gehenna komen te staan.” Interessant gezien de
mediatieke toorn die we wel eens te horen krijgen rond euthanasie. Het klinkt paradoxaal uit de mond van iemand die vaak
een Boze Boodschap heeft. Het zet nog meer aan om te zoeken naar het
onderscheid tussen woede en heilige woede. Een uitzuivering, een vasten.
Taal
leert al dat in woede ook iets positiefs, iets heilzaams kan zitten. ‘Hij
was ver-woed bezig…’ ‘Met verwoede krachten zocht men naar een oplossing’.
(Kuiswoede.) ‘Met nen godver en een dju’ (westvlaams). In woede zit kracht.
Vandaar dat een vloek een ‘kracht-term’ is. Vloeken in de kerk – dat is wat
Jezus in de tempel doet - kan kracht opwekken. En nog: we vinden dingen
‘geweld-ig’. We vonden iets verdomd
goed.
Woede, verontwaardiging, ziedend zijn, kwaadheid,
boosheid, wrevel, toorn, vertoornd, passie in de zin van lijden aan zijn
hartstocht horen dus bij menszijn. Is incarnatie. Is Boze Boodschap. In
Marriage Encounter is het een van de vier basisemoties die men probeert uit te
schrijven over relaties: vreugde – verdriet – angst – én kwaadheid.
Maar
wat is heilige woede, niet geile woede ? Heeft vasten daar een rol in? Is dat
om de woede te kanaliseren tot iets vruchtbaars? Hoe van kuiswoede tot kuise
woede?
- Woede kan ‘een ware factor van persoonlijke verandering, die onvermoede (en ver-woede) krachten mobiliseert in functie van een ander leven dan eerst voorzien’ (Lytta Basset p. 15). Heeft dit niet te maken met wat Schillebeeckx de ‘negatieve contrastervaring’ noemde?
- het gaat hier niet om het geheime, perverse plezier dat we allen kunnen hebben in een woede-uitbarsting of het zoeken van succes door een spectaculaire act of uitspraak, of door een enigszins gespeelde woede. Jezus weet immers ‘wat er in de mens steekt’, zoals de pericope fijntjes opmerkt op het einde. Hij weet namelijk dat degenen die vandaag ‘Hosanna’ roepen, morgen ‘kruisig hem’ roepen.
- Een heilige ‘colère’ verbindt ons meer met God. Ze sluit dus een breuk met God uit. Maar dit heeft ook een consequentie: als onze woede zo is dat de ander niet meer onze broer of zus is, dan kunnen we ook zijn/haar Vader in de hemel niet meer ontvangen….. De Mens is immers de nieuwe tempel. Efeziërs 4,25-27: ‘Wordt toornig maar zondigt niet. De zon mag over uw toorn niet ondergaan, geef de duivel (de di-visor, de dia-ballein, de verdeeldheid zaaiende) geen kans.’ Geef de duivel geen kans, geef God een kans.
- Heilige woede zegt: « Neem geen wraak maar geef een plaats aan de woede». Die ‘plaats’ kunnen we ‘God’ of goddelijk noemen. Het is niet aan ons om wraak te nemen… We schreeuwen die roep om wraak, om rechtvaardigheid naar God toe. We laten het aan de Ander over, zoeken daar ‘een plaats’ voor. Wetend dat God niet op de concrete manier tussenkomt zoals onze woede-fantasmes en heilige schriftteksten niet zelden suggereren.Exodus 22,23: Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen; of de psalm waarin de wens wordt uitgedrukt dat de kinderen van de vijand worden verpletterd tegen de rotsen. Passage die men dan ten onrechte verwijdert uit de vrome lezing.
- Heilige woede neemt niet het recht in eigen handen maar zegt wel de waarheid. De ander heeft nood aan mijn waarheid net zoals wij nood hebben aan zijn waarheid. Het gaat erom dit te zeggen, zonder er welk resultaat ook van te verwachten of te forceren. De waarheid volstaat op zichzelf. Onze enige verantwoordelijkheid is ze te zeggen zoals ze is (de waarheid). We kunnen denken aan Jezus zelf die evolueert van de tempelgesel naar zijn houding tegenover Pilatus: “Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.” Waarna Jezus de zweep over zich zal krijgen. En erger. Jezus wordt zelf slachtoffer van die waarheid.
