dinsdag 5 juni 2012

In de naam van de Moeder, de Dochter en de Heilige Fee


HOMILIE OP DRIEVULDIGHEIDSZONDAG 2-3 JUNI 2012


Matteüs 28,16-20

'In de naam van de Moeder, de Dochter en de Heilige Fee'. Het is een grapje van een medebroeder-theoloog, dat ons aanzet om theologische uitdrukkingen te zien als 'blik-openers' en niet als gesloten 'conserven'.  Is het evangelie een huis waarin we ons opsluiten of is het een huis van waaruit we de wereld instappen en telkens weer naar terugkeren? Ik zou het evangelie van 2-3 juni in en uit willen stappen’ vanuit mijn dooppraktijk. Toevallig of providentieel heb ik nogal wat kindjes gedoopt de laatste tijd. En we zijn allen wel eens aanwezig op een doop. Wat zegt die doop over dit evangelie en over de Triniteit? Wat zou het in deze tijd kunnen betekenen om te dopen 'in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’?

Ik neem dit korte evangelie zin per zin, vers per vers:

“De elf leerlingen nu begaven zich naar Galilea, naar de berg die Jezus hun aangewezen had.”

De leerlingen worden op het einde van het Mt-evangelie terug naar het begin verwezen, naar Galilea. Na de hele reis van Galilea naar Judea, het groeiend conflict, uitlopend op het lijden en de dood van Jezus, verschijnt eerst een engel (boodschapper) en later Jezus zelf aan de vrouwen die zoals steeds aan de oorsprong van het leven staan en de boodschap krijgen: ‘Gaat aan mijn broeders de boodschap brengen dat zij naar Galilea moeten gaan, en daar zullen zij Mij zien.’ De gewone realiteit terugvinden, maar wel vanuit een hele reeks ervaringen en avonturen.

De doop van een kindje, dat zich zelf natuurlijk in de  meeste gevallen niets zal herinneren van het gebeuren, is in feite de her-doop van de ouders en van de omgeving. Het is een nieuw begin, een nieuw beginnen, maar reeds na een heel parcours van ervaringen en avonturen: relationeel, soms medisch-verloskundig, de wonderlijke ervaring van de geboorte,  zeker van een eerste kind – ik hoor ouders daar steeds over spreken: ‘het zuiverste wat ik ooit meemaakte’, vertelde mij vorige week nog een jonge vader-beroepsvoetballer. Een kind is toch een doorbraak in de perceptie van de realiteit. Na heel dat parcours de gewone realiteit terugvinden, maar toch helemaal anders: de realiteit als een gave én een opgave (verantwoordelijkheid), als een mysterie dat ons voorafgaat, als een  schepping, en dus ook de figuur van de Schepper, de Vader zo u wil. Dat kunnen we in een doop bewuster verwoorden en beleven.


“Toen ze Hem zagen, wierpen ze zich in aanbidding neer; sommigen echter twijfelden.”

In aanbidding neervallen voor een mens: je zou van minder twijfelen. Nochtans: God is mens geworden. Zo typisch voor het christendom, zo merkwaardig en radicaal. Durven wij dat ernstig nemen? Durven we werkelijk doordenken dat alles wat menselijk is -  tot en met seksualiteit en voortplanting - ernstig genomen wordt in God. God wordt mens, niet alleen in Jezus van Nazaret, maar in elke mens, in elk ‘vlees’. Dat er geen radicale scheiding is tussen ‘in den hoge’ en de mens, het mensje, het vleesgeworden Woord: incarnatie heet dat! Kan het ook eens eenvoudig zijn, zoals bij de geboorte van een kind: iets goddelijks? Zo  klinkt voor mij ‘dopen in de naam van de Zoon’.

De Zoon evoceert dat het menselijke alles met God te maken heeft: ook het lijden, waaruit Jezus volgens het verhaal is opgestaan. Als we een kind dopen be-lijden we dat er steeds Leven, Opening mogelijk is: het water is het water van de Rode Zee dat de dood van het Volk Gods zou betekenen maar dat wonderlijke genoeg opengaat. Zo kwam er ook nog een opening voor Jezus. Nu en  dan gebeurt het dat vanuit de het voorbereidend gesprek in het doopsel dan ook het lijden en de dood van een vriend of familielid ter sprake komt en dit ook geëvoceerd wordt bij de doop zelf.

Lijden doet twijfelen. Maar ook de twijfel, zo menselijk, heeft zijn plaats. Hij heeft het ons voorgedaan: ‘Waarom hebt ge Mij verlaten?’ “Sommigen twijfelden”: misschien een van de meest troostende zinnen uit het evangelie, zelfs in het slot van het evangelie. En dus ook bij een doop, een nieuw begin. Niet iedereen is erbij met dezelfde ‘devotie’, het stevige geloof.

