zondag 12 oktober 2014

De verworpene als hoeksteen


Op zondag 5 oktober hield ik volgende homilie in de Universitaire Parochie van Leuven:

Matteüs 21,33-43

 

[33] Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil* in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte* hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. [34] Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. [35] De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. [36] Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. [37] Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. [38] Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” [39] Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. [40] Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ [41] Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ [42] Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen? [43] Daarom zeg Ik u: Het koninkrijk van God zal u ontnomen worden en gegeven worden aan een volk dat de vruchten van het koninkrijk voortbrengt.

 

Blijde Boodschap is voor een stuk ook Boze Boodschap. Dat merken we bij Jesaja en Matteüs. Zij ventileren niet alleen maar proberen ook de betekenis van de geschiedenis, van de gebeurtenissen proberen te herlezen. Zoals wij. Telkens in andere omstandigheden ; maar toch vanuit een gemeenschappelijk verhaal.

 

  1. Matteüs.

 

Matteüs blikt terug op de geschiedenis van Israël vanuit de activiteit van Jezus van Nazaret, en vanuit de manier waarop hij en zijn boodschap werden ontvangen, met name niet ontvangen door de geestelijke leiders van Israël (en uiteindelijk ook niet door het Joodse volk). Die Jezus was sterk geïnspireerd door Jesaja. En Matteüs blikt ook terug vanuit de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

 

Matteüs ‘doet het’ op zijn geliefde manier: met een allegorie: al de figuren hebben een bepaalde betekenis – er wordt weinig aan de verbeelding overgelaten, toch in een eerste lezing. In een tweede lezing kunnen de verbeelding meer aan de macht laten.

 

De landeigenaar is God, de vader.

Die legt een wijngaard aan, met veel zorg : opnieuw is er sprake van een omheining, een wijnpers, een wachttoren – zoals bij Jesaja. Zorg voor zijn geliefde, Israël, het volk Gods.

De wijngaard wordt toevertrouwd aan wijnbouwers wanneer de landeigenaar vertrekt. Die wijnbouwers zijn de geestelijke leiders van Israël.

 

Als het tijd is voor de oogst, zendt de landeigenaar dienaars. Dat zijn de profeten.

Een eerste generatie wordt mishandeld, gestenigd, gedood. Allicht zijn het de profeten van voor de ballingschap. In het begin van zijn evangelie geeft Matteüs immers aan dat hij de geschiedenis denkt in 3 x 14 generaties : van Abraham tot David, van David tot Ballingschap, van Ballingschap tot de Messias.

Er komt een tweede, nog talrijker generatie dienaars, maar zij ondergaan hetzelfde lot. Allicht de profeten van na de ballingschap.

En dan komt de zoon van de landeigenaar, de Messias, de Christus ; voor Matteüs het hoogtepunt van de geschiedenis. Hij wordt ook vermoord, vanuit de vreemd klinkende redenering dat als de zoon dood is, zij de erfenis krijgen.

 

Zoals Jesaja tegenover Jeruzalem vraagt Matteüs nu aan de hogepriesters en de oudsten van het volk: wat denkt gij daar zelf van ? Beoordeel eens (u)zelf ! Matteüs laat ze hun eigen veroordeling uitspreken hun: ‘Als de eigenaar komt, zal hij die misdadigers een ellendige (recente vertaling: ‘mensonwaardige’) dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan anderen verpachten die wel zullen de vruchten afdragen.’

 

Het beeld van God dus dat Matteüs in de geschiedenis leest is dat van de landeigenaar die zijn dienaars zendt om de vruchten van zijn eigendom in ontvangst te nemen. Maar deze profeten worden vermoord. Dan zendt hij zijn eigen zoon. Hoe zoudt ge zelf zijn? Wel…toch niet zo, want hij wordt vermoord. En wel buiten de omheining van de wijngaard, ‘buiten de muren’ – een allusie op Golgotha buiten de muren van Jeruzalem.

 

Matteüs legt in Jezus’ mond een verpletterende verantwoordelijkheid bij de leiders van het joodse volk, niet zodanig bij het volk zelf (Het vers dat onmiddellijk op onze lezing volgt, luidt: ‘Wie over deze steen valt, valt te pletter en als hij op je valt, word je vermorzeld.’ Mt 21,44).

 

Toch zult ge merken, zegt Matteüs tenslotte, dat die verworpen zoon de hoeksteen wordt van een nieuw volk en daarmee alludeert hij op de christenen. Het schijnt dat in het hebreeuws het woord ‘zoon’ en ‘steen’ dicht bijeen liggen : zoon = ‘ben’ ; steen ‘eben’.

 

  1.  Onze tijd: onze kerkleiders
     
    Wat zouden wij uit Matteüs’ allegorie kunnen leren?
     
    Uiteraard kan de kritiek van Jesaja op Jeruzalem, en van Matteüs op de joodse leiders gemakkelijk getransponeerd worden op de huidige ‘wijnbouwers’, kerkleiders. Nadat vele theologen ook in een recent verleden kritiek hebben uitgebracht op onrechtvaardige structuren en godsbeelden, en daarvoor niet zelden werden mond-dood gemaakt, niet in het minst door de vorige paus in zijn functie als prefect van de Congregatie voor de geloofsleer, merken we dat nu de paus zelf, deze toch wel een speciale zoon van de Kerk en van God die ons tot onze verbazing werd gezonden, de kerkleiding probeert te hervormen. Hij doet dat  resoluut maar zo kwetsbaar.  We mogen wel merken dat de bisschop van Antwerpen een toch wel ongewoon vrijmoedig woord heeft gesproken met het oog op de gezinssynode die vandaag start. Maar we merken dat dit op veel interne weerstand stuit en dat succes alles behalve verzekerd is, en dat verwerping buiten de Romeinse muren niet onwaarschijnlijk is.
     
    Het is maar een associatie, maar misschien toch een ‘sprekende, namelijk dat Johannes Paulus XXXIII, toch wet de soul mate van Franciscus, het zo hoopgevende tweede Vaticaans Concilie aankondigde in de kerk van Sint Paulus buiten de (Romeinse) muren. De hoeksteen van de Kerk is te vinden buiten de Romeinse muren. Heel zeker. Het is overigens ook daar dat Franciscus ons roept, vooral bij hen die buiten de muren worden geworpen.
     
  2. Onze tijd: wij
     
    Maar misschien is die transpositie naar kerkleiders te gemakkelijk en moeten we dit evangelie nog meer naar onszelf en onze lokale cultuur toehalen want er zit nog meer in dan een kritiek op leiders. Zoals Matteüs aan de joodse leiders: wat denkt gij daar zelf van ? Beoordeel eens (u)zelf !
     
    Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat in onze Europese realiteit van elke dag de landeigenaar weg is. God de Vader is verdwenen (ver weg of gewoon onbestaand), uit een maatschappij die heel rijk is. Een maatschappij die voordien erg ‘omheind’ was met veel religieuze wetten, met een bepaalde zorg en solidariteit, met een bepaald Godsbeeld (de Vader). De secularisering. De wijngaard, de mensen, Gods volk, is/lijkt volledig in mensenhanden. Zelfbeschikking. Het beheer van het goed is volledig in mensenhanden. Om het met het beeld van het evangelie te zeggen: wij beschouwen ons in onze cultuur eerder als eigenaars dan als pachters: van ons lichaam, van ons werk, van ons huis, van de vruchten van ons werk, ook van onze kerk, kortom van ons leven. ‘Het is toch mijn leven’.
     