- Dat brengt ons tenslotte bij de bijzondere band tussen heilige woede en slachtoffers. Girard weet: “De meest efficiënte transformatie (van woede) is niet het revolutionair geweld maar de moderne bezorgdheid om de slachtoffers. Wat deze zorg inspireert en efficiënt maakt is het echte kennen van de onderdrukking en de vervolging ». Jezus’woede dreef de dierlijke slacht-offers uit de tempel en haalde als het ware de menselijke slachtoffers binnen. De gevoeligheid voor allerlei soorten slachtoffers is allicht nooit zo hoog is geweest als in deze tijd. Denk aan de schrijfacties van Amnesty International. We kennen allemaal voorbeelden van dichtbij of verderaf, buiten en binnen onze parochiegemeenschap.
Vasten kan je zien als een tijd om een goede plaats, een
juist kanaal te geven aan onze woede. Woede zonder macht. Machteloze woede.
Heilige woede. Maar wel een kracht-term.
vrijdag 9 januari 2015
Euthanasie bij een geïnterneerde: een vergrootglas voor het hele euthanasiedossier
Dit artikel kreeg ik niet gepubliceerd in De Morgen. Teveel wendingen, teveel terreur in Parijs...
De
euthanasievraag van een geïnterneerde, de kroniek van zijn aangekondigde dood,
en de laatste wending in het dossier stellen een aantal evoluties van het hele
euthanasiedossier op scherp. Deze zijn in de kiem altijd aanwezig geweest, maar
komen nu helemaal aan de oppervlakte. Meteen plaatst dit ons nog duidelijker
voor minstens drie uitdagingen en keuzes.
De eerste
evolutie is de toenemende band tussen euthanasie en economische rationaliteit. Een
grondreden voor de voorgestelde euthanasie was het gebrek aan gepaste opvang
voor geïnterneerden, terwijl die luttele kilometers verder in Nederland wel
voorzien is. Dat justitie aanvankelijk wel de toelating gaf om deze man te
transfereren naar de ziekenboeg in Brugge voor een euthanasie maar onvoldoende
initiatieven ontwikkelde om geïnterneerden buiten gevangenismuren op te vangen,
is dubbelzinnig. In hoofde van de justitieverantwoordelijke en voor de lijdende
kan het zeker een barmhartig gebaar zijn. Voor de maatschappij echter liet men
door die mogelijke ‘vrijlating’ ook de gedachte ontsnappen dat economie en
euthanasie nauw gelinkt zijn: je krijgt geen aangepaste zorg, wel euthanasie.
Deze
bezorgdheid omtrent aangepaste zorg geldt mutatis mutandis voor veel grotere
groepen, bijvoorbeeld de personen met dementie. Ook daar blijft marge voor
verbetering. We beschikken in België weliswaar over een mondiaal bijna uniek
palliatieve-zorgsysteem dat alle zorgsituaties covert. Toch zijn de Woon- en
Zorgcentra met hun vele dementerenden juist de minst bedeelden op dit punt. In
de volgende jaren zal het aantal dementerenden gevoelig stijgen en zo ook het
kostenplaatje. In welke mate sluipt de goedkope euthanasieoplossing in het
hoofd van beleidsmakers, en vooral: in het hoofd van de zieken zelf? Geen vrije
keuze zonder goede zorgmogelijkheid: de casus van de geïnterneerde is er alleen
een extreme uiting van.
De tweede
evolutie betreft het type persoon dat in toenemende mate euthanasie vraagt.
Euthanasie verbinden de meesten onder ons met het typebeeld van de
kankerpatiënt, die in een terminale fase is met hoofdzakelijk een ondragelijk
lichamelijk lijden. Net zoals de geïnterneerde, ontmoeten we nu een toenemend
aantal nieuwe euthanasievragers, met nog vrij lange levensverwachting, die
ondraaglijk psychisch lijden en waarvan de medische uitzichtloosheid minder
duidelijk is. De beslissende factor om euthanasie te vragen is bij hen niet
zodanig lichamelijk maar wel geestelijk lijden: niet willen tot last zijn,
toenemende afhankelijkheid, angst voor wat komt, de zin niet inzien van deze
laatste maanden of jaren, therapeutische burn-out, en gewoon de vaste wil om te
sterven. Dat iemand psychisch ondraaglijk lijdt omdat hij jaar in jaar uit 23
op 24 uur in een cel zit, is ‘enkel’ een exponent van die trend.
