zondag 28 oktober 2012

Jezus 'kwam, zag en overwon'


Homilie 30° zondag van het B-jaar, 28 oktober 2012

door Marc Desmet sj, Begijnhofkerk - Universitaire Parochie Leuven

Marcus 10,46-52

[46] Ze kwamen in Jericho*. Toen Hij uit Jericho wegging met zijn leerlingen en heel wat mensen, zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde bedelaar, langs de weg. [47] Toen hij hoorde dat het Jezus van Nazaret was, begon hij te schreeuwen en te roepen: ‘Zoon van David*, Jezus, heb medelijden met mij.’ [48] Velen snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij schreeuwde nog harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij.’ [49] Jezus bleef staan en zei: ‘Roep hem.’ Ze riepen de blinde : ‘Houd moed, sta op, Hij roept u.’ [50] Hij wierp zijn jas weg, sprong overeind en ging naar Jezus. [51] Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ De blinde zei Hem: ‘Rabboeni*, dat ik weer kan zien.’ [52] ‘Ga,’ zei Jezus, ‘uw vertrouwen is uw redding.’ Meteen kon hij weer zien, en hij volgde Hem op zijn weg. (KBS 1995)

Jericho

We zijn vandaag in en rond Jericho vanwaar Jezus rechtstreeks naar Jeruzalem zal klimmen. En aan de uitgang van de stad zal Jezus een blinde ontmoeten, midden een grote menigte. Maar zover zijn we nog niet.
Jericho roept een en ander op in ons bijbels geheugen. Dat is bij Lucas de stad waar Jezus een zekere Zacheüs zal ontmoeten, ook al tussen een grote menigte. Stad van barmhartigheid dus waar iemand ook naar op weg was vanuit Jeruzalem toen hij overvallen werd en gelukkig gered werd door een barmhartige Samaritaan. Stad, veroverd door Jozua; Joshua fought the battle of Jericho Hij liet de muren instorten –– nadat zijn leger gedurende zes dagen dagelijks één keer op liturgische wijze rond de stad waren getrokken, en op de zevende dag zeven keer rond de stad een liturgische processie hadden gehouden waarna op de ramshoorns werd geblazen en vervolgens het volk uit alle macht moest schreeuwen….  and the walls came tumbling down.  (Jozua 6-7) Stad van selectieve barmhartigheid waar enkel de hoer Rachab met haar familie in leven bleef omdat zij de mannen had verborgen die Jozua had uitgezonden om Jericho te verkennen.

Jericho. Marcus vermeldt niets over wat in de stad eventueel gebeurde, enkel dat Jezus Jericho ingaat en terug uitgaat, niets over wat Hij er doet maar blijkbaar toch iets want zijn passage blijft niet zonder effect: bij het uitgaan is Jezus namelijk niet alleen meer vergezeld van zijn leerlingen maar ook van een flinke menigte. Jezus heeft – zoals Jozua - Jericho blijkbaar ook ‘veroverd’.

Nu trekt Hij naar Jeruzalem met deze grote menigte en daar zal een grote menigte hem ontvangen als een koning, en zijn mantels uitspreiden voor hem, voor Hem gaan ze als het ware uit de kleren. Jezus zal Jeruzalem veroveren. Hij kwam, hij zag, hij overwon. Maar wat zag hij? En wat overwon hij? En hier precies plaatst Marcus een blinde.

De blinde(n): symbool voor de volgelingen

De blinde komt op een symbolisch moment, een scharnierpunt, kantelmoment: net nadat Jezus zijn drie lijdensvoorspellingen heeft uitgesproken – zoals we hoorden in de evangelielezingen van de voorbije weken - en Jeruzalem zal intrekken, zijn lijden tegemoet (vanaf hoofdstuk 11) en dus nadat de leerlingen door hun reacties telkenmale bewezen hebben hoe blind ze wel zijn voor de eigenlijke Spirit van Jezus. Meer nog, de drie lijdensvoorspellingen zijn geprangd tussen twee genezingen van blinden: ze worden immers net voorafgegaan door de genezing van een blinde te Betsaïda (in het noorden van Palestina, op de grens tussen Galilea en heidenland), en gevolgd door de genezing van een blinde te Jericho, in de Jordaanvlakte in het zuiderse Judea. De eerste blinde wordt genezen in twee tijden - eerst ziet hij de mensen nog maar als bomen - en door Jezus naar huis gestuurd. De tweede blinde wordt in één tijd genezen en sluit zich bij Jezus aan op Zijn tocht.
De symboliek lijkt duidelijk: de volgelingen zijn eigenlijk blinden die genezen moeten worden van hun blindheid. En dat geldt ook voor ons, volgelingen in deze tijd, voor wie het verhaal geschreven is.

Van schreeuw om medelijden naar vraag om te zien
De blinde krijgt een naam: Bar-timeus, zoon van Timeus. Midden de veelheid van personen, midden de massa. Hij vraagt medelijden, barmhartigheid. De zoon van Timeus roept tot de zoon van David. Velen snauwen hem toe te zwijgen, waarmee weer het bewijs is geleverd dat de volgelingen blind zijn. De blinde zit aan de rand van de weg; letterlijk in de marge, een marginaal. Een blinde bedelaar: veroordeeld om te vragen, om afhankelijk te zijn, niet autonoom, niet onafhankelijk. Jezus trekt zich die machteloze mens aan – gaat Hij niet zelf machteloos worden, solidair (mede-lijdend) in de machteloosheid, en is dat niet wat we niet kunnen/willen zien? ‘Heb medelijden’, het is een onbepaalde vraag. Als je in wanhoop bent, dan kan je alleen schreeuwen: ‘Waar zit ge? Doe verdomme iets… Kijk toch naar mij…Help mij…’ Het verrassende kan zijn dat je juist in die schreeuw al iets ontdekt van troost die je weer in beweging zet… Jezus staat letterlijk stil, staat er, en roept hem. En dat creëert een elan: de blinde werpt zijn mantel af (een van zijn weinige bezittingen), veert recht en komt naar Jezus: er ontstaat een elan, hoop, veerkracht. Dan kan je weer voort. ‘Wat wilt ge dat ik voor u doe?’ vraagt Jezus. De onbepaalde schreeuw, de klacht die tot een elan leidt wordt verfijnd tot een vraag. Dat betekent dat de menselijke vrijheid, auto-nomie ernstig wordt genomen. Wat wilt gij? ‘Dat ik kan zien…’

Verwoordt Marcus via de blinde niet de hoop dat de andere volgelingen ook die vraag zouden stellen: dat ze mogen zien…? Want zien ze wel waarover het gaat? Wat verlossing is? Wie God is (volgens Jezus van Nazaret)? Maar daarin klinkt ook: wat is ‘zien’?