    Misschien zeggen we dit ook, zonder het te zeggen, als Europese gemeenschap: ‘Het is toch ons leven.’ Europa tracht zich af te schermen, te omheinen. Fort Europa. Munt-unie. Hoe delen we onze vruchten met de verworpenen die ons eraan herinneren dat we slechts pachters zijn van dit, ja op vele terreinen zo rijke en verdienstelijke continent, maar geen eigenaars: de Afrikanen zonder toekomst die proberen aan te spoelen of aan te vliegen, de ‘verworpenen der aarde’ – hoe lezen we de aanwezigheid van vele niet-christelijke gelovigen: zoveel niet fundamentalistische moslims, zonen en dochters van God; Sikhs..?
     
    Of wat leren we van de vele, verschillende verhalen en types van psychisch ondraaglijk lijden die we ‘ontdekken’ in ons Europees landje – die verworpenen der aarde, gevangen in mentale dwangbuizen en soms in stenen gevangenissen? Welke (bittere) vruchten van onze levenswijze plukken we daar? Makkelijke oplossingen bestaan hier niet maar het is toch een bittere vrucht dat we soms geen betere oplossing kunnen bieden dan sommigen ‘buiten de gevangenismuren’ te brengen en hen een weliswaar milde dood te bezorgen, in plaats van aangepaste om-kadering en zorg. De geïnterneerden vormen hierbij enkel een spectaculair topje van een grote ijsberg van geestelijk lijden. Enige spirituele klimaatopwarming zou daar welkom zijn.
     
    En wat leren we tenslotte van de ecologische onheilsprofeten die duidelijk maken dat we geen eigenaar maar pachter zijn van onze schepping die verantwoording af te leggen hebben, is het niet aan een God dan toch aan de Toekomstige generaties?
     
    Besluit
     
    Je kan in onze geseculariseerde cultuur lang erover nadenken of er nu ‘iets’ is of ‘iemand’ of ‘niets’ of ‘niemand’ buiten ons. En dat mag. Maar wat belangrijker is, zo lees ik Jesaja’s en Matteüs’ verhaal: wat zijn de vruchten wanneer ik leef alsof ik de eigenaar ben van mijn leven zonder iemand boven/in mij? En wat zijn de vruchten wanneer ik leef alsof ik de pachter ben?
     
    Ik denk dat wij in het christendom zeggen: kijk naar Christus. Hij was geen doetje, maar leefde toch niet als iemand die eigenaar was van zijn leven. En ja, hij werd verworpen. En ja, hij bracht veel goede vruchten voort.
     
    Marc Desmet sj
     
     
     

maandag 25 augustus 2014

60 jaar getrouwd: hoe hou je het vol? hoe blijf je houden van?


Op 17 augustus vierde ons gezin in Roeselare de 60 jaar huwelijk van onze ouders, 'papa en mama' - vandaar enkele woordjes westvlaams. Een geweldig feest, niet alleen voor hen maar ook voor een honderdtal genodigden want volk is er altijd geweest bij ons. Het begon met een viering, en daaruit het evangelie en mijn homilie:

Uit het evangelie volgens Matteüs: 3 beelden van het Rijk Gods (Mt 13)

Jezus zei: “ Met het koninkrijk van God gaat het als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. Hij slaapt en waakt, nacht na nacht en dag na dag, en het zaad ontkiemt en schiet op, zonder dat hij weet hoe. Vanzelf draagt de aarde vrucht, eerst de groene spriet, dan de aar, dan het graan in volle aar. Zodra de vrucht het toelaat, is het tijd voor de oogst.”

Hij zei nog: “ Waarmee zullen we het koninkrijk van God nog vergelijken, of met welke gelijkenis geven we het weer? Het is als een mosterdzaadje dat in de aarde gezaaid wordt. Het is het kleinste van alle zaden op aarde, maar als het gezaaid is, komt het op en wordt het groter dan alle andere struiken en het krijgt grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.”

“Nog een andere gelijkenis hield Hij hun voor: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een man die op zijn akker goed zaad had gezaaid; maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid tussen de tarwe en ging heen. Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien. Nu gingen de knechten naar hun meester en zeiden hem: Heer, ge hebt toch goed zaad op uw akker gezaaid? Hoe komt het dan dat er onkruid op staat? Hij antwoordde hun: Dat is het werk van een vijand. De knechten zeiden tot hem: Wilt ge dan dat we het bijeengaren? Maar hij zei: Neen, ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst’.”

 


Homilie: een vol-ledig leven

Zestig jaar… Het lijkt heel lang maar toch  kan het snel voorbij gaan: ’t leven is mo ne zucht… woar is dien tied ollemoale no toe? Misschien is den tied zo snel voorbij gegaan omdat het een vol leven is (geweest en nog is). Maar wat heet een vol leven? Daar zou ik wat willen bij stilstaan.

Het toeval wil dat ik twee dagen geleden aanwezig was op een huwelijksritueel in een feestzaal. Het was bewust geen kerkelijk ritueel, er was geen priester-voorganger, maar het leek er allemaal  wel erg op. Er was een soort woorddienst met verhalen door de ouders en een vriend over het leven van de twee trouwers, er was de huwelijksbelofte, het formele ja woord van de trouwers, de gekende symbolen: de ringen, een kaars, de bevestiging door een van de getuigen die als ‘ceremoniarius’ fungeerde, een bijdrage van de alle aanwezigen onder vorm van een puzzelstukje waarop men een wens kon schrijven, het dankwoord aan de ouders.

Eigenlijk heel mooi. De mens is een dier dat rituelen nodig heeft, daar ben ik diep van overtuigd. Maar wat was nu eigenlijk het verschil met een kerkelijk ritueel vroegen sommigen zich af? Er was een woorddienst, de huwelijksbelofte, een rol voor de getuigen en voor de gemeenschap etc. Wat er niet was, toch niet expliciet: een verwijzing naar een ‘meer’, naar de bron van liefde, naar de diepere betekenis en zin van dit alles, naar een waarom (ook als het niet of niet meer mag zijn) naar (een) god. Moet dat? Neen. Mag het ? Ja, en zeker voor mijn ouders. Waartoe? Misschien omdat het (nog) rijker is, nog voller. Maar wat is volheid? Zijn er niet verschillende vormen van volheid?

De volheid van het Rijk Gods

Het is tasten, zoeken naar beelden. In de stijl van: tja, hoe zal ik het uitdrukken? En dat is het precies wat Jezus lijkt te doen als hij op zijn manier spreekt over een ‘meer’ in de realiteit: Hij spreekt van het ‘Rijk Gods’. En Hij kan dat niet in één beeld of definitie uitdrukken. Hij gebruikt voor dat abstracte begrip ‘Het Rijk Gods’ veel concrete, herkenbare beelden.