Maar dat
artsen aarzelen om daarop in te gaan geeft even scherp de nieuwe ontwikkeling
aan. Naast het subjectief criterium van het ‘ondraaglijk lijden’, dienen zij
ook het noodzakelijk objectief criterium van medische uitzichtloosheid te
bepalen. En die medische uitzichtloosheid wordt nu onduidelijker: wanneer is
een psychiatrische ziekte, zoals o.a. bij een geïnterneerde, definitief medisch
uitzichtloos (4% van alle euthanasies)? Dat is veel moeilijker te bepalen dan
bij een kanker of bij een zenuwaftakeling zoals ALS en MS.
Dit voert
naar een derde evolutie die de casus van de geïnterneerde uitvergroot: we gaan
van euthanasie naar geassisteerde suïcide. Daarmee bedoel ik niet de wijze van
levensbeëindiging (een drankje in plaats van een spuitje), maar wel het
veranderend karakter van euthanasie. Een levensbeëindiging van een terminale
kankerpatiënt die fysisch zwaar lijdt en bedlegerig is, is niet hetzelfde voor
een arts als iemand doden die binnenwandelt met weerbarstige chronische
niet-kankerpijn of met beginnende Alzheimer. Weer verschillend is het bij een
psychiatrische zieke die nog tientallen jaren kan leven maar wel al negen
suïcidepogingen achter de rug heeft, of die geïnterneerd is. Nog anders is de
levensmoeë oude weduwe met artrose, slechte ogen en wat hartlijden, in een
Woon- en Zorgcentrum. Levensbeëindiging krijgt meer het karakter van
geassisteerde suïcide. Nu het verzoek van de geïnterneerde geweigerd werd, komt
een andere weinig uitgesproken vraag naar boven: moet de maatschappij het
mogelijk maken dat mensen op een propere manier uit het leven kunnen stappen
wanneer zij dat willen, ook zonder ondraaglijk lijden en zonder medische uitzichtloosheid?
Suïcide voorkomen en helpen uitvoeren zijn twee opdrachten die een nieuwe paradox
vormen.
De
euthanasievraag van een geïnterneerde legt voor mij minstens drie uitdagingen
bloot: 1. Een financiële: euthanasie kan geen alternatief zijn voor zorg;
mogelijkheid van goede zorg is een voorwaarde om eventueel van euthanasie te
kunnen spreken. 2. Een therapeutische en educatieve: ondraaglijk psychisch
lijden vraagt om geestelijke zorgmiddelen. Hoe goed beheersen vooral fysisch
geschoolde zorgverleners die? Welke plaats krijgt lijden in de opvoeding? 3.
Een maatschappelijke: beschouwen we de toename van euthanasie en daarin de
tendens naar geassisteerde suïcide vooral als een overwinning van de
zelfbeschikking of ook als een maatschappelijk probleem en een zorg-wekkende
evolutie?
Marc Desmet
vrijdag 12 december 2014
Hij komt, hij komt, die goede lieve Heer!
Op zondag 7 december 2014 gaf ik in Lier voor de gemeenschap De Brug de volgende adventshomilie:
Marcus 1, 1-8
[1] Begin
van de goede boodschap
van Jezus Christus,
Zoon van God.
[2]
Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor U
uit,
om uw weg te banen;
[3] een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht,
[4] zo trad Johannes op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. [5] Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. [6] Johannes ging gekleed in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. [7] Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. [8] Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.’
om uw weg te banen;
[3] een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht,
[4] zo trad Johannes op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. [5] Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. [6] Johannes ging gekleed in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. [7] Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. [8] Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.’
Hij
komt, hij komt, die lieve, goede Sint!
Hij komt, Hij komt, die lieve, goede Heer! Zo
lijkt het wel in de lezing(en): ‘Hier is de Heer God. Hij komt in kracht’, riep Jesaja reeds tot het volk in ballingschap
(Jes 40,10). Ruim vijfhonderd jaar later laat Marcus Johannes de Doper
roepen : ‘Na mij komt iemand
die krachtiger is dan ik…’ Dat is onze toe-komst,
ad-vent in het latijn: dat Iemand, de Heer, naar ons toe-komt. Heer-lijke
toekomst. Als er perspectief komt in mijn leven, dan verandert het heden. Als
ik alleen al maar weet dat er iets of iemand anders komt, kan ik nu toch al
weer beter voort. Maar wat of wie biedt toekomst?