Hoe moeilijk is het te zien…
Vrienden, vriendinnen, hoe moeilijk is het om te zien, om echt te zien. Zo moeilijk als het doen instorten van stadsmuren door te zingen. Zo moeilijk als de liefde zelf. Iris Murdoch schreef ooit: ‘In de meest elementaire zin is liefde de ontdekking van de realiteit, het uiterst moeilijk besef dat iets (iemand) anders dan onszelf echt is.’ (I. Murdoch, Sublime, p.51)

Zien waartoe: gelukkig worden of bewust worden?
Voor welke realiteit wil Jezus volgens het Marcusevangelie onze ogen openen? Voor het geluk? Je kunt niet zomaar zeggen dat Jezus gekomen is om ons gelukkig te maken. Het evangelie spreekt over geluk of zaligheid meestal in paradoxale bewoordingen: Zalig de bedroefden, de ramp-zaligen… De blinde vraagt dan ook niet direct: ‘Maak mij gelukkig, geef mij een goed gevoel…’ - al willen we dat natuurlijk. De blinde bedelaar vraagt om te mogen zien, met een ander moderner woord misschien: om aandachtiger – meer mindful - te leven, of nog: om bewuster te worden van…wat?

Weet de blinde wel wat hij vraagt? De blinde krijgt het zicht … om wat te doen? Om Jezus te volgen, staat er… en wat gaat de blinde dan te zien krijgen in Jeruzalem? De kruisiging van zijn redder! Om kort door de bocht van Jericho naar Jeruzalem te gaan: de ex-blinde zal zien dat God toch niet de machtige is voor wie we Hem hielden. Dat het eerder Degene is die onze machteloosheid deelt. De machteloosheid van de werknemers van Ford Genk, van de werknemers van het fort Vaticaan. Maar niet minder de machteloosheid van onze intieme relaties.

Eckhart Tolle schrijft over dit laatste iets opmerkelijks: “Zoals je misschien hebt opgemerkt, zijn relaties er niet om je gelukkig of vervuld te maken. Als je het doel van verlossing door een relatie blijft nastreven, zul je keer op keer teleurgesteld worden. Maar als je aanvaardt dat de relatie er is om je in plaats van gelukkig bewust te maken (bijvoorbeeld van je eigen weerstand tegen de liefde), dan schenkt de relatie je de verlossing wel en dan stem je je af op het hogere bewustzijn  dat in deze wereld geboren wil worden.” (De kracht van het nu, p.137) Dat hoger bewustzijn noem ik de Geest van Christus. Waar spreekt die van? Van Jezus die kwam, zag en overwon.

Jezus ‘kwam, zag en overwon’

In het Jezusverhaal kwam God helemaal in de wereld, Hij zag de realiteit van de blinde bedelaar (in elk van ons) en de onmenselijkheid van grote systemen en instituten, Hij overwon het Godsbeeld van Iemand die onze problemen en ons lijden machtig vanuit den hoge zou oplossen en opende de ogen voor een God die ons lijden deelt. Samen lijden is helemaal anders dan alleen. “Leer hen verstaan het dodelijk geheim dat liefde lijden is, dat geven – ook aandacht geven – leven doet.” (H. Oosterhuis) Dat is de echte syn-ode: ja, wij zijn samen onderweg.

Kunnen we dat zien, en zien dat het goed is?

zondag 23 september 2012

Jezus' religiekritiek als bron van de kerk: onbegrijpelijk?


Homilie 25° zondag van het B-jaar, 23 september 2012

Begijnhofkerk - Universitaire Parochie Leuven

Marcus 9,30-37

[30] Ze gingen daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [31] want Hij was bezig met onderricht aan zijn leerlingen. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd en valt in de handen van mensen. Ze zullen Hem doden, en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.’ [32] Ze begrepen* dat woord niet, maar ze durfden Hem er ook niets over te vragen. [33] Ze kwamen in Kafarnaüm. Thuis vroeg Hij hun: ‘Waar hadden jullie het onderweg toch over?’ [34] Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg ruzie gehad over de vraag wie de grootste was. [35] Hij ging zitten, riep de twaalf en zei hun: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.’ [36] Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen: [37] ‘Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.’

Onbegrip

In de lezing van vandaag staat onbegrip centraal. Ook in wat net voorafgaat.‘O ongelovig geslacht, hoe lang moet Ik nog bij u zijn, hoe lang u nog verdragen?’, heeft Jezus uitgeroepen. Het is vandaar dat hij zich wil terugtrekken met zijn leerlingen voor privé-onderricht: als het ware op bezinning, teambuilding, vorming? Op hun eentje ‘want Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam.’ Ze zijn in Galilea, staat er nadrukkelijk, maar Hij zal het hebben over Jeruzalem: het perspectief dat Hij reeds bespeurt. ‘De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan.’ De leerlingen begrijpen die woorden niet – er is on-begrip – maar ze durven er niet op ingaan. Wat ze blijkbaar wel doen, is onder elkaar discuteren over wie de grootste was. Ze begrijpen er niets van.

Over dat onbegrip zou ik het willen hebben. Enerzijds heb ik begrip voor het onbegrip van zowel Jezus als de leerlingen omdat onbegrip bij lijden hoort; anderzijds mogen we toch niet vergeten dat Jezus’ kritiek op de leerlingen iets essentieels zegt over de ontstaans- en bestaansreden van onze kerk.

Begrip voor het onbegrip

We kunnen kijken naar het onbegrip van de leerlingen als naar een oproep om het lijden erbij te nemen, als een verhaal dat de afstand tussen de Meester en de leerling moet illustreren. Maar misschien is het verhaal van dit onbegrip gewoon de beschrijving van de realiteit, van iets wat hoe dan ook – zelfs met de ‘besten’ – gebeurt als het lijden ook goede mensen treft, als het leven zijn consequenties toont. Het verhaal van het onbegrip als van iets wat onvermijdelijk is, eigen aan de lijdenservaring.