Zo is er het beeld van het mosterdzaadje dat langzaam uitgroeit tot een boom met sterke takken waar veel vogels in komen nestelen: vertrouwde en vreemde zoals Polle Ghys; gewone en rare;  kinderen en kleinkinderen; schoonzonen en schoondochter; ‘oede’ witte paters en jongere jezuïeten; … En zoveel meer…En dat alles uit twee mensjes, bijna niets, een zaadcel en een eicel, bijna niets.…

Het is een prachtig beeld voor een volheid die jullie leven zeker kenmerkt. Beeld van groei: zoals de esdoorn in de tuin in mijn jeugd een dunne stam, nu een enorme boom geworden. Beeld van een soort enthousiasme, en dat woord betekent overigens volgens zijn griekse oorsprong ‘en-theo-siasme’: in God zijn. We gaan ervoor! We gaan voor onze schat…. Lieve, juuj! Vooruit! Beeld ook van een zekere onverzettelijkheid: zoals je een goed verwortelde boom ook niet zomaar verzet… Beeld ook van eigenlijk niet weten hoe het komt dat dat zaad ontkiemt en uitgroeit: zoals de boer - en de boerin – waken maar ook slapen en niet weten hoe het zaad precies ontkiemt en opschiet.

De volheid die vol-ledigheid heet

Wat we wel weten is dat het zaad moet sterven opdat het zou kunnen vrucht opbrengen, opdat het zou uitgroeien tot een boom waarin velen kunnen nestelen.

Sterven… daar hebben jullie al lang weet van. Er zijn de vele verstervingen en opofferingen geweest in onze jeugd, materieel, ook qua thuisblijven om een sfeer te scheppen waarin we konden studeren. De laatste tien jaren zijn er de verstervingen gekomen op gezondheidsvlak, het loslaten van veel dierbare dingen: auto, autonomie, een ouderlijk huis... En opnieuw zoveel meer.

Maar wat heeft dit te maken met volheid? Wel, ik denk dat er in de navolging van Jezus Christus een volheid bestaat die ik benoem als vol-ledigheid.

Er is iets merkwaardigs met het woord vol-ledig.  Het spreekt van een volheid die intiem verbonden is met een ledigheid. Vol-ledig. Zoals de in-  en de uitademing samenhangen, onlosmakelijk (zo kan vol-ledig de mantra van je gebed worden: inademen: vol – uitademen: ledig). De volheid van het leven hangt samen met toelaten van ledigheid. Volheid is niet hetzelfde als 100 % kwaliteit, niet hetzelfde als ‘voltooid’, als optimaal en perfect. God kan volheid zijn (bij de Vader), maar God is ook de ontlediging, de kenosis, de lediging van de kelk in Jezus toen, in de Christus nu. Zo is ons leven volheid en tegelijk leegte, schoonheid en lelijkheid.

 

Dat is een gedachte die onze cultuur en maatschappij vreemd is geworden. Als er teveel ontlediging is, hoor ik vaak: ‘Het hoeft niet meer voor mij…’ Om het met het derde beeld voor het Rijk Gods uit het evangelie van vandaag te zeggen: we zijn geneigd het onkruid uit te trekken en daardoor ook de tarwe uit te trekken.

Ik denk dat jullie eerder proberen onkruid en kruid samen te laten opschieten - zoals in onze wat wilde tuin. Overigens: onkruid kan mooi zijn en wat onkruid is in een bepaalde periode van de geschiedenis wordt later soms beschouwd als goede vrucht. Mogen tarwe en onkruid samen opschieten tot de oogst van een vol en vol-ledig leven.

zaterdag 28 juni 2014

Zending: de job van je leven?

Op zondag 22 juni 2014 gaf ik de volgende schriftcommentaar in de Universitaire Parochie Leuven:

 

Lezingen:

Jeremia 20,10-13

Matteüs 10,26-33

 

Op een dag vind je de job van je leven. Is dat zending? Zending, gezonden worden is niet hetzelfde als een job krijgen, met een taakomschrijving. Waarbij degene die de job krijgt uiteindelijk inwisselbaar is. Neen, het gaat om iets persoonlijks. Dat lees ik in de verhalen van Jeremia en van Jezus.

 

JEREMIA

Roept het aspect op van: ik kan niet anders, ik sta hier ondanks mezelf. Ik kan dit niet van mij afschudden en aan een ander doorgeven. Bij Jeremias horen we dit heel sterk, maar ieder persoon kan zich ‘profeet’ voelen. Hoor maar het stukje dat net voorafgaat aan wat we in de eerste lezing hoorden. Een van de vijf ‘confessiones’ van Jeremia, en wel de laatste. Het klinkt als een liefdesverhaal, van verleiden tot lijden. Het is een liefdesverhaal. Sterke woorden.

 

heer, U hebt mij verleid;
ik ben bezweken, U was te sterk voor mij.
Ik kan niet tegen U op.

(maar) Telkens als ik het woord neem, moet ik schreeuwen,
en ‘geweld en onderdrukking’ roepen.
Het woord van de heer brengt mij
iedere dag schande en vernedering

 

Soms denk ik:
Ik wil er niets meer van weten,
ik spreek niet meer in zijn naam.
Maar dan laait er een vuur op in mijn hart,
het brandt in mijn gebeente.
Ik doe alle moeite om het in bedwang te houden maar het lukt me niet.” (Jer 20, 7-9)

 

Een beetje verder luidt het alweer:

Vervloekt de dag waarop ik ben geboren,
vervloekt de dag dat mijn moeder mij het leven schonk.
(Jer 20, 14)
 

Jeremia’s verhaal is er een van heel contrasterende gevoelens, van vele keringen: van wanhoop, de ervaring van onverdraaglijke onrechtvaardigheid in de wereld, van machteloosheid ten aanzien van het machtsspel van de groten (Assyrië en Babylonië destijds; andere globale krachten en economieën nu)  naar de gedachte / de ervaring dat de Heer toch redt en gerechtigheid bewerkt. Van heel intense gevoelens, mood swings, ja zelfs niet zonder enige paranoia.

 

‘Ik hoor velen fluisteren: Daar heb je ‘Ontzetting-overal’. ;.. Al mijn vrienden willen niets liever dan mij ten val brengen… Ze zeggen: Misschien laat hij zich misleiden; dan overmeesteren we hem en kunnen we ons op hem wreken…’  

 

’t Kan dus verkeren in het gemoed. Nuttig om te onthouden, maar de meer fundamentele boodschap is: gezonden worden heeft spiritueel te maken met een van binnenuit gezonden worden, een innerlijke bevel, een innerlijk vuur (positief gezegd) – iets wat in de diepte aan ons gebeurt. Fundamenteel zijn we gezonden om te worden wie we au fond zijn. Het gaat dus om iets anders of meer dan de order die we van een hogere in rang ontvangen,  ook al zullen in dat proces ook uiterlijke bevelen en maneuvers van mensen een rol spelen, soms als stimulans, soms als obstructie en obstakel ten aanzien van wat we als onze zending aanvoelen maar waardoor ze juist uitgezuiverd kan worden. Net zoals liefde ook fundamenteel een innerlijk bevel betreft. Zending heeft fundamenteel te maken met onze persoon, met deze unieke persoon met zijn roeping. In die zin is zending niet inwisselbaar. Gezonden worden is van een andere orde dan met pionnen schuiven. Artsen gebruiken min of meer dezelfde medicijnen, maar het medicijn van hun persoon blijft uniek. Docenten kunnen dezelfde handboeken/artikels gebruiken, maar de ‘les’ van hun persoon blijft uniek. Geestelijke begeleiders kunnen dezelfde geestelijke richtlijnen volgen, maar hun persoon zendt een unieke boodschap uit.