- HET MASSALE SUCCES VAN JOHANNES DE DOPER
Die
Johannes de Doper lijkt immers niet erg heerlijk of aanlokkelijk. Figuur
van soberheid: kameelharen kleed – ruw denk ik dan, ik krijg al jeuk en
rillingen als ik het me voorstel - leren
gordel, sprinkhanen en wilde honing als voedsel. Geen sinterklaassnoep. Hij
zondert zich ook af: in de woestijn, wel bij water, de Jordaan. En hij preekt
bovendien een doopsel van bekering tot
vergiffenis van de zonden.
Nog opvallend bij deze ascetische figuur is
dat hij zichzelf niet predikt – een
flinke vorm van ascese in onze cultuur van voor jezelf opkomen en narcisme. Hij
verwijst naar een komende “die
sterker is dan ik… Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de
heilige Geest.” De ascese van de lerares die een leerlinge heeft waarvan ze voelt
dat zij meer getalenteerd is, en die haar werkelijk die ruimte geeft en gunt.
Maar
het meest opvallende in dit stukje evangelie voor mij is het succes van deze
onaantrekkelijke, zonderlinge figuur: ’Heel de landstreek
Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door
hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden…’ Wat is er
in godsnaam aantrekkelijk aan ‘een doopsel van bekering tot vergiffenis van de
zonden’? Je ziet de mensen in het Marcusverhaal als het ware met enig
enthousiasme ‘hun zonden belijden’. Wat kan mensen daartoe in beweging brengen?
Welk soort zondebesef zou mij stappen
doen zetten, mij doen keren, be-keren? Toch niet het blijvend feit dat ik
misschien al heel mijn leven tegen een aantal persoonlijke obstakels aanloop,
tegen mijn libido, mijn karakter? Ik wil me misschien wel bekeren maar wat
keert mij tot leven en maakt mij zo enthousiast of minstens nieuwsgierig dat ik
ervoor door de woestijn wil trekken? Wat creëert toe-komst, ad-ventus? (Wat
opent wegen voor mij – ook al weet ik nog niet hoe ik mij zal bewegen op die
wegen?)
Het is dat
massale, dat collectieve wat me treft in het beeld aan het begin van het
Marcusevangelie, en dat ik gelovig niet zomaar wil reduceren tot een fenomeen van massa-psychose. Is er zoiets in onze maatschappij waarin de
massa zo ver van termen als ‘bekering’ lijkt?
- BEKERING EN SCHIJNBARE ONOMKEERBAARHEID
Wel,
misschien spreekt ‘bekering’ ons vanuit de indruk van on-omkeer-baarheid,
schijnbaar of niet, van een aantal fenomenen. (1) Is er
niet een soort collectief bewustzijn van de
onomkeerbaarheid van de opwarming van onze planeet? Met regimes kan je
onderhandelen, maar niet met natuurrampen en smeltende gletsjers. Maar
ondertussen rijd ik toch 50.000 km per jaar met een diesel. (2) Is er niet een
collectief bewustzijn dat we verder moeten met minder – massale stakingen of
niet - dat we inderdaad ‘meer met
minder’ zullen moeten doen, maar dan niet in de orde van de economische
efficiëntie, maar in een spirituele orde: meer leven met minder geld en
materieel; we weten dat maar trekken we er praktische conclusies uit? (3) zijn
we het er eigenlijk niet allemaal over eens dat er op alle terreinen overgereguleerd wordt maar dat we het gevoel
hebben in dit spinnenweb vast te
kleven - noem het maar een seculiere vorm van klerikalisme dat tegelijk met het
kerkelijk neo-klerikalisme overhand toeneemt. En meer ‘lekkers’.
Kortom, we hebben het hier over fenomenen die de schaal van mijn
allerindividueelst en interindividueel zielenheil overschrijden, maar die
ons collectief heil betreffen en waar we willens nillens aan meedoen of in
vastkleven; zaken die onze persoonlijke fysische en geestelijke gezondheid
overschrijden en gaan over ons werkklimaat, ons sociaal klimaat en het
wereldklimaat. Al die klimaten lijden
onder roekeloze ingrepen – door managers, door politici, door industriëlen
en door ons allen in de wagen of in het vliegtuig - waarvan men de gevolgen
slechts op lange duur ziet. We zitten erin vast; al weten we dat dit belangrijk
is.