Het lijden van een mens is altijd ergens een vorm van een verlies. Het verlies van een bepaald perspectief, bijvoorbeeld het perspectief van een lang en gezond leven voor bepaalde mensen, het verlies van een lichaamsdeel, van het geheugen, van een geliefde, van werk. Voor Jezus allicht: het verlies van een bepaald idee over wat Hij kon bereiken met zijn verkondiging. Jezus is niet op de wereld gekomen met het idee dat Hij in Jeruzalem aan het kruis zou sterven. Hij is allicht ook helemaal niet begonnen aan zijn prediking met het idee dat het zo zou eindigen. Stilaan is Hem toch iets duidelijk geworden: het zou botsen met het religieus establishment, het zou botsen tussen twee erg verschillende godsbeelden. Stilaan zag hij dat de weg van de lijdende dienaar, Hem bekend uit het boek Jesaja, de zijne zou worden. Dat inzicht moet Hem in een diepe eenzaamheid geplaatst hebben. Hij lijdt dus reeds op het moment van de lijdensvoorspelling. Dat is wat lijden in eerste instantie is: verlies-van waardoor een eenzaamheid ontstaat. De eenzaamheid van: mijn lijden is eigenlijk onvergelijkelijk; niemand beseft hoe diep dit voor mij gaat.

In feite doet elke mens allicht op een meestal verborgen manier deze ervaring van een onvergelijkelijk lijden, dat eigen is aan het verloop van het leven of aan het zijn wie ik feitelijk ben en niet zoals ik zou willen. Bestaat echte religie, kerk, er immers niet in stilaan ertoe te komen ons eigen lijden-beleefd-als-zonder-de-ander te gaan beleven als lijden-met; dat wij daarin verbonden zijn?

Dat is een hele weg, en de idee van een lijden-zonder-de ander dat evolueert naar lijden-met is zelfs een onfatsoenlijke, niet accepteerbare gedachte op een bepaald punt van ons lijden en onze eenzaamheid. Die weg loopt daarbij vaak, om niet te zeggen altijd, langs een lijden tegen de ander in, tegen zijn onbegrip in. In zekere zin is het toch waar dat de ander mij niet kan begrijpen in mijn lijden. Dat is normaal. Maar we hebben de neiging dat onvermogen te ervaren als een gebrek aan welwillendheid tegenover ons – ‘Ze trekken er zich niets van aan; het kan hen niets schelen’. We ervaren dat onbegrip overigens niet alleen tegenover de mens, maar ook tegenover God: ‘Het kan Hem niets schelen’ - ‘Waarom hebt Gij Mij verlaten?

Als ik vanuit deze inzichten terugblik op dit evangelie, lees ik dan tussen de evangelieregels: Ik heb hen gesproken over mijn lijden, over mijn ‘perspectief’, en wat doen ze? Ze discussiëren over wie ‘de eerste van de klas’ is. Let op de lichaamstaal van Jezus die als het ware zijn irritatie uitdrukt: ze kwamen in Kafarnaüm, en eenmaal thuis ondervroeg Hij hen: ‘Waar hebt gij onderweg over getwist?’ Toen zette Hij zich neer - zo van: Awel merci… -, riep de twaalf bij zich - kom ‘ns hier… - en zei: Wel, wie de grootste wil zijn, moet de laatste worden en de knecht van iedereen. Hij overdrijft als het ware om z’n punt duidelijk te maken. Hij nam een kind en zette het in hun midden. Hij omarmde het en sprak tot hen. Jezus moet zich eenzaam gevoeld hebben, maar tegelijk: hoe zouden die leerlingen dat inderdaad hebben kunnen begrijpen, op dat moment? Toch wordt hier iets heel essentieels gezegd over de kerk.

Jezus’ religiekritiek als bron van de kerk

De evangelies zijn altijd ook echo’s over de eerste kerk, en blijkbaar ging het toen ook al over ‘Wie de grootste was’, wie de macht had, wie de baas was,… Het lijkt soms alsof de Kerk die in Jezus Christus’ naam gesticht werd, helemaal vergeet wat de wortel is van haar ontstaan, namelijk een kritiek: Jezus van Nazaret die vanuit een diepe ervaring van wie God voor mensen wil zijn, mensen vrijmaakt en tekeer gaat tegen een religieus systeem dat – misschien met de beste intenties - mensen klein houdt, uitsluit, in naam van de goddelijke Wet en afgeleide wetjes. Dat was zo met de farizeeërs, dat is zo in de huidige kerk wiens houding bijvoorbeeld ten aanzien van de rol van vrouwen niet met de kern te maken heeft maar met macht en controle houden. Maar dat speelt evenzeer in de schaalvergroting in katholieke instellingen als onze universiteit met haar dynamiek van ‘groot, groter, grootst’ waarbij de kern – onderwijs, onderwijs en service - niet meer centraal lijkt te staan… En gelijkaardige dingen gebeuren in ziekenhuizen. Dat het blijkbaar zo van in den beginne liep, dat mag een troost zijn, maar dat neemt niet weg dat in de kiem van de beweging van Jezus Christus een kritiek op macht zit, op nummer 1 zijn, op het instituut.

In welke richting moest het dan volgens Jezus? Want het is natuurlijk gemakkelijk om kritiek uit te oefenen; Jezus heeft nooit een kerkgemeenschap moeten leiden, hoogstens een zootje ongeregeld van apostelen en een aantal vrouwen. Toch kunnen we het perspectief van de nieuwe religie of spiritualiteit uitdrukken met woorden verderop uit het Marcus evangelie en wel in Jeruzalem waarop Jezus vandaag zelf alludeert: Het perspectief dat na zijn dood ontstaat is dat van het gescheurde voorhangsel. “Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën.” (Mc 15,37-38). Een krachtig beeld. God ontsnapt, breekt als het ware uit de tempel, het instituut, en is van iedereen en niet alleen van een instituut. De tempel en het allerheiligste worden niet meer voorbehouden voor het instituut. In die richting ligt de nieuwe spiritualiteit, en Jezus heeft die zelf gewezen. Johannes verwoordt iets analoogs in de dialoog met de Samaritaanse: “Er komt een uur dat gij noch op die berg (in Samaria) noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden… - noch in Rome of Mekka, voor alle duidelijkheid - Er zal een uur komen dat de ware aanbidders die Vader zullen aanbidden in geest en waarheid.” (Johannes 4)

Gemakkelijk? Ja en neen. Het is in zekere zin gemakkelijk te bekritiseren en vaag aan te geven hoe het dan wel moet; maar het kan je wel je kop kosten. Dat is gebeurd met Jezus…. “Maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan…” Een van de betekenissen van die zin is, me dunkt, dat er telkens weer mensen opstaan die die kritiek overnemen in de loop van de geschiedenis, en die zo kerk-geschiedenis schrijven. Voor mij, op de muur boven mijn bureau, hangt een Spaanse affiche. Vertaald luidt ze: ‘Als ze u gezegd hebben dat ge een idealist zijn, een dromer, een gek, een verdediger van onmogelijke zaken, een vriend van verloren zaken, enzoverder… weet dan dat ge in goed gezelschap zijt. Leer het gezelschap van Jezus kennen. We hebben veel gemeen.’ Welkom.