 

Vanuit die rol van de persoon wil ik nu naar het evangelie van vandaag kijken.

 

JEZUS

 

In het evangelie zendt Jezus zijn leerlingen, en ze worden bij name genoemd. Twaalf namen, Judas incluis. Twaalf slaat ook op de twaalf stammen ttz op het hele volk. Ieder is bij name, persoonlijk, uniek gezonden. Essentieel gaat het erom onreine geesten uit te drijven en ziekten en kwalen te genezen. Eigenlijk zegt hij verder niet wat ze precies moeten doen. Eerder gaat het over welke attitudes hun persoon moet uitstralen. Niet gewapend met allerlei technische middelen of strategieën, maar met hun persoon die ondermeer – naast gratuïteit en aandacht voor wat (in)gegeven wordt op het moment zelf - rust mag/moet uitstralen: wees niet bang. Drie keer komt het voor in het stukje van vandaag.

 

  1. ‘Weest niet bang voor de mensen’
     
    Weest niet bang voor de spot, de afweer, de negativiteit van de mensen, de schrik ‘ouderwets’ te zijn. Want ‘Niets is bedekt of het zal onthuld, niets verborgen of het zal bekend worden.  Dat hoor ik als: de mensen zijn drager van een diepte, van wat ze echt waardevol vinden, van wat ze echt gekwetst heeft, van wat ze meer mens heeft gemaakt en wat minder. Benader mensen – die niets van geloof willen weten blijkbaar - dan ook als drager van dat verlangen naar diepere menselijkheid en naar waarheid dwz een woord dat leven geeft omdat het juist en liefdevol zegt wat in de mens leeft. En dat verlangen, dat gemis ook, zal vroeg of laat – vaak laat – onthuld worden.
     
    Maar hoe ontvankelijk zijn we zelf voor die waarheid, dat verlangen naar menselijkheid in de mens? Daarom moeten we het zelf meegemaakt hebben dat een woord de waarheid van ons leven vertolkte, moeten we zelf luisteren naar het verlangen in ons. ‘Wat Ik u zeg in het duister, spreekt dat uit in het licht, en wat ge u in het oor hoort fluisteren, verkondigt dat van de daken.’  ‘Wat ik u zeg in het duister…’: kan verwijzen naar het duister van een kapel, van een gebedsruimte, maar ook naar het duister van ons eigen leven. In de duistere momenten komen we tot de kern, weten we ons naakt, is alles onthuld. Maar als we daarnaar durven kijken en luisteren en van daaruit spreken of luisteren naar mensen – en dat betekent vaak: met enorme mildheid – dan weten we ons gezonden.
     
  2. ‘Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden, maar niet de ziel. Vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel’
     
    Ik moest denken aan twee medebroeders.
    Fernando die dit jaar voor een sabbathical bij ons verbleef en binnen enkele maanden terug naar de Amazone vertrekt. Hij leefde tot nu toe in Manaus – nu plaats midden het Regenwoud  van een chic voetbalstadion voor het WK – in een favella-paalwoning langs de Amazone. Hij neemt het op voor de inigenes, de autochtonen die door ploegen van agressieve bedrijven bedreigd en niet zelden gewoon vermoord worden.  Toch straalt hij zoveel levensvreugde en positiviteit uit, en vindt hij wat we hier doen even belangrijk.
    Nog meer dacht ik aan Frans van der Lugt, nederlands jezuïet die begin april vermoord werd door  een vertakking van Al-Quaeda in de syrische stad Choms, belegerd door de troepen van Assad die de stad gewoon uithongeren. Van Frans, sinds 50 jaar aldaar werd nadien gezegd: “Hij was er voor iedereen. Van verschillende geloofsovertuigingen en van verschillende politieke stromingen…. In oorlogstijd is er altijd een polarisering. Je bent er met de een en tegen de ander….In zo’n omgeving is het belangrijk dat er personen zijn die dit weigeren. Die er zijn voor iedereen en die eerst de mens zien.. (…). Er is moed voor nodig om dit vol te houden, en een groot geloof.’
     
    Eigenlijk kunnen we er niet bij dat mensen zo ver gaan. En toch bezit ieder mens enorme spirituele krachten voor de plaats en de ’zending’ die hem of haar is toebedeeld.
     
    Martelaarschap, een bepaalde vorm van heroïek, lijkt ver van ons Belgisch bedje. Misschien zijn er niettemin discrete – verborgen maar reële - vormen van heroïek waartoe we als christen uitgenodigd worden. Soms vraagt het een zekere heroïek om niet voor de een of de ander te kiezen maar er proberen voor iedereen te zijn, wetend dat je toch nooit goed kan doen voor iedereen.  De heroïek van de nuance, van niet vallen in een extreem. Van te blijven kiezen voor menselijkheid, in een maatschappij die ook gekenmerkt wordt door zinloosheid, zelfdoding, geassisteerde zelfdoding.
     
    Zending is meer dan een functie/jobomschrijving. Het heeft te maken met ons wezen, met wie we in de diepte zijn, voorbij datgene wat we zelf kunnen verordenen – en die persoon is ook het medicijn dat mensen zal helen. Wees dus niet bang.
     

zondag 27 april 2014

De Tomaschristenen


[19] Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij elkaar. Hoewel de deur op slot was uit vrees voor de Joden, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: ‘Vrede!’ [20] Na* deze groet toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. Vreugde vervulde de leerlingen toen ze de Heer zagen. [21] ‘Vrede’, zei Jezus nogmaals. ‘Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik jullie.’ [22] Na deze woorden ademde* Hij over hen. ‘Ontvang de heilige Geest’, zei Hij. [23] ‘Als jullie iemand zijn zonden vergeven*, dan zijn ze ook vergeven; als jullie ze niet vergeven, dan blijven ze behouden.’

Jezus en Tomas
     [24] Tomas, een van de twaalf, ook Didymus genaamd, was er niet bij toen Jezus kwam. [25] De andere leerlingen vertelden hem: ‘We hebben de Heer gezien.’ Maar hij zei: ‘Ik wil zijn handen zien, met de gaten van de spijkers erin; ik wil ze met mijn vingers voelen. Ik wil met mijn hand de opening in zijn zijde voelen. Anders geloof ik niet.’
     [26] Acht* dagen later waren de leerlingen weer bijeen, en nu was Tomas erbij. Hoewel de deur op slot was, kwam Jezus. Ineens stond Hij in hun midden en zei: ‘Vrede!’ [27] Vervolgens richtte Hij zich tot Tomas: ‘Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. Wees niet langer ongelovig, maar gelovig.’ [28] Hierop zei Tomas: ‘Mijn Heer! Mijn God!’ [29] Jezus zei: ‘Omdat* je Me gezien hebt geloof je? Gelukkig zij die zonder gezien te hebben toch tot geloof komen.’