- BEKERING ALS BEKERING VAN ONS ZONDEBESEF
We hebben het hier over be-kering als bekering van ons zondebesef. Misschien betekent
bekering wel het hervinden van een vurig besef dat de K van Katholiek niet
verwijst naar Klerikalisme maar naar
katholicisme als wat het etymologisch
hoort te zijn: kata holou, betrokken op het geheel, het heil van de
kerkgemeenschap en de mensheid. Dat het de moeite waard is om duidelijk te
maken dat de toekomst van het katholicisme niet ligt in een select groepje
zuiveren maar in een groep van open kristenen die zich in hun bezorgdheid voor
het heil van de wereld soms dichter voelen bij bepaalde atheïsten, agnosten,
vrijdenkers met eenzelfde bezorgdheid - Bien
étonnés de se retrouver - dan bij gelovigen die het plan van God lijken
gelijk te stellen met een aantal morele en liturgische wetten. Zo suggereerde
Anne Provoost in haar ‘Atheïstisch sermoen’.
Enkele jaren geleden ontmoette ik een
briljante prof van de KU Leuven die
zich ‘agnost’ noemt, maar ook de
echte ‘pijn’ vertolkte niet meer tot die katholieke gemeenschap te horen.
Eigenlijk stond hij – paradoxaal genoeg – achter de UP want “daar heb je een
gemeenschap”. Opnieuw dat collectieve. En dat miste hij. Misschien lopen de scheidingslijnen tussen gelovigen en ongelovigen
niet altijd waar we ze menen te moeten leggen. Bijvoorbeeld de
scheidingslijn tussen een soberheid, een ascese die het geheel, de planeet, de
massa toelaat te leven ten opzichte van een ascese die het individuele heil
voor ogen heeft. Of de scheidingslijn tussen een beroep op de wil van God dat
het behoud van onze schepping en van de menselijkheid voor ogen heeft ten
opzichte van een beroep op de wil van God dat het behoud van macht en controle
van bestaande structuren, hiërarchieën, verhoudingen maskeert – is seksueel misbruik in de kerk ook niet een
vorm (al dan niet geweest) van machtsmisbruik en van structuren?
Zonde heeft ook te maken met structuren, met
de collectiviteit, zeker in een geglobaliseerde wereld. En zondebesef met het
bewustzijn daarvan.
- NOOD AAN VUUR, AAN HEILIGE GEEST
We
zijn akkoord dat we vastzitten in opwarming,
overregulering, consumptie, vervuilende vervoermiddelen, financiële mechanismen
en machinaties, M/V verhoudingen binnen de kerk. We kunnen onze eventuele
zonden op dat punt wel belijden, het zijn zaken die ons wel kunnen mobiliseren,
maar vaak ontbreekt het enthousiasme, de
geest-drift om een belangrijke stap te zetten. Precies hier houdt het
evangelie ons voor: ‘Hij zal u dopen met
de heilige Geest’. Hij, de Christus, gaat komen, maar het moet nog groeien.
De advent kan een tijd zijn waarin ons bewustzijn kan groeien tot een elan, een
en-theo-siasme om een of andere concrete belangrijke stap te zetten. Maar dat
kan niet groeien zonder dat er nu een
kleine stap wordt gezet om in te gaan tegen de neiging om mij ontmoedigd neer
te leggen bij de onomkeerbaarheid van een aantal fenomenen.
Een geestelijke
regel zegt : Als het niet goed gaat, als je je ontmoedigd voelt, of machteloos
en misschien verward, dan moet je wel
‘iets’ doen, iets symbolisch, een kleine stap te zetten – geen grote, want
dat gaat nog niet – om de negatieve spiraal te vermijden en de positieve
dynamiek terug te vinden. Wat is eucharistie
anders in de kiem? Een man wiens project helemaal was mislukt, uitzichtloos, en
die dan iets kleins, iets symbolisch doet: wat brood, wat wijn of een voeten
wassen… en kijk, we doen het nog steeds, tweeduizend jaar later. Dat is sterk. Een
beweging tot vandaag. Na Johannes kwam inderdaad iemand die ‘sterker was dan hij’.