Jezus zegt niet precies hoe het moet maar wel wat de mentaliteit is die moet heersen, de gezindheid. En dat is niet die van dolorisme. Jezus zegt dat hij zal lijden, maar toch ontwikkelt hij bij wijze van spreken geen mystiek van het lijden maar van de dienst: “Als iemand de eerste wil zijn, moet hij laatste van allen en de dienaar van allen zijn.” En ook die dienst moet telkens weer onder kritiek staan. Wat betekent dienaar zijn? Dienaar zijn staat niet noodzakelijk gelijk met gedienstig of eindeloze flexibiliteit; eerder met gratuiteit, met de bescheidenheid en de onderscheiding om enkel bij te dragen waar de ander of het geheel voordeel bij heeft.. Daarbij schuift Jezus de figuur van het kind naar voor. Dat kind, die kleine mens, roept op, ondermeer: kleinschaligheid midden de schaalvergroting, ‘tweede naïviteit’ midden de berekening en het cynisme, bescheiden taal (‘small talk’?) te midden van de grootspraak. Het kind roept voor mij ook het beeld op van de echt grote professor, namelijk: iemand die gekomen is tot een ‘simplicité devenue’ na een hele complexiteit doorworsteld te hebben: hij of zij legt moeilijke dingen op een eenvoudige, niet simplistische maar juist aanvoelende manier uit, zodanig dat je jezelf als luisteraar verstandig vindt en dat er perspectieven opengaan. Ik wou dat ik het kon.

Toch nog een poging tot een eenvoudige take home message: We moeten begrip hebben voor het onbegrip ten aanzien van Jezus’ boodschap die immers ook lijden inhoudt, maar we moeten ook beseffen dat zijn kritiek op macht en instituut aan de wortel ligt van de kerk. Amen.

zondag 5 augustus 2012

Hoe ik naar Ignatius kijk...

Op de feestdag van de H. Ignatius van Loyola, 31 juli, hield ik volgende inleiding en homilie. Voor wie wat meer tijd wil nemen om Ignatius en zijn spirituele zonen en dochters te leren kennen...

INLEIDING H. IGNATIUS VAN LOYOLA

De tak lijkt niet op het zaadje: de jezuïet-psyhoqanalyticus Meissner lijnt drie periodes af in het leven van Ignatius, telkens een twintigtal jaren, telkens ongeveer een derde van zijn leven - à la Hegel.
These: kinderjaren; moeder vroeg verloren; eerste jaren genurst door de vrouw van de smid, in een heel eenvoudig ruw midden zonder privacy; later door de mooie, verfijnde schoonzus Magdalena de Araoz die hem ook zal verzorgen na de kanonskogel in Pamplona waardoor hij door de knieën ging als militair-diplomaat. WERELD van pundonor (wereldse eer: land en vrouwen veroveren)

Antithese: pelgrimsjaren – bekering – letterlijk en figuurlijk afstand nemen van zijn wereld – REBEL – ascese, trial and error, - alles volledig laten afhangen van de voorzienigheid, zwerven van Azpeitia naar Manresa, naar Jeruzalem, Parijs, Venetië.., terug op de schoolbanken, naïviteit, ondervragingen door de inquisitie, eerste vriendengroep, later een meer definitieve vriendengroep die uiteindelijk onderscheidt bij elkaar te blijven ten dienste van de Kerk en onder de leiding van een van hen – ONTWIKKELING GEESTELIJKE OEFENINGEN (methode waarvan notities in klein boekje)

Synthese tussen enerzijds opleiding tot diplomaat-militair in adellijk, wereldlijk milieu en anderzijds een persoonlijke bekering tot zwerversbestaan in armoede: Ignatius wordt administrator van een nieuwe vorm van religieus leven waar alles moest voor uitgevonden worden – geen voorafgaande regels, richtlijnen, precedenten.. enkel zijn eigen wijsheid. WERELD + PELGRIM LEIDT TOT RELIGIEUZE ORDE IN DE WERELD / CONSTITUTIES – de jezuïeten zijn geen kloosterorde, ze zijn bedoeld om in huizen te leven van waaruit ze de wereld invliegen, zonder vaste gebedstijden, met mobiliteit ipv stabiliteit. Het gaat erom God te zoeken en vinden in alle dingen, tot in het meest wereldse.

De tak lijkt niet op het zaadje

Was het echt dezelfde man : de edelman die zwerver-pelgrim wordt en zich tenslotte quasi opsluit in Rome om een religieuze orde op te richten en te leiden? Het zaadje zou leiden tot een enorme boom, een boom van communiteiten en colleges. Een nadere analyse zou tonen hoe het wel degelijk dezelfde man is en hoe de spanningen tussen de twee werelden waaruit hij komt ook in de derde periode van zijn leven aanwezig zijn zonder helemaal tot rust te komen. Toch is er die ‘nieuwe schepping’ die verbazing wekt en waar we in de eerste plaats dankbaar voor zijn, want die maakt dat we vandaag hier zijn op deze wijze, met een spiritualiteit om in spanningsvelden te leven. Zoals in Efeziërs 3: ‘Aan Hem die door de kracht welke in ons werkt bij machte is oneindig meer te volbrengen dan al wat wij kunnen vragen of bevroeden…’: de tak lijkt niet op het zaadje Die vaststelling verwekt ontzag voor wat God kan doen, zijn ‘goddelijke majesteit’ in zachtheid. Wek ook onze zachtheid weer.



HOMILIE H. IGNATIUS

Matteüs 16, 13-21

[13] Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus* en vroeg zijn leerlingen: ‘Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?’ [14] Ze zeiden: ‘Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten.’ [15] Hij zei hun: ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’ [16] Simon Petrus antwoordde hem: ‘U bent de Messias*, de Zoon van de levende God.’ [17] Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. [18] Ik zeg jou: jij bent Petrus*; op die steenrots zal Ik mijn kerk* bouwen*, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. [19] Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ [20] Toen verbood Hij de leerlingen om iemand te zeggen dat Hij de Messias was.
[21] Vanaf toen begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden van de oudsten*, hogepriesters en schriftgeleerden, dat Hij ter dood gebracht zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt.