 

Hebt u wel eens gehoord van de Tomaschristenen? De naam slaat op een groep christenen in het zuiden van India. Ze bestonden al heel lang al vóór de Europese (Portugese) kolonisatie van het gebied in de zestiende eeuw. Volgens de traditie zijn deze groepen gesticht door de apostel Thomas zelf, wiens overblijfselen worden geëerd in een basiliek in Indië. Dat legendarisch begin zal wel door de historische kritiek ontkracht worden, maar de Tomaschristenen bestaan, al heel lang en tot op vandaag. Het feit dat ik samenwoon met een indische jezuïet, overigens zoals zovelen met een Portugese naam Mendonca, zal er niet vreemd aan zijn dat ik op het idee kwam om onze gemeenschap, universitair en als parochie, eens te bekijken vanuit de figuur thomas en de Tomaschristenen.

Er zijn overblijfselen van maar drie apostelen: Petrus te Rome, Jacobus in Compostella, en Tomas in Chennai (Indië). Misschien zijn er aldus ondermeer drie types christenen: romeinse, pelgrims en …Tomaschristenen.

Wat bedoelen we? Zijn wij in deze gemeenschap niet allen wat Tomaschristenen? En wel op twee wijzen, als parochiegemeenschap zoals die Tomaschristenen in Indië – maar daar kom ik straks op terug – en als universitaire, onderzoekende gemeenschap zoals Tomas die de wonden van Jezus wil onderzoeken. Zien en dan pas geloven. Maar zien we eerst naar Tomas.

  1. Tomas in het evangelie van Johannes

De zogenaamd ongelovige Tomas is voor velen in onze tijd een troostend en boeiend figuur. Zijn zogezegd ’ongeloof’ is helemaal niet iets negatiefs maar het gevolg van een diepe betrokkenheid op de figuur van Jezus. Tomas krijgt overigens meerdere keren de bijnaam ‘Tweeling’ alsof hij in die betrokkenheid gedreven op zoek is naar zijn andere helft. Dat zien we als we de drie vermeldingen over Tomas bij Johannes op een rijtje zetten: (1) wanneer Jezus (in Johannes 11) geroepen wordt om de doodzieke, zeg maar dode Lazarus op te zoeken, willen de leerlingen Jezus tegenhouden om naar Judea  te gaan want daar hebben sommige Joden Hem willen stenigen. Tomas reageert anders: ‘Laten wij ook maar gaan, dan kunnen we samen met Hem/Jezus sterven!’ (2) Tomas’ verknochtheid blijkt ook uit zijn reactie bij het Laatste Avondmaal bij de afscheidsrede (Joh 14) wanneer Jezus zegt dat Hij heen moet gaan en dat ze wel de weg kennen waar hij heen gaat. Ontsteld zegt Tomas : ‘Wij weten niet eens waar ge naartoe gaat! Laat staan, de weg daarheen…’ Waarop Jezus: ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven . Alleen door Mij heb je toegang tot de Vader…’ (3) De derde vermelding is het evangelie van vandaag (Joh 20). Wanneer Jezus effectief weg is, vermoord, wil Hij het feit dat Hij toch nog zou leven, nauwelijks geloven. Hij wil Jezus zien en voelen, dat Hij het werkelijk is, hij die geleden heeft en gestorven is. Wat dan nog gebeurt ook en zijn tastend onderzoek leidt tot zijn geloofsbelijdenis: “Mijn Heer en mijn God” Dit  is in feite de uitloper van een proces bij Tomas vanaf 11 over 14 waar jezus aan Tomas zegt: ‘Alleen door Mij heeft men toegang tot  de Vader’. Tomas’ geloofsbelijdenis is het feitelijke orgelpunt van het Johannes-evangelie. Niet niks. Geen supplementje, maar de kern.

‘Mijn Heer en mijn God‘

De cirkel is rond met wat in het begin, de proloog van Johannes staat: het Woord is vleesgeworden, dwz het heeft het menselijke lot  gedeeld tot op de bodem toe, … en blijft bij nader onderzoek levende betekenis hebben. Wat betekent dit nu voor de universiteit – als plaats waar het woord vlees wordt, als plaats voor Tomas, voor Tomaschristenen?

  1. De universiteit en de tomaschristenen

De universiteit: een plaats waar onderzoekers vanuit een diepe betrokkenheid op de Mens de realiteit willen zien, de ‘vuile’ handen willen zien, met de gaten van de spijkers erin, de spijkerharde gegevens over de mens (medisch, biologisch, juridisch, politiek, economisch, historisch, psychologisch, sociologisch,  pedagogisch, ecologisch, filosofisch-theologisch, literair-exegetisch-linguistisch, et cetera…) - evidence based, vergelijkende weten-schap, … Onderzoek maar de Mens waarbij je je soms twijfelend afvraagt: wat schiet er over van geloof in de Mens, van de menselijkeid, van zijn vrijheid, van echte vooruitgang? Als blijkt hoe hij het product is van allerlei determinaties van vele aard, van historische pendelbewegingen, van vele ontnuchteringen. Kapot geanalyseerd.

En toch: Doe maar, zegt Jezus: tast maar, tast maar toe: kom met je vinger, je index / indices / indicatoren; kom met je handen vol data,  om de opening in de zijde van de Mens te voelen – de opening nochtans waarlangs de genadeslag werd gegeven…

En wees dan Tomaschristen: verbaasd dat juist deze inderdaad gekwetste mens, deze tot object gereduceerde, deze door zoveel factoren gedetermineerde  mens toch nog herrijst, meer zelfs, je juist tot diep geloof in de menselijkheid kan voeren…. Dat de mens toch nog een vrij wezen is bijvoorbeeld, … dat liefde nog iets betekent… dat er schoonheid bestaat… 

De Tomaschristen ziet in mijn opvatting althans wetenschap, onderzoek als het methodisch twijfelend maar ook even gedreven zoeken en betasten van de mens (en zijn wonden), gelovend dat men eerder dan tot cynisme en puur relativisme kan komen tot de schroomvolle uitroep ‘Mijn Heer en mijn God’. Van wonde tot verwondering. Het geloof dat dit uiteindelijk leidt tot verheerlijking van de Mens… dat mysterie dat lijden en Heer-lijkheid onlosmakelijk samengaan.

  1. Een aparte parochiegemeenschap:

Wij zijn Tomaschristenen omdat we de realiteit als universiteit willen onderzoeken. We zijn het ook misschien omdat we als parochie toch al 50 jaar een aparte gemeenschap vormen. Zoals die fameuze Tomaschristenen in Indië.

Zij hadden een eeuwenlange eigen ontwikkeling  gekend tot ze door Portugese ontdekkingsreizigers vanuit Goa werden 'ontdekt' met hun verschillen in ritus en qua voorgangers. Een ritus in het Syrisch. Een praktische organisatie die door diakens olv de aartsdiaken, allen gehuwd, werd gedaan, terwijl de bisschop en priesters zich voornamelijk toelegden op de verkondiging, zeg maar het geestelijke. Eigenlijk naar het beeld van de eerste kerkgemeenschap in de Handelingen van de Apostelen. Die levende gemeenschap werd door de Portugese kolonisten en in hun zog missionarissen, waaronder jezuïeten, tot hun verbazing in de zestiende eeuw aangetroffen. Dat contact verliep evenwel niet zonder spanningen gezien de verschillen in ritus en organisatie. Bovendien werd de bisschop niet door Rome maar door de patriarch in het Nabije Oosten aangesteld. Er volgde een zeer complexe geschiedenis met Tomaschristenen die katholiek werden en anderen die onder het patriarchaat van Antiochië bleven, en met ondermeer een latinisering van de ritus die bij het begin van Vaticanum II konterugkeren naar het syrisch. Een geschiedenis die natuurlijk vaak gebeurd is in de geschiedenis van de Kerk: de spanning tussen het lokale en het universele. Vandaag zijn Tomaschristenen in Indië bovendien sterk op academisch en opvoedingsgebied. Een soort elite, sommige ‘analisten’ gewagen zelfs van een soort kaste, die – merkwaardig voor een christengemeente- weinig geneigd is tot verkondiging buiten haar gemeenschap.