‘Begin’,
dat is het eerste woord van het evangelie van Marcus: ‘Begin van de blijde
Boodschap.’ Het lijkt een beetje stom. Natuurlijk dat het begint bij het eerste
woord. En toch, luister goed: je moet
ergens beginnen, ergens een sober, ascetisch, disciplinair stapje zetten…
om tot beweging, tot echt en-theo-siasme
te komen… tot een toe-komst voor deze dag, deze week, dit jaar. Het is
zoals met het schrijven van een stuk: je moete eraan beginnen… en je moet ook
kunnen eindigen.
Laat me dan eindigen zoals ik begonnen ben:
met Sinterklaas, of liever zwarte piet.
Bekering heeft bij wijze van onnozel voorbeeld misschien te maken met bewust
worden dat de discussie rond de figuur van zwarte piet mogelijks toch niet zo
onschuldig is, niet zonder schuld, toch
niet zo overdreven. Amerikaanse jezuïeten hebben me verteld dat de weerstand
tegen Obama – ooit ‘hoop voor de
wereld’ – fundamenteel een racistisch probleem is: veel US-citizens kunnen een
zwarte president niet verdragen. Obama is de zwarte piet. Schande. Maw: veel bewustwordingen
zijn begonnen als piete-peuterig, zwarte-pietepeuterig, kleinzerig, negatief, niet terzake,
overdreven… en toch…
Goed Sinterklaasweekend nog! Goede advent! Hij komt, hij komt die lieve, goede Heer.
Marc Desmet sj
maandag 17 november 2014
Women got talent!
Op zondag 16 november 2014 hield ik in een flink bezette Begijnhofkerk voor de aandachtige Universitaire Parochie van Leuven de volgende homilie:
Spreuken 31,10-31
Matteüs 25, 14-30
- Spreuken: loflied op de sterke vrouw – wat heet een sterke vrouw?
Women got talent!
Dat
zou de kernachtige samentrekking kunnen zijn van de twee lezingen van dit weekend:
Het loflied op de sterke vrouw (eerste lezing) én de gelijkenis van de talenten
(evangelie).
Aangezien de liturgist meestal een
verband ziet tussen de eerste lezing en het evangelie vroeg ik mij wat dit
verband hier zou mogen zijn. (1) Is het gewoon om te zeggen om te weten wat we
allemaal weten in de UP: women got talent?
(2) Zit het in het vormelijke feit
dat de lezing over de sterke vrouw het einde betreft van het boek Spreuken, met
name het 31° hoofdstuk, verzen 10-31 – net zoals de gelijkenis van de talenten
gaat over de eindtijd én zich situeert naar het einde van het evangelie van
Matteüs, net voor het lijdensverhaal? Als ik me niet vergis wordt de ‘sterke
vrouw’ overigens wel eens vaker ‘opgevoerd’ bij een begrafenis, ook een
eindtijdelijk gebeuren. (3) Of mogen we er ook een inhoudelijke reden voor zoeken?
Waar gaat dat loflied eigenlijk over
en wat heet ‘een sterke vrouw’ in het voor de rest vrouwonvriendelijk boek Spreuken met zinnen als: ‘De mond van een
lichtzinnige vrouw is als een diepe put’ (22:24) en ‘Verspil je krachten niet
aan vrouwen’, en meer moois van dat. We hoorden er nog iets van in:
‘bevalligheid is bedrieglijk’, en al wordt een man natuurlijk graag op die
manier bedrogen, toch heeft het boek iets goed te maken voor de vrouw op het
einde, lijkt het wel. Men heeft er een stukje aan toegevoegd in een literair
genre dat anders is dan de rest van het boek.
Wat hoorden we niet in de eerste lezing die die zinnen uitselecteerde die de wijze
vrouw traditioneel voorstelde als trouwe echtgenote die haar man goed doet en
ijverig de weefspoel in haar vingers houdt. Zo filterde men enkele zinnen uit
die nochtans in het perspectief van het evangelie treffend waren.
Enerzijds is er haar zakelijke en
zeer werkzame talent:
‘Zoals een koopmansschip naar
verre streken vaart,
Zo haalt zij van verre wat ze
nodig heeft.
Ze staat al op als het nog donker is,
Regelt het werk in huis, draagt haar slavinnen taken op.
Als zij haar zinnen op een
akker zet, koopt ze hem,
Van wat ze heeft verdiend,
plant ze een wijngaard.
Zij is vol daadkracht,
Onvermoeibaar is ze in de weer.
Zij vervaardigt kleding en gordels,
En levert die aan kooplui.