“Jezus trad nader en sprak tot hen: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde’.”

Hier moet ik terugdenken aan Johannes’begin van het Laatste Avondmaal: Jezus stond op van de tafel ‘in het bewustzijn dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en naar God terugkeerde’. De Mens, Mensenzoon is vrijheid gegeven. Meer en meer zien we dat de mens dingen kan beïnvloeden. Ons godsbeeld zegt niet dat dit niet OK is. Het zegt wel: fundamenteel is die vrijheid gegeven, zeg maar gegeven door Iemand, door ‘de Vader’.

“Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest…”

Hier komt de gemeenschap naar voren: je kan ‘alle volkeren tot mijn leerlingen maken’ zien als een proselytische aansporing: wordt een van onze kerk, van ons merk. Je kan het ook zien als helpen bewust worden dat allen verbonden zijn, dat de mensheid een gemeenschap vormt.  Omdat God een gemeenschap vormt: Vader, Zoon en Heilige Geest. De eenvoudigste omschrijving van de betekenis inderdaad van de Triniteit mijns inziens is te zeggen: God is gemeenschap, God is relatie. Waar echte gemeenschap en relatie wordt beleefd, is God – is er en-theo-siasme: in God zijn, de drift van de Geest: geestdrift. Ubi caritas et amor, Deus ibi est.

Een doopsel verzinnebeeldt dat aspect: er is een gemeenschap, familie, soms familie en vrienden, soms de bredere gemeenschap. Welnu, waar echte gemeenschap is, is God.

“…en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.”

Hier hoor ik een spanningsveld: tussen de Wet, en dat is hier bij Matteüs niet minder dan de Bergrede, die overigens op een berg in Galilea – het begin – wordt gesitueerd. Zo radicaal, zo veeleisend, klinkt dat. Zo quasi onhaalbaar. Zo hard klinkend soms, dat het zelfs geen ideaal lijkt. En tegelijkertijd is onmiddellijk het geruststellende, bijna lieflijke: Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld.

Zo engageren ouders, peters en meters zich om een kind in de geest van het evangelie, van de Bergrede, op te voeden, om het in die richting te stimuleren en structureren. Tegelijkertijd wordt gezegd: wat je ook doet of hoe je je ook gedraagt, Ik wil proberen er te blijven zijn voor jou, zolang ik leef. In het onderhouden van de Wet en het ‘Ik ben met u…’ ligt ook het spanningsveld tussen het formele en het diepere: dopen omwille van de traditie, ‘om in orde te zijn’, om eerste communie, vormsel, katholiek huwelijk mogelijk te maken – waarom niet? – maar je merkt ook zo vaak een authentiek er voor altijd willen zijn voor dit mensenkind. Menslief, ik hou van jou, ik zal er voor je zijn. Zo menselijk, zo goddelijk.

maandag 26 maart 2012

Volwassenheid: niet meer roepen 'Vader, red mij...'


Een vastenhomilie



Eerste lezing : Jeremia 31,31-34
‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart.’

Evangelie : Johannes 12,20-33

[20] Nu waren er ook Grieken* onder de pelgrims die ter gelegenheid van het feest aan de eredienst kwamen deelnemen. [21] Ze wendden zich tot Filippus, die afkomstig was uit Betsaïda in Galilea, met het verzoek: ‘We zouden Jezus willen ontmoeten*.’ [22] Filippus ging dit bespreken met Andreas en samen gingen ze toen de zaak aan Jezus voorleggen. [23] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Het uur* is gekomen dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt. [24] Waarachtig, Ik verzeker jullie: als een graankorrel niet in de akkergrond sterft, blijft hij onvruchtbaar. Maar hij moet sterven, alleen dan brengt hij rijke vruchten voort. [25] Wie zich aan zijn leven vastklampt, verliest het; maar wie zijn leven prijsgeeft in deze wereld, zal het behouden voor het eeuwig leven. [26] Wie Mij wil dienen*, zal Mij moeten volgen*, en waar* Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn: wie Mij dient, zal erkenning vinden bij de Vader. [27]

Nu* het zover is, is mijn ziel ontsteld. Zal Ik dan zeggen: “Vader, red Mij uit dit uur”? Nee, want juist daarom ben Ik gekomen: met het oog op dit uur. [28] Vader*, verheerlijk uw naam!’ Toen* klonk er een stem uit de hemel: ‘Die heb Ik al verheerlijkt en ook nu zal Ik Hem verheerlijken.’ [29]

De* mensen die hadden staan luisteren, dachten dat het gedonderd had. Maar sommigen zeiden: ‘Er heeft een engel tegen Hem gesproken.’ [30] Jezus zei echter: ‘Niet voor Mij heeft die stem geklonken, maar voor u. [31] Nu wordt het oordeel over deze wereld geveld, nu gaat de vorst* van deze wereld onttroond worden. [32] Ikzelf moet van de aarde omhoog geheven* worden en zo haal* Ik allen* naar Mij toe.’ [33] Hiermee kondigde Hij aan op* welke manier Hij zou sterven.