Bij dit alles moest ik aan onze in de universiteit ingebedde parochiegemeenschap denken: een levende gemeenschap, met eigen liturgie- en rituskenmerken, een eigen manier van voorgaan. Een mooi gebouw, goede organisten, mannelijke en vrouwelijke voorgangers, kinderliturgie, veel volk… toch wel apart - zoals Tomas een ‘aparte’ apostel was -  ten opzichte van de doorsnee Vlaamse parochie waarvan sommige parochianen, indien ze hier zouden komen, misschien zouden uitroepen: ‘Mijn God! Bestaat dat ook (nog) in Vlaanderen’.

Jawel, en laten we dankbaar blijven voor die eigenheid, en tegelijk onze verantwoordelijkheid naar buiten toe niet vergeten, juist vanuit onze positieve Kerkervaring. No splendid isolation.

We besluiten. Wij, Tomaschristenen. We zijn geroepen als universitas om de realiteit in al haar complexiteit en gekwetsheid te onderzoeken om tot dieper geloof in de Mens met grote M te komen.

We zijn ook geroepen om als parochiegemeenschap dankbaar te zijn voor onze eigenheid en als individu en groep steeds te zoeken naar hoe we deze rijkdom kunnen uitdragen.

‘Vrede zij met u!’

 

woensdag 23 april 2014

Bij het heengaan van Zander: een paasverhaal




In de Goede Week mocht ik de homilie doen bij de begrafenis van Zander Rutten te Hamont-Lo. Hij was nog net geen21 geworden en leed aan een zware familiaal-erfelijke ziekte, Sanfilippo genoemd. Er is vele, vele jaren enorm goed voor hem gezorgd door vele mensen. Ik kende Zander en zijn familie van de Familiedagen in Godsheide.

Matteüs 11, 25-30

(Dankgebed van Jezus)

[25] In die tijd nam Jezus het woord: ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen. [26] Ja, Vader, zo hebt U het goedgevonden. [27] Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen.

[28] Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. [29] Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel. [30] Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

 

Beste Anita en Fons, Christien en Seppe, familie, vrienden, kennissen, lotgenoten,

We willen in deze christelijke viering het verhaal van Jezus plaatsen naast dat van Zander en zijn omgeving. Het verhaal van Jezus kan licht werpen op dat van Zander, en het verhaal van Zander kan ons het evangelie beter doen begrijpen. Ze horen samen, ze luisteren naar elkaar als het ware. Zoals God en mens naar elkaar luisteren. Immers, zoals de lezing uit de Openbaring van Johannes (eerste lezing) zei: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen.’

Dit stukje – “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde…” - staat er plots, na een goed derde van het Matteüsevangelie, een beetje pardoes tussen totaal andere teksten. Een beetje zoals Zander die met zijn persoontje en aldra met zijn ziekte pardoes in het leven van dit gezin en van andere mensen viel. Als een ‘vreemd lichaam’, ein Fremdkörper, een speling van de natuur en de genen, een soort erfzonde waar niemand schuld aan heeft.

Het wordt nochtans een dankgebed van Jezus genoemd: “Ik prijs U… “ “Ik dank u…” En deze viering, deze eucharistie is dan ook in de eerste plaats een dankgebed want hoe vreemd het ook mag klinken – zo vreemd als Zander’s ziekte – er is heel wat om dankbaar voor te zijn. Maar daarvoor moet men eenvoudig genoeg, ‘klein’genoeg zijn, of zich maken. Iets heel bijzonder, iets heel ‘bij-Zander’.

Sanfilippo is de naam van een van dokters die de ziekte in 1963 ontrafelde. Filippus is ook de naam van een van de leerlingen/apostelen van Jezus. Hij vraagt aan Jezus ‘Jezus, toon ons de Vader, dat is ons genoeg’. Waarop Jezus: ‘Ik ben al zolang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader.’ Wie mij – Jezus - ziet, ziet de vader.  Wie ziet hoe met Zander is omgegaan, ziet de Vader. Ziet het beeld van God dat wij meedragen in onze traditie. Ziet wat menswording kan betekenen. Hoe God mens wordt.

Met Zander, die graag naar de varkensstal trok, hebben ze immers iets anders gedaan dan met een te broos geboren biggetje dat niet meekan met de rest, dat teveel gaat kosten en dat de boer laat sterven.  “Neen, voor het kind dat ge krijgt, moet ge zorgen…” zei Fons. Men heeft hem als een piepkuikentje verzorgd; na de eerste klap van de diagnose heeft men zijn de klappen van zijn ongecontroleerde bewegingen meer dan verdragen, men heeft hem gedragen.

Met Zander werd heel wat geopenbaard: een genetisch defect, zeker, maar zoveel meer. Een openbaring van een stroom van liefde bijvoorbeeld: liefde gaf u duizend namen: ‘schoon menneke’, ‘de flip’, ‘sjouke’, ‘zjulleke’, maat en zoveel meer. Zander maakte moederlijke gevoelens en zachte eigenschappen los bij broer en bij zus, die hem bovendien geheimpjes kon vertellen zonder de angst dat hij ze verder zou vertellen! Een beetje zoals bij bidden tot God.

Zander betekende openbaring van de broosheid van een leven en van hoe weinig vanzelfsprekend, hoe verwonderlijk het is dat de meeste mensen normaal ontwikkeld zijn. Er is maar één ontbrekend schakeltje, een missing link nodig om een ernstige afwijking te ontwikkelen. Liever zagen we niet zo’n afwijking. En toch. De jongen met het ontbrekend schakeltje werd de schakel tussen velen. Zoals Anita zei bij het begin: “Je was de spil van ons gezin. Je was als een schakel tussen ieder van ons.” Verbinding, verbindings-teken. Zieken willen in onze maatschappij niet tot last zijn, maar ze zijn het onvermijdelijk, en dat mag. Wat de wijzen en verstandigen van de wereld een ‘lastpost’ zouden noemen, werd een ‘laspost’: iemand die anderen aaneenlast – in zekere zin op een lastige manier, maar wel heel stevig verbonden.

Wonder van verbinding: verbinding van een gezin, de bredere familie, een verpleegkundig engagement dat veel verder ging dan wat normaal moet, de solidariteit met de andere Sanfilippo-gezinnen, artsen, het KITES- team, met de Familiedagen, met zoveel andere lieve mensen… Lijden kan weliswaar mensen uiteendrijven – maar het kan mensen ook aaneensmeden, aaneenlassen, verbinden. We zijn dankbaar dat dit hier zo gegaan is. Verzameld, bijeengebracht door degene die niets meer kan en kent.

Is dat niet kerk? Want begint kerk in zijn kiem niet telkens weer met enkele mensen die zich rond een lijdende mens, een lijdend mensje verzamelen – zoals we ook deze week gedenken rond de Gekruisigde? Hoe ‘passend’ in deze ‘Goede Week’, een samenvatting ‘in miniatuur’ van Jezus’ leven, lijden en verrijzen.