Handeldrijven gaat haar heel
goed af,
’s nachts gaat haar lamp niet
uit.’
…
Anderzijds is er haar sociale kant, talent:
Haar handen strekt zij uit
naar de behoeftigen,
Ze geeft de armen hulp.
Niemand in haar huis hoeft sneeuw te vrezen,
Zij heeft hen allen warm gekleed. (de naakten!)
Uit haar verschijning spreken
dus kracht en waardigheid. Talent!
- De gelijkenis van de talenten: Wat heeft de sterke vrouw nu met het evangelie te maken?
Wel, laten die zakelijke kant en dat oog voor de arme nu juist sterk aan bod
komen in de evangelielezingen van deze én komende zondag. Deze zondag horen
we hoe in het perspectief van het Rijk der hemelen balansen worden gemaakt, hoe
bij wijze van spreken de Raad van Bestuur (de Mensenzoon) het management (de
mens die zich engageert voor het Rijk Gods) beoordeelt. Wat zijn de criteria?
De Raad van Bestuur geeft een opdracht, een richting, stelt
een bepaald budget, een bezit ter beschikking. ‘Talent’ in de gelijkenis van de
talenten moet immers in de eerste plaats verstaan worden als geld, en niet als een
persoonlijke eigenschap, zoals wij het woord talent meestal direct verstaan.
Neen, de drie dienaars kregen talent, dwz euro (500.000, 200.000, 100.000)
volgens hun ‘bekwaamheid’/talent. Daarna
trekt de man op reis, zoals de Raad van Bestuur zich uit het huis terugtrekt,
en op een bepaald moment de resultaten evalueert. En dan gaat tellen: hoeveel
winst is er?
Matteüs - was hij traditioneel geen
tollenaar? - lijkt mij aan te geven: het Rijk Gods, het werken in de wereld met
het Rijk Gods voor ogen, heeft een zakelijke kant. Zij het wel ingebed in een
bepaalde aandacht, daarover straks nog meer. Maar hier geldt alvast: Het
Rijk Gods heeft te maken met gebruik van middelen: het hele paradigma van
beheer van geld, slimmigheid en lean management, materialiteit, concreetheid,
concrete verantwoordelijkheid, inzet, bekwaamheid, competentie, vrij
initiatief, goed management. Het gaat ook
om meetbare resultaten, om cijfers, om tellen: vijf plus vijf talent, twee
+ twee talent, één + nul talent, waarna dat ene talent aan de tien van de
bekwaamste wordt toegevoegd. 10 + 1 = 11. Zijn we niet allen op een of andere
manier zo bezig?
De ‘zaak’ van Jezus vraagt ook zakelijkheid en
inzet, initiatief. Allicht was dit in Matteüs des te meer nodig omdat men
aanvankelijk dacht dat het einde van de wereld er snel aan kwam. Dat bleek
steeds duidelijker niet het geval te zijn.
Er was geen plaats voor apatisch afwachten. Het Rijk der Hemelen diende
niet in de eerste plaats verwacht worden in een nabij hiernamaals maar in een
concreet hiernumaals, en wel voor
steeds meer mensen, voor een gemeenschap in uitbreiding.
Wat ik dus in
dit stukje evangelie vooral hoor: een aansporing tot creativiteit, tot vrij
initiatief,
tot risico’s nemen, tot zelfstandigheid. Het doet me denken aan mijn broer die
met 100.000 Bf begon en voor tientallen miljoen euros verkocht, nadat hij aan
velen werk gaf ; we hielden ons hart vast bij de risico’s die hij nam. Het
eindresultaat moet anders zijn dan het bezit dat ik kreeg. Wat wordt
afgestraft, ook in he Rijk Gods, is een houding die zich door angst laat
inspireren, door een bepaald conservatisme dat wil bewaren, denkt te moeten
bewaren zoals men het gekregen heeft.
‘Uitstekend, goede en trouwe
dienaar, over weinig waart ge trouw,
over veel zal ik u aanstellen…’ Wat
we hierin nog anders gezegd kunnen horen is een dynamische opvatting over wat
trouw is : de leerling die ‘woekerde’ met zijn
bezit, er iets anders van maakte, die wordt trouw genoemd, niet degene die
zogezegd trouw bewaarde, en onveranderd teruggaf. ‘Ge moe joe weirn’, ‘Plus est
en vous…’ heb ik honderden keren gehoord.