Als ik de betekenis van de twee lezingen van vandaag probeer samen te vatten in een notedop, in een graankorrel, zou het klinken als: de eerste lezing zegt dat de mens is bedoeld voor verbondenheid en, als het goed zit, schuilt in die verbondenheid een groei naar zelfstandigheid van twee partners die vrijmoedig met elkaar omgaan – Jezus leert in het twaalfde hoofdstuk van Johannes dat die vrijmoedigheid op bepaalde momenten moed vergt, de moed om door eenzaamheid te gaan.


Vooreerst, in de eerste lezing is duidelijk sprake over een ‘nieuw’ (en dus onrechtstreeks ook een oud) verbond tussen Israël en de Heer.


Misschien dat we de uitdrukking ‘het verbond’ toch ergens als een contract, een aantal afspraken beschouwen. Misschien spreekt het ons meer aan als we dat idee van een ‘verbond’ horen als : De mens is bedoeld voor een verbond, voor verbondenheid, voor verbinding, voor relatie, voor religie. Dat ervaren we maar al te sterk als die verbinding verbroken wordt.


Misschien roept ‘het verbond’ ook iets statisch op terwijl de bijbelboeken suggereren dat in dat verbond, in die verbondenheid groei en evolutie schuilen. Die groei betekent dat de partners van dat verbond als het ware zelfstandiger worden, volwassen. Dat het werkelijk om een ik en een jij gaat die vrij-moedig met elkaar omgaan.



Als het ware de groei van kind naar volwassene, al doet het pijn dat juist die mogelijkheid soms brutaal wegvalt. In de eerste lezing klinkt het dat het geen verbond meer is ‘zoals Ik met hun voorvadren gesloten heb, toen ik hen bij de hand heb genomen om hen uit Egypte te leiden’. Groei van een volk dat als een kind ‘bij de hand wordt genomen’ Een volk dat zich daarbij soms gedraagt als een recalcitrante onderdaan, een ‘nukkig kind’ tegenover zijn meester : ‘Want dat verbond hebben zij verbroken, ofschoon ik hun meester was’.



Maar er ontstaat een nieuw verbond, een nieuwe relatie : ‘Ik leg mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart.’ Hoe hoor ik die zin ? Zij zullen met mij omgaan – dat is een belofte, een visioen, de hoop en intuïtie van Jeremia over hoe God en mens met elkaar omgaan – niet meer omdat het opgelegd wordt, omdat iemand hen daartoe als het ware vanbuitenuit dwingt, zij het dan nog voor hun goed – zoals men een kind dwingt om zijn/haar goed – maar omdat zij het echt vanuit henzelf willen. De echte auto-nomie : de wet in het zelf. Er zijn geen tussenschakels meer zoals bijvoorbeeld een externe wet, de tien geboden, de catechismus. Geen wet die we ‘van buiten’ kennen, maar ‘van binnen’. Echte partners : ik en jij : zo hoor ik Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn’. En op die wijze komen we dichter bij wie God werkelijk is : ‘Dan hoeft niemand een ander nog voor te houden : Leer de Heer kennen. Want iedereen, groot en klein, kent mij dan.’



Die groei houdt wel in dat er bepaalde punten, momenten komen waarop men een stap verder gaat, bepaalde dingen dus achter zich laat. En dat vereist ook moed, men moet dus ook vrij moedig -  nu in twee woorden - zijn of worden. Het veronderstelt dat men door eenzaamheid gaat. En dat brengt ons bij het thema van het ‘vasten’ in elk van onze levens, en bij Jezus.



De evolutie wordt gemarkeerd, geritmeerd door bepaalde overgangsmomenten, speciale tijden en dat klinkt in de lezingen: zo begon de eerste lezing : ‘Er komt een tijd (dat ik met Israël een nieuw verbond sluit)…’ Er komt een tijd dat we tot een meer volwassen verbond-relatie komen. In het evangelie van Johannes klinkt het thema van een bepaald overgangsmoment, van een rijp tijdstip als: ‘Het uur is gekomen, (dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt)’(Joh 12,23).



Jezus herneemt de geschiedenis van zijn volk in zijn persoon, en gaat ons voor in die groei, maakt die beloftevolle intuïtie van Jeremia waar, en op een bepaald moment, bepaalde momenten in ons leven is ons uur gekomen.