Wie is volgens de mensen Ignatius? Wie zijn de jezuïeten – en bij uitbreiding de ignatiaanse familieleden - volgens de mensen? Door de bril van dit evangelie wil ik kijken naar de figuur van Ignatius en zijn spirituele zonen en dochters. Het evangelie begint immers met die identiteitsvraag die Jezus aan zijn eigen leerlingen stelt.

(1)   ‘Wie is volgens de opvatting van de mensen de Mensenzoon? Wie zeggen dat de mensen dat Ik ben?’

Moeten we die vraag begrijpen als een retorische vraag waarop Jezus zelf het antwoord al weet of zoekt hij in de dialoog met zijn leerlingen ook zijn eigen identiteit? Zoals wij ook blijven zoeken naar onze identiteit? Je kan de vraag ook stellen als: Welke Jezus krijgt volgens de opvatting van de mensen, gestalte in Ignatius en zijn volgelingen? Belangrijk want een jezu-ïet moet minstens ‘iet’ van Jezus uitstralen.
Sommigen zeggen: ‘Je bent Johannes de Doper’: slecht geklede ascetische figuren – strenge gedisciplineerde boetepredikanten met indertijd donderpreken (denk aan La Peste,… - ‘criez fort, argument faible’), strenge scholen, of met een ‘waterslang’ om de massa’s te dopen, zoals Xaverius destijds
Anderen zeggen: ‘Elia’: geestelijke begeleiders, retraitepaters, biechtvaders, liefst van belangrijke personen, koningen Louis Quatorze bijvoorbeeld en andere multiplicatoren – Mensen die vanuit een sterke persoonlijke woestijnervaring (dertigdaagse retraites bijvoorbeeld) en vertrouwdheid met de engel van bemoediging (‘Sta op en eet iets’…) en de kwade engel, vanuit persoonlijke beproevingen en experiencias/experimenten, mensen helpen om God te onderscheiden in geweldige ervaringen (storm, aardbeving, vuur… - in Manresa wordt Ignatius gedreven tot de rand van de zelfdoding…),  maar ook in de zachte bries, de subtielere onderscheiding – op zijn ziekenbed: verschillend aangesproken worden door beelden (vrouwen tov heiligen) - wat doet ge hier (bijvoorbeeld in Jeruzalem…).
Weer anderen zeggen: ‘Jeremia’: het onblusbaar vuur; de gepassioneerde figuur; God die ons verleidt en vasthoudt tegen onze menselijke wil in; reuzen zoals de missionaris, Xaverius
Of nog: ‘een van de (vele kleine) profeten’: zieners, sociaal geëngageerden in allerlei sectoren, mensen met een visie, ‘intelluelen’, schrijvers, professors…
(2) Niet slecht…‘Maar gij? Wie zegt gij dat ik ben (dat wij zijn)?’ Een persoonlijk antwoord op een persoonlijk aangesproken worden – zoals in de oefeningen
Simon Petrus: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ Wat bedoelt u? Hertaald naar de ignatiaanse familie: het gaat ons om de Zoon van de levende God, om de vertrouwdheid met de levende God via Jezus Christus … - het geplaatst worden door de Vader bij de Zoon, zoals Ignatius in La Storta. Cf. ‘Niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is.’ Het groeiend besef in weer en wind in het gezelschap te zijn van woorden, beelden, van Jezus’ liefde. Dat heeft een unieke waarde. Daarom heten we niet ignatianen maar gezellen van Jezus…

(3)   ‘Gij zijt Petrus’, reageert Jezus die Simon een nieuwe naam en identiteit geeft: dat is pas rotsgrond waarop je een gemeenschap kan bouwen en die het kwaad zal weerstaan, en niets anders: het geloof/vertrouwen in de Zoon van de levende God.
En omdat de Kerkgemeenschap deze schat door de eeuwen meedraagt in broze vaten, en om die unieke schat van het vertrouwen in die Christus niet verloren te laten gaan, zijn er concrete kerkstructuren nodig, is er leiding nodig.

Welnu, de tak lijkt niet op het zaadje ! De kerk lijkt niet op de gemeenschappen van het Nieuw Testament, de paus Petrus leek al niet op de impulsieve, simpele, ontrouwe visser met de zieke schoonmoeder (trouw-ma) en de pausen ten tijde van Ignatius leken verbazend veel op koningen met vrouw en kinderen, uit op macht en grond. Wie ooit de serie de Borgia’s gezien heeft, weet wat ik bedoel. Ignatius en zijn volgelingen maakten de keuze om zich aan die zeer fragwürdige katholieke hiërarchie te binden juist om de schat te redden. Het is een optie. Luther hervormde door eruit te stappen. Beide waren allicht nodig: these – antithese - synthese. Maar wat een vertrouwen van Ignatius, niet in de paus maar in de Zoon.

(4)    ‘Daarop verbood Hij zijn leerlingen nadrukkelijk iemand te zeggen dat Hij de Christus was’
Hertaald: maar wat de eigenlijke motor is van Ignatius, van de jezuïet en de ign familie, dat krijg je niet uitgelegd in de media. Zoals in het gedicht: vertel het aan de bomen (in deze tuin), niet aan mensen… Want het geheim van Christus (de dynamiek van de GO die niets anders is dan de dynamiek van het evangelie) zal voor de buitenstaander nooit aantrekkelijk zijn want dan moet je al iets ervaren hebben van de zaligsprekingen: naar Jeruzalem gaan… om te sterven en te verrijzen…. – lijden aan ‘de oudsten, de hogepriesters, de schriftgeleerden…’: lijden aan het religieus en politiek establishment, aan het instituut… dat we zelf geworden zijn: teveel macht einde van de 18° eeuw – de minima societas,  het zaadje – was een enorme, hinderlijke tak geworden, die afgezaagd werd door de opheffing in 1776. Sterven en verrijzen later.