- Maar klinkt die lezing toch niet onevangelisch, materialistisch, onchristelijk? En wat met die hardheid in deze evangelies? Over het middel (talenten) en het doel (de komst van de heer in de geringsten)
Tegen de arme man met het ene
talent: gooi die in de uiterste duisternis… Net zoals met de niet voorzienige
bruidsmeisjes vorige week op het einde: ‘Ik ken jullie niet…’ En volgende week
tegen de bokken: de eeuwige bestraffing…. Wat met de barmhartigheid, wat met de
aandacht voor de zwakke?
We moeten de
beelden laten zeggen wat ze willen zeggen en ons niet vergapen op wat ze niet
willen zeggen. Daartoe, denk ik, moeten we het geheel van de rede van de
eindtijd zien. En het lijkt me daarom nodig om zowel het evangelie van de tien
bruidsmeisjes van vorige week als het evangelie van het laatste oordeel met de
scheiding van schapen en bokken erbij te halen. Vorige week hoorden we met de
bruidsmeisjes: we moeten waakzaam zijn, mindful, voor de komst van de Heer voldoende olie
bewaren, voorzienig zijn. Volgende week zullen we horen: ‘Ik had honger en jullie hebben gaven mij te eten… Ik was naakt en
jullie hebben mij gekleed…. Ik verzeker jullie: wat jullie gedaan hebben voor
een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters dat hebben jullie
voor mij gedaan.” De Heer komt met andere woorden via de onaanzienlijksten
in ons leven. Dat is het laatste oordeel. De
eindtoets zit juist in het resultaat van wat we doen voor de armsten. De echte
aandeelhouders zijn de onaanzienlijksten in het Rijk Gods. Er kan dus geen
sprake van zijn om in deze evangelies een verwerping van de zwaksten te zien.
Wat deze drie
zondagen mij lijken te vertellen: het
verhaal van de talenten is als het ware ingebed in dat van de bruidsmeisjes en
het laatste oordeel die beiden gaan over ontmoeting, het doel, terwijl de
omgang met de talenten ‘enkel’ het middel betreft:
- De tien bruidsmeisjes (Mt 25,1-13) – doel: Christenen leven van ontmoetingen; ze verwachten de komst van de Heer in hun leven want Hij is bron van echt leven: daartoe is waakzaamheid, mindfulness, voorzienigheid nodig. Dat lijkt misschien een innerlijke, geestelijke zaak maar menswording is tegelijk werken aan een rechtvaardiger, beter wereld om in te leven. En we nemen dat bijzonder ernstig, op het strenge af.
- De talenten (Mt 25,14-30) – Middel: Vandaar een zakelijke kant: wij zijn tegelijkertijd als mensen aan wie het ‘management’ van het Rijk Gods is toevertrouwd. Dat is in een geseculariseerde, postmoderne wereld met zijn eigen economische, politieke, medische, sociale, mediatieke enzovoort logica en wetmatigheden des te meer het geval. Een menselijker ruimte creëren vraagt om inzet en concrete resultaten, initiatief, risico, investeren…
- Het laatste oordeel(Mt 25,31-46) - Doel: maar de bedoeling, het resultaat zou moeten zijn: de ontmoeting – de ontmoeting met onze hoofdaandeelhouders: de arme, of met wat arm, gevangen, naakt, vreemd is in de ander. Maar er zijn niet alleen meetbare, constateerbare resultaten. Er zijn ook veel onmeetbare effecten. Van veel van het goede dat we doen in ons leven zijn we ons immers niet bewust – soms, heel even, horen we er iets van – maar we zullen het meestal niet weten. Maar goed, die beperking houdt ons nederig. Het grote effect is dat we, zonder het meestal te weten of bewust te zijn, de Heer ontmoeten. We zullen zeggen in die zin: ‘Wanneer hebben we u hongerig gezien? Als vreemdeling gezien?...’ En toch…
Als we nog
even terugblikken op de sterke vrouw met haar zakelijke kant en haar oog voor de
arme, twee essentiële elementen die in het eindtijdelijke oordeel bij Matteüs
voorkomen, en bovendien het derde laatste vers in Spreuken 31 lezen: ‘Er zijn
veel sterke vrouwen’, weten we nog beter: women
got talent
Marc Desmet
sj
Abonneren op:
Posts (Atom)