In de zorg voor Zander en in datgene wat de omgeving van hem vreemd genoeg ontving, kwam verlossing tot stand. Verlossing bijvoorbeeld van dingen die niet echt belangrijk zijn: zijn broer en zus leerden relativeren op een goede manier. Verlossing van bitterheid en rancune die merkwaardig genoeg niet de overhand kregen. Verlossing van het idee dat intelligentie en lichamelijke perfectie noodzakelijke voorwaarden zijn voor een gelukkig leven. Verlossing van jezelf en je eigen zorgen door het engagement dat er altijd iemand moest zijn voor Zander: Seppe en Christien werden ‘engelbewaarder’ van Zander. Fons had elke dag het gevoel iets nuttigs gedaan te hebben.

En zo wordt de wereld doorheen dit lijden  en de manier waarop het gedragen werd en wordt, verlost van zichzelf… Want jullie hebben dit niet beleefd als een krachttoer, als iets om mee te pronken – het verste van jullie gedachten – maar in zekere zin als iets’ gewoons’: in een andere taal: een genade, een kracht die jullie al die tijd geschonken werd.Zo openbaarde zich in iets wat ramp-zalig is ook iets zaligs. Zalig de ramp-zaligen.  In het mede-lijden ontdekten jullie een zo diepe vorm van menselijkheid. Vreemd genoeg immers kan de ervaring van samen iets moeilijks te dragen, dieper gaan dan de gedeelde ervaring van een ongestoord geluk. Al zouden we dat laatste verkiezen. Het blijft immers een last maar een lichte last, een juk maar een zacht juk. Je wil het eigenlijk niet van je afgooien. Hoe moeilijk was het, Anita, Zander uiteindelijk los te laten. Maar hoe kan je je kind, je broer ooit loslaten? Is dat geen onzin? Liever zou ik willen zeggen: probeer hem anders vast te houden.

Zijn hemel-vaart zal een leegte laten. Leegte doordat hij er niet meer is zoals hij was. Leegte allicht ook door alles wat Zander had kunnen zijn zonder dat defect: welk karakter zou eruit gekomen zijn? Leegte van de broer die nooit helemaal volwassen is kunnen komen… Indien… hoe zou hij dan geweest zijn? Leegte echter ook die nog meer zal openbaren wat al die jaren gegroeid is. Leegte waaruit een bron van verwondering en dankbaarheid kan opwellen.

Tien dagen geleden hebben we met het gezin Zander samen de handen opgelegd en hem gezalfd in het sacrament van de zieken bij het einde van zijn korte leven. Net geen 21. Symbolisch als het ware: nooit volwassen geworden. Dezelfde gebaren als bij zijn doopsel aan het begin.  Handenoplegging en zalving: krachtige symbolen waarin de vele handen en vele zorg samen-gebald worden. De herinnering aan dit niet vanzelfsprekende, maar misschien daardoor juist van Godsprekende leven van Zander moge jullie nu als het ware zalven en de handen opleggen.

 

Marc Desmet

--------------------------------------------------------------------

Op het kerkhof

We vertrouwen Zander nu toe aan het vierde van de elementen: op zijn kamertje bleef hij nog vier dagen aan de lucht - vuur was er onder de vorm van wierook – water bij de besprenkeling – nu vertrouwen we hem toe aan Moeder Aarde.


In het fictieve boekje Oscar en Oma Rozerood schrijft het kind Oscar dat gaat sterven, brieven naar God. Op het einde staat er : ‘De laatste drie dagen had Oscar een bordje op zijn nachtkastje neergezet. ‘Ik geloof, zegt oma Rozerood, dat het voor jou, God, was. Hij had erop geschreven: ‘Alleen God mag mij wekken.’ Wat een leuke en tegelijk zo diepe manier om over verrijzenis te schrijven. Simpel als een kinderleven. Zo passend bij Zander die meer en meer sliep. Zo passend in deze Goede Week. Alleen God mag/kan Zander nu nog wekken. Hij moge ieder helpen om op-gewekt verder te leven.

dinsdag 11 maart 2014

Veertig dagen dieper proeven en beproefd worden

Op de eerste zondag van de Vasten 2014 (8-9 maart) hield ik volgende homilie in de Universitaire Parochie van Leuven:



Matteüs 4,1-11

Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden. [2] Na veertig dagen en veertig nachten vasten kreeg Hij tenslotte honger. [3] De beproever kwam naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen brood worden.’ [4] Hij antwoordde: ‘Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.’ [5] Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op de rand van de tempel, [6] en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij bevelen U op hun handen te dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.’ [7] Jezus zei hem: ‘Er staat ook geschreven: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’ [8] Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, [9] en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’ [10] Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ [11] Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn.



“Mama, zullen we nog eens stilvallen”, vroeg een meisje van zes onlangs aan haar moeder, medeparochiaan. Ze hadden leren samen stilvallen. Stilte is blijkbaar nog zo onaangenaam niet.

Bij het begin van deze veertigdagen worden wij uitgenodigd om Jezus achterna de woestijn en haar stilte in te trekken. Er staat: Jezus werd door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden.  Dat klinkt best onaangenaam en onaantrekkelijk. Nochtans: de verleider, elders ‘de beproever’, treedt pas op na  veertig dagen.

Ik heb me vaak afgevraagd wat er in die veertig dagen voordien gebeurd is. Misschien was dat helemaal niet onaantrekkelijk – en misschien moeten we ons de veertigdagentijd ook niet voorstellen als een onaangename tijd. Wie van ons snakt niet eens naar rust en stilte? Naar geen emails, de gsm op ‘stil’, geen deadlines, geen agenda ? Wie de stilte intrekt en zich wil richten op het essentiële, op God,  wordt in zijn geest weliswaar eerst nog achtervolgd door zijn dagelijkse activiteiten, vervolgens kom je in een laag van allerlei gedachten en gevoelens, soms storend, soms verwarrend, soms heel inspirerend. Ik wil mij op God richten, maakte ruimte voor het diepere en daar komen plots mooie ideeën voor preken en conferenties, en soms moet je die even opschrijven om ze opzij te kunnen zetten, want je zocht eigenlijk rust en stilte voor iets/iemand Anders; of er duikt de ganse dag hetzelfde liedje in je geest op; of je voert twistgesprekken met een tegenstrever…

En zo allicht Jezus: na het ambachtelijk gevulde leven in een dorp, na zijn tijd in de massa die naar Johannes de Doper en zijn donderpreken ging luisteren en nadat hij als één tussen vele anderen zich heeft laten dopen in de Jordaan met de sterke ervaring de veelgeliefde zoon van God te zijn, wordt Hij dieper de woestijn ingetrokken door de Geest. En daar krijgt Hij misschien schitterende ideeën voor redevoeringen die we Hem in het vervolg van het Matteüs-evangelie overvloedig zien houden – om te beginnen de Bergrede -, of misschien voert hij inwendige twistgesprekken met de Farizeeën.