Leven – lijden – sterven - verrijzen werd de motor van Ignatius’ leven dat zoals gezegd verliep als these (wereld) – antithese (de pelgrim die letterlijk en figuurlijk afstand neemt) – synthese (concrete structuur voor religieus leven in de wereld)

Tenslotte, als ik vanuit Ignatius’ leven naar de kerk en de Cie kijk sinds de jaren zestig, zie ik

THESE Terug naar DE WERELD: secularisatie dringt zich op en dwingt tot veranderingen… Vaticanum II – Arrupe, eerste baskische generaal sinds Ignatius: andere stijl, geloof en gerechtigheid, later én cultuur: toewending naar de wereld  – deuren van de huizen waren in feite vaak gesloten… een tijd van allerlei experimenten: deze kapelruimte bijvoorbeeld werd een groen spiritueel amphitheater met zitblokken
ANTITHESE: TERUG NAAR DE BRON VAN DE GEESTELIJKE OEFENINGEN (ikv bredere spiritualisering, denk maar aan mindfulness) : tot op vandaag plukken we daarvan de goede vruchten – geestelijke oefeningen  zoals hier, op  de fiets, op Loyolatocht, in de bossen etc… Van ascese naar het verlangen - het amphitheater werd omgevormd tot een monachale ruimte
MAAR WELKE NIEUWE SYNTHESE? Die zie ik nog niet. Laatste decennium: besef dat er nieuwe organisatievormen nodig zijn in nieuwe tijden (bijvoorbeeld  Europese conferentie van provinciaals..) waarbij veel ouds afsterft. Maar misschien moeten we veel verder gaan dan aanpassing van constituties en mag er iets heel nieuws komen, geen restauratie dus zoals momenteel, maar een NIEUW SOORT RELIGIEUS LEVEN AANGEPAST AAN DEZE TIJD, zoals destijds met Ignatius. De Sociëteit is geen doel op zich.
Omgaan met Materie in een tijd van globalisering, ongebreideld neoliberaal denken en opwarming van de planeet.
Omgaan met Macht in een tijd van democratisering, feminisering, sociale media.
Omgaan met Minne in een tijd van seksuele schandalen maar waarin eigenlijk het hele thema van gender en seksualiteit in de kerkelijke doofpot zit; met constituties die quasi niets erover zeggen – behalve dat we als engelen moeten zijn.
Een nieuwe synthese na de these van de secularisatie, de antithese van de terugkeer naar de spirituele bronnen. Ziedaar een ‘repetitie’ van de vita Ignatii die veel vrucht zou kunnen opleveren! En waarbij de tak opnieuw erg anders dan het huidig zaadje zou mogen zijn. Maar dat, geef ik toe, is enkel een persoonlijke wensdroom van de voorganger op deze dag.

dinsdag 5 juni 2012

In de naam van de Moeder, de Dochter en de Heilige Fee


HOMILIE OP DRIEVULDIGHEIDSZONDAG 2-3 JUNI 2012


Matteüs 28,16-20

'In de naam van de Moeder, de Dochter en de Heilige Fee'. Het is een grapje van een medebroeder-theoloog, dat ons aanzet om theologische uitdrukkingen te zien als 'blik-openers' en niet als gesloten 'conserven'.  Is het evangelie een huis waarin we ons opsluiten of is het een huis van waaruit we de wereld instappen en telkens weer naar terugkeren? Ik zou het evangelie van 2-3 juni in en uit willen stappen’ vanuit mijn dooppraktijk. Toevallig of providentieel heb ik nogal wat kindjes gedoopt de laatste tijd. En we zijn allen wel eens aanwezig op een doop. Wat zegt die doop over dit evangelie en over de Triniteit? Wat zou het in deze tijd kunnen betekenen om te dopen 'in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’?

Ik neem dit korte evangelie zin per zin, vers per vers:

“De elf leerlingen nu begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had.”

De leerlingen worden op het einde van het Mt-evangelie terug naar het begin verwezen, naar Galilea. Na de hele reis van Galilea naar Judea, het groeiend conflict, uitlopend op het lijden en de dood van Jezus, verschijnt eerst een engel (boodschapper) en later Jezus zelf aan de vrouwen die zoals steeds aan de oorsprong van het leven staan en de boodschap krijgen: ‘Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.’ De gewone realiteit terugvinden, maar wel vanuit een hele reeks ervaringen en avonturen.

De doop van een kindje, dat zich zelf natuurlijk in de  meeste gevallen niets zal herinneren van het gebeuren, is in feite de her-doop van de ouders en van de omgeving. Het is een nieuw begin, een nieuw beginnen, maar reeds na een heel parcours van ervaringen en avonturen: relationeel, soms medisch-verloskundig, de wonderlijke ervaring van de geboorte,  zeker van een eerste kind – ik hoor ouders daar steeds over spreken: ‘het zuiverste wat ik ooit meemaakte’, vertelde mij vorige week nog een jonge vader-beroepsvoetballer. Een kind is toch een doorbraak in de perceptie van de realiteit. Na heel dat parcours de gewone realiteit terugvinden, maar toch helemaal anders: de realiteit als een gave én een opgave (verantwoordelijkheid), als een mysterie dat ons voorafgaat, als een  schepping, en dus ook de figuur van de Schepper, de Vader zo u wil. Dat kunnen we in een doop bewuster verwoorden en beleven.


“Toen ze Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden.”

In aanbidding neervallen voor een mens: je zou van minder twijfelen. Nochtans: God is mens geworden. Zo typisch voor het christendom, zo merkwaardig en radicaal. Durven wij dat ernstig nemen? Durven we werkelijk doordenken dat alles wat menselijk is -  tot en met seksualiteit en voortplanting - ernstig genomen wordt in God. God wordt mens, niet alleen in Jezus van Nazaret, maar in elke mens, in elk ‘vlees’. Dat er geen radicale scheiding is tussen ‘in den hoge’ en de mens, het mensje, het vleesgeworden Woord: incarnatie heet dat! Kan het ook eens eenvoudig zijn, zoals bij de geboorte van een kind: iets goddelijks? Zo  klinkt voor mij ‘dopen in de naam van de Zoon’.

De Zoon evoceert dat het menselijke alles met God te maken heeft: ook het lijden, waaruit Jezus volgens het verhaal is opgestaan. Als we een kind dopen be-lijden we dat er steeds Leven, Opening mogelijk is: het water is het water van de Rode Zee dat de dood van het Volk Gods zou betekenen maar dat wonderlijke genoeg opengaat. Zo kwam er ook nog een opening voor Jezus. Nu en  dan gebeurt het dat vanuit de het voorbereidend gesprek in het doopsel dan ook het lijden en de dood van een vriend of familielid ter sprake komt en dit ook geëvoceerd wordt bij de doop zelf.

Lijden doet twijfelen. Maar ook de twijfel, zo menselijk, heeft zijn plaats. Hij heeft het ons voorgedaan: ‘Waarom hebt ge Mij verlaten?’ “Sommigen twijfelden”: misschien een van de meest troostende zinnen uit het evangelie, zelfs in het slot van het evangelie. En dus ook bij een doop, een nieuw begin. Niet iedereen is erbij met dezelfde ‘devotie’, het stevige geloof.

“Jezus trad nader en sprak tot hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde’.”

Hier moet ik terugdenken aan Johannes’begin van het Laatste Avondmaal: Jezus stond op van de tafel ‘in het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde’. De Mens, Mensenzoon is vrijheid gegeven. Meer en meer zien we dat de mens dingen kan beïnvloeden. Ons godsbeeld zegt niet dat dit niet OK is. Het zegt wel: fundamenteel is die vrijheid gegeven, zeg maar gegeven door Iemand, door ‘de Vader’.

“Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest…”

Hier komt de gemeenschap naar voren: je kan ‘alle volkeren tot mijn leerlingen maken’ zien als een proselytische aansporing: wordt een van onze kerk, van ons merk. Je kan het ook zien als helpen bewust worden dat allen verbonden zijn, dat de mensheid een gemeenschap vormt.  Omdat God een gemeenschap vormt: Vader, Zoon en Heilige Geest. De eenvoudigste omschrijving van de betekenis inderdaad van de Triniteit mijns inziens is te zeggen: God is gemeenschap, God is relatie. Waar echte gemeenschap en relatie wordt beleefd, is God – is er en-theo-siasme: in God zijn, de drift van de Geest: geestdrift. Ubi caritas et amor, Deus ibi est.

Een doopsel verzinnebeeldt dat aspect: er is een gemeenschap, familie, soms familie en vrienden, soms de bredere gemeenschap. Welnu, waar echte gemeenschap is, is God.

“…en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.”

Hier hoor ik een spanningsveld: tussen de Wet, en dat is hier bij Matteüs niet minder dan de Bergrede, die overigens op een berg in Galilea – het begin – wordt gesitueerd. Zo radicaal, zo veeleisend, klinkt dat. Zo quasi onhaalbaar. Zo hard klinkend soms, dat het zelfs geen ideaal lijkt. En tegelijkertijd is onmiddellijk het geruststellende, bijna lieflijke: Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.

Zo engageren ouders, peters en meters zich om een kind in de geest van het evangelie, van de Bergrede, op te voeden, om het in die richting te stimuleren en structureren. Tegelijkertijd wordt gezegd: wat je ook doet of hoe je je ook gedraagt, Ik wil proberen er te blijven zijn voor jou, zolang ik leef. In het onderhouden van de Wet en het ‘Ik ben met u…’ ligt ook het spanningsveld tussen het formele en het diepere: dopen omwille van de traditie, ‘om in orde te zijn’, om eerste communie, vormsel, katholiek huwelijk mogelijk te maken – waarom niet? – maar je merkt ook zo vaak een authentiek er voor altijd willen zijn voor dit mensenkind. Menslief, ik hou van jou, ik zal er voor je zijn. Zo menselijk, zo goddelijk.

maandag 26 maart 2012

Volwassenheid: niet meer roepen 'Vader, red mij...'


Een vastenhomilie



Eerste lezing : Jeremia 31,31-34
‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart.’

Evangelie : Johannes 12,20-33

[20] Nu waren er ook Grieken* onder de pelgrims die ter gelegenheid van het feest aan de eredienst kwamen deelnemen. [21] Ze wendden zich tot Filippus, die afkomstig was uit Betsaïda in Galilea, met het verzoek: ‘We zouden Jezus willen ontmoeten*.’ [22] Filippus ging dit bespreken met Andreas en samen gingen ze toen de zaak aan Jezus voorleggen. [23] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Het uur* is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. [24] Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. [25] Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. [26] Wie Mij wil dienen*, zal Mij moeten volgen*, en waar* Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn: wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader. [27]

Nu* het zover is, is mijn ziel ontsteld. Zal Ik dan zeggen: “Vader, red Mij uit dit uur”? Nee, want juist daarom ben Ik gekomen: met het oog op dit uur. [28] Vader*, verheerlijk uw naam!’ Toen* klonk er een stem uit de hemel: ‘Die heb Ik al verheerlijkt en ook nu zal Ik Hem verheerlijken.’ [29]

De* mensen die hadden staan luisteren, dachten dat het gedonderd had. Maar sommigen zeiden: ‘Er heeft een engel tegen Hem gesproken.’ [30] Jezus zei echter: ‘Niet voor Mij heeft die stem geklonken, maar voor u. [31] Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu gaat de vorst* van deze wereld onttroond worden. [32] Ikzelf moet van de aarde omhoog geheven* worden en zo haal* Ik allen* naar Mij toe.’ [33] Hiermee kondigde Hij aan op* welke manier Hij zou sterven.

Als ik de betekenis van de twee lezingen van vandaag probeer samen te vatten in een notedop, in een graankorrel, zou het klinken als: de eerste lezing zegt dat de mens is bedoeld voor verbondenheid en, als het goed zit, schuilt in die verbondenheid een groei naar zelfstandigheid van twee partners die vrijmoedig met elkaar omgaan – Jezus leert in het twaalfde hoofdstuk van Johannes dat die vrijmoedigheid op bepaalde momenten moed vergt, de moed om door eenzaamheid te gaan.


Vooreerst, in de eerste lezing is duidelijk sprake over een ‘nieuw’ (en dus onrechtstreeks ook een oud) verbond tussen Israël en de Heer.


Misschien dat we de uitdrukking ‘het verbond’ toch ergens als een contract, een aantal afspraken beschouwen. Misschien spreekt het ons meer aan als we dat idee van een ‘verbond’ horen als : De mens is bedoeld voor een verbond, voor verbondenheid, voor verbinding, voor relatie, voor religie. Dat ervaren we maar al te sterk als die verbinding verbroken wordt.


Misschien roept ‘het verbond’ ook iets statisch op terwijl de bijbelboeken suggereren dat in dat verbond, in die verbondenheid groei en evolutie schuilen. Die groei betekent dat de partners van dat verbond als het ware zelfstandiger worden, volwassen. Dat het werkelijk om een ik en een jij gaat die vrij-moedig met elkaar omgaan.