Maar als je tijd en stilte genoeg krijgt kunnen er werkelijk heel sterke ervaringen komen, bijvoorbeeld verbondenheid met de natuur en iedereen. Zeker niet saai. Solozeilers, poolreizigers, eenzame pelgrims naar Compostella: allen zullen ze zeggen dat het ergens ‘onuitsprekelijk’ is. Daarom misschien dat er over die veertig dagen van Jezus niets gezegd wordt. Wat er ook van zij: in de stilte proef je alles beter, zoals de wijnproever pas wijn leert proeven door eerst geruime tijd enkel water gedronken te hebben. Maar dat dieper proeven, heeft ook zijn beproevende kanten. Je hoort allerlei stemmen en je komt in veel stemmingen.

Natuurlijk, weinigen onder ons trekken veertig dagen de absolute stilte in, maar we worden wel allen uitgenodigd het wat stiller en soberder te maken, in ons woestijntje te trekken, om dieper te proeven en … ons tegelijkertijd te laten beproeven. De stilte van de woestijn roept drie ervaringen op: (1) honger en dorst (2) monotonie (3) anonimiteit. Je eigen woestijntje creëren kan door jezelf  bewust wat op je honger te laten wat betreft: (1) het voedsel dat we in ons opnemen: materieel en geestelijk; (2) de avonturen waar we ons in storten; (3) de invloed die we willen hebben op anderen. Je op je honger laten met als enige bedoeling om werkelijk verzadigd te worden.

“Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt,” antwoordt Jezus op de beproever als die hem stenen in brood  wil laten veranderen. De mens leeft niet alleen van de fijne eetwaren, het zij nog bio-producten, of niet alleen van de fijne recepten die ons dagelijks op TV worden voorgeschoteld door Jeroen en Piet, kampioenen overigens van de Boekenbeurs; de mens leeft niet alleen van fitness en jogging, van de op zichzelf natuurlijk goede lichaamsaandacht, verlies van overtollig vet en cholesterol en wat je daarvoor eet en laat – ik ben ook tien kilo kwijt op enkele maanden. Minder eten hoort weliswaar tot de beproefde methodes om tot diepere spiritueel leven te komen maar dat is meetal niet de reden waarom we zo bezorgd zijn over wat we lichamelijk innemen en inoefenen. Misschien moeten we wat meer bezorgd zijn we over wat we in grote hoeveelheden geestelijk innemen en inoefenen via televisie, Internet, de blaadjes, sms-en, tweets, hot items en ook onze nochtans noodzakelijke vakliteratuur? Misschien moet de jogger eens slenteren en vooral horen, zien, ruiken, waar-nemen. Misschien moet de intellectueel eens bewust vijf minuten niet lezen en bewust in- en uitademen. Misschien moet degene die altijd zijn radio opzet, eens in stilte rijden. En zo de God item proeven en de wonderlijke ontdekking doen: ‘Onze God weet wel dat gij van alles nodig hebt, maar zoek eerst het Koninkrijk van God en alles wat ge werkelijk nodig hebt zal u erbij gegeven worden.’ Scherp je zintuigen door stiller te worden om dieper te varen en te er-varen.

In Jezus komt ten tweede een ander beeld op: hij staat op de bovenbouw van een tempelpoort en Hij hoort: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.’  De beproever nodigt uit om ons om ons maw in avonturen te storten.  Dat roept relationele avontuurtjes op, maar we kunnen denken aan veel basalere zaken: hoe vaak spreken we niet van ‘een nieuwe uitdaging’ (waarom hebben wij die altijd nodig?), of van multi-tasking (psychiater Theo Compernolle stelt sterk in vraag of wij, ja zelfs de vrouwen, dat eigenlijk wel kunnen zonder serieus kwaliteits- en inspiratieverlies?).

Is de ‘nieuwe uitdaging’ in de vastentijd niet om verveling, ja monotonie toe te laten? Het staat niet toevallig centraal in mindfulness en in christelijke contemplatieve oefeningen: het belang van de monotone repetitieve stimulus van mantra’s en aansprekingen. Misschien geldt dit niet alleen voor gebedsmethodes. Ik moet hierbij denken Jean Vanier. Hij was eerst marineofficier, studeerde nadien filosofie met een schitterend doctoraat over Aristoteles, maar paste voor een professorale carrière in Toronto om zich uiteindelijk rond zijn 35° te ‘begraven’ in een Frans dorp met 2 personen met een mentale handicap. Hij haalde ze uit een instelling en wou ze een familie, een ‘foyer’ geven. Uit die onooglijke kiem is een wereldwijde gemeenschap, de Ark, ontstaan. Hij schrijft: “Stranden tegenwoordig niet veel huwelijken omdat mensen bang zijn te sterven van verveling in het leven van alledag? Om in de Ark dat alledaagse leven niet een paar maanden of jaren maar een leven lang vol te houden, moet je je een spiritualiteit eigengemaakt hebben van liefde voor de kleine dingen: heel simpele, materiële dingen: goed koken, samen eten, de vaat doen, zorgen voor de was en de huishouding, (…) de foyer er mooi en gastvrij doen uitzien. Duizend kleine dingen die tijd vragen. Maar ook de zorg voor het lichamelijke welzijn van de zwakke mensen hoort daarbij, zoals hen wassen, hun nagels knippen, met hen kleren gaan kopen, (…). Die kleine dingen worden vaak als onbeduidend (…) beschouwd. We moeten beseffen dat het geringste wat we doen voor een broeder of zuster, wereldwijd van belang is.”

Dat laatste brengt me bij een derde beproeving: de angst om niet betekenisvol genoeg te zijn, om anoniem te zijn, geen invloed uit te kunnen oefenen op wat ik belangrijk vind. Dat komt in het beeld van de duivel die Jezus leidt naar een hoge berg vanwaar hij ‘alle koninkrijken’ toont in hun heerlijkheid: onze drang om gezien, geëerd, belangrijk te zijn. Maw ons ongeloof over de werkzaamheid van wat in stilte aan goeds gebeurt. Le bien ne fait pas de bruit. Ik word hier zelf mee sterk geconfronteerd in het euthanasiedebat. Als je genuanceerd probeert te denken, kom je niet aan de mediatieke bak. Je hebt de indruk dat steeds dezelfde stem die niet twijfelt en pompklaar is, klinkt in de grote media. Terwijl de realiteit van zorg en mens zo complex is. Niet alleen schipper ik dan tussen valse eer en valse bescheidenheid, ik bots vooral op mijn ongeloof over de efficiëntie van wat in stilte, anoniem, ‘in de woestijn van de noeste dagelijkse zorg en intimiteit’ gebeurt: de efficiëntie van het Rijk Gods. Ik bots op mijn ongeloof in het onderscheidingsvermogen van mensen van deze tijd om te zien waar het echt op aankomt. In die impasse mag ik niet blijven.

 

In de stilte die we zelf opzoeken zal God ons komen opzoeken. Daartoe helpt: meer letten op wat we allemaal innemen, materieel en geestelijk; wat meer monotonie en verveling toelaten; en vooral geloven in wat in stilte groeit: Groeien de kinderen groeien niet zienderogen terwijl je niets hoort van die lichaamsprocessen? Verandert de natuur niet elke dag deze tijd en toch hoor je niets? Draait en suist de aarde aan een ontzaglijke snelheid door Gods kosmos zonder dat je duizelig wordt? In stilte groeit zoveel.

 

“Mama, zullen we nog eens stilvallen?”