Als het ware de groei van kind naar volwassene, al doet het pijn dat juist die mogelijkheid soms brutaal wegvalt. In de eerste lezing klinkt het dat het geen verbond meer is ‘zoals Ik met hun voorvadren gesloten heb, toen ik hen bij de hand heb genomen om hen uit Egypte te leiden’. Groei van een volk dat als een kind ‘bij de hand wordt genomen’ Een volk dat zich daarbij soms gedraagt als een recalcitrante onderdaan, een ‘nukkig kind’ tegenover zijn meester : ‘Want dat verbond hebben zij verbroken, ofschoon ik hun meester was’.



Maar er ontstaat een nieuw verbond, een nieuwe relatie : ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart.’ Hoe hoor ik die zin ? Zij zullen met mij omgaan – dat is een belofte, een visioen, de hoop en intuïtie van Jeremia over hoe God en mens met elkaar omgaan – niet meer omdat het opgelegd wordt, omdat iemand hen daartoe als het ware vanbuitenuit dwingt, zij het dan nog voor hun goed – zoals men een kind dwingt om zijn/haar goed – maar omdat zij het echt vanuit henzelf willen. De echte auto-nomie : de wet in het zelf. Er zijn geen tussenschakels meer zoals bijvoorbeeld een externe wet, de tien geboden, de catechismus. Geen wet die we ‘van buiten’ kennen, maar ‘van binnen’. Echte partners : ik en jij : zo hoor ik Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn’. En op die wijze komen we dichter bij wie God werkelijk is : ‘Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden : Leer de Heer kennen. Want iedereen, groot en klein, kent mij dan.’



Die groei houdt wel in dat er bepaalde punten, momenten komen waarop men een stap verder gaat, bepaalde dingen dus achter zich laat. En dat vereist ook moed, men moet dus ook vrij moedig -  nu in twee woorden - zijn of worden. Het veronderstelt dat men door eenzaamheid gaat. En dat brengt ons bij het thema van het ‘vasten’ in elk van onze levens, en bij Jezus.



De evolutie wordt gemarkeerd, geritmeerd door bepaalde overgangsmomenten, speciale tijden en dat klinkt in de lezingen: zo begon de eerste lezing : ‘Er komt een tijd (dat ik met Israël een nieuw verbond sluit)…’ Er komt een tijd dat we tot een meer volwassen verbond-relatie komen. In het evangelie van Johannes klinkt het thema van een bepaald overgangsmoment, van een rijp tijdstip als: ‘Het uur is gekomen, (dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt)’(Joh 12,23).



Jezus herneemt de geschiedenis van zijn volk in zijn persoon, en gaat ons voor in die groei, maakt die beloftevolle intuïtie van Jeremia waar, en op een bepaald moment, bepaalde momenten in ons leven is ons uur gekomen.



De passage vormt een scharnier tussen enerzijds de Zalving in Betanië en de intocht in Jeruzalem (‘Palmzondag’) en anderzijds het Laatste Avondmaal dat begint met de bekende woorden : Jezus die wist dat zijn uur gekomen was…. De passage komt dus tussen enerzijds de intieme vertroosting door een vrouw en het publieke succes en de hoop bij het volk, en anderzijds het beslissend conflict met het politiek-religieus establishment, het instituut.



Enkele Grieken willen met Jezus spreken - we weten het ondertussen, als er grieken verschijnen, is het ‘krisis’ (woord dat effectief verschijnt in de zin: ‘nu heeft een oordeel – in het grieks : ‘krisis’ ! - over de wereld plaats’). Filippus komt dit zeggen aan Jezus, maar deze gaat niet rechtstreeks op dit verzoek in. Hij onderbreekt de gewone gang van zaken, zijn normale manier van doen – mensen ontvangen, naar hen luisteren etc – want Hij voelt dat Hij een stap verder moet.



‘Ik zeg u : als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen’



Een uitspraak die in deze dagen kan vals klinken indien we het sterven hier zouden begrijpen als een ongeluk, een noodlot dat mensen overkomt en niet als de consequentie van een keuze. In dat laatste geval kan de uitspraak ons verrassen én inspireren, niet zozeer omwille van dat sterven van de graankorrel dat ons bekend is, maar omwille van ‘(anders) blijft hij alleen’. Als we de oude manier van omgaan met elkaar steeds blijven herhalen, blijven we alleen – dan zetten we geen stappen vooruit meer, maar be-gaan we enkel misstappen. Om tot een meer levengevende relatie, een ‘nieuw verbond’ te geraken, moeten we bepaalde vormen – de graankorrelvorm – laten sterven.



Dan volgt die merkwaardige, vaak onbekende passage uit Johannes 12 waarin Jezus een ‘interne toespraak’ houdt die spreekt van een bepaalde volwassenheid: ‘Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen ? Vader, red Mij uit dit uur ?... Maar daarom juist ben Ik tot dit uur (uur van groei, van stap zetten) gekomen…’



Dat houdt in dat we ons voorhouden

(a)    dat we meer zijn dan onze gevoelens : dat er ook zoiets als kracht/wilskracht/groeikracht in ons leeft

(b)   dat we daar beroep op kunnen doen in ons, dat we - zoals we dat zeggen – krachten in ons kunnen ‘aanspreken’, onszelf kunnen ahw toespreken

(c)    dat groei op een bepaald moment ook betekent : niet meer zomaar altijd zeggen tot de ander : ‘Help mij, gij moet mij helpen…’. ‘Red mij, verlos mij… Jezus beseft dat Hij, op dit moment van angst voor wat zal komen - soms erger dan wat feitelijk gebeurt - niet zomaar meer moet zeggen tot de Vader: leid mij bij de kinderhand uit dit moeilijk moment. Hij is een volwassen kind geworden. Hij laat de Vader komen wanneer de Vader dat wil en kan. Hij gaat de weg van de graankorrel, ‘t is te zeggen, de weg van de volwassen mens die om tot werkelijk leven, dwz werkelijke verbinding te komen ook door een stuk eenzaamheid gaat.



Na die merkwaardige passage volgt een andere, unieke passage : ‘Toen kwam er een stem vanuit de hemel : « Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken. »’ Bij mijn weten de enige plaats in het evangelie van Johannes waar plots, ahw out of the blue een goddelijke stem tussenkomt! Het klinkt als de  bevestiging door de Vader van de eigen-zinnige stap van de Zoon : je hebt gelijk om een stap te zetten, ook al kost dit je heel wat, en je hebt gelijk om hier niet zomaar uit verlost te willen worden, maar om als volwassen mens je weg te gaan ook al lijk je je leven te verliezen.



De veertigdagentijd, de ‘vasten’ kan ons tot volwassenheid inspireren, en ons zo sterken op onze tocht naar meer mens worden, meer beeld van de echte God.