De passage vormt een scharnier tussen enerzijds de Zalving in Betanië en de intocht in Jeruzalem (‘Palmzondag’) en anderzijds het Laatste Avondmaal dat begint met de bekende woorden : Jezus die wist dat zijn uur gekomen was…. De passage komt dus tussen enerzijds de intieme vertroosting door een vrouw en het publieke succes en de hoop bij het volk, en anderzijds het beslissend conflict met het politiek-religieus establishment, het instituut.



Enkele Grieken willen met Jezus spreken - we weten het ondertussen, als er grieken verschijnen, is het ‘krisis’ (woord dat effectief verschijnt in de zin: ‘nu heeft een oordeel – in het grieks : ‘krisis’ ! - over de wereld plaats’). Filippus komt dit zeggen aan Jezus, maar deze gaat niet rechtstreeks op dit verzoek in. Hij onderbreekt de gewone gang van zaken, zijn normale manier van doen – mensen ontvangen, naar hen luisteren etc – want Hij voelt dat Hij een stap verder moet.



‘Ik zeg u : als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen’



Een uitspraak die in deze dagen kan vals klinken indien we het sterven hier zouden begrijpen als een ongeluk, een noodlot dat mensen overkomt en niet als de consequentie van een keuze. In dat laatste geval kan de uitspraak ons verrassen én inspireren, niet zozeer omwille van dat sterven van de graankorrel dat ons bekend is, maar omwille van ‘(anders) blijft hij alleen’. Als we de oude manier van omgaan met elkaar steeds blijven herhalen, blijven we alleen – dan zetten we geen stappen vooruit meer, maar be-gaan we enkel misstappen. Om tot een meer levengevende relatie, een ‘nieuw verbond’ te geraken, moeten we bepaalde vormen – de graankorrelvorm – laten sterven.



Dan volgt die merkwaardige, vaak onbekende passage uit Johannes 12 waarin Jezus een ‘interne toespraak’ houdt die spreekt van een bepaalde volwassenheid: ‘Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet ik zeggen ? Vader, red Mij uit dit uur ?... Maar daarom juist ben Ik tot dit uur (uur van groei, van stap zetten) gekomen…’



Dat houdt in dat we ons voorhouden

(a)    dat we meer zijn dan onze gevoelens : dat er ook zoiets als kracht/wilskracht/groeikracht in ons leeft

(b)   dat we daar beroep op kunnen doen in ons, dat we - zoals we dat zeggen – krachten in ons kunnen ‘aanspreken’, onszelf kunnen ahw toespreken

(c)    dat groei op een bepaald moment ook betekent : niet meer zomaar altijd zeggen tot de ander : ‘Help mij, gij moet mij helpen…’. ‘Red mij, verlos mij… Jezus beseft dat Hij, op dit moment van angst voor wat zal komen - soms erger dan wat feitelijk gebeurt - niet zomaar meer moet zeggen tot de Vader: leid mij bij de kinderhand uit dit moeilijk moment. Hij is een volwassen kind geworden. Hij laat de Vader komen wanneer de Vader dat wil en kan. Hij gaat de weg van de graankorrel, ‘t is te zeggen, de weg van de volwassen mens die om tot werkelijk leven, dwz werkelijke verbinding te komen ook door een stuk eenzaamheid gaat.



Na die merkwaardige passage volgt een andere, unieke passage : ‘Toen kwam er een stem vanuit de hemel : « Ik heb Hem verheerlijkt en zal Hem wederom verheerlijken. »’ Bij mijn weten de enige plaats in het evangelie van Johannes waar plots, ahw out of the blue een goddelijke stem tussenkomt! Het klinkt als de  bevestiging door de Vader van de eigen-zinnige stap van de Zoon : je hebt gelijk om een stap te zetten, ook al kost dit je heel wat, en je hebt gelijk om hier niet zomaar uit verlost te willen worden, maar om als volwassen mens je weg te gaan ook al lijk je je leven te verliezen.



De veertigdagentijd, de ‘vasten’ kan ons tot volwassenheid inspireren, en ons zo sterken op onze tocht naar meer mens worden, meer beeld van de echte God.

zondag 29 januari 2012

Hij had iets te zeggen


Marcus 1,21-28

[21] Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen. [22] Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden. [23] Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: [24] ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’ [25] Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ [26] De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw. [27] Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’ [28] Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.



Hij had iets te zeggen

U kent misschien het grapje over de pastoor die op een zondag zei: “Vandaag is er geen preek want ik heb u iets te zeggen?...” Als hij preekte had hij blijkbaar niets te zeggen, suggereert het mopje. Maar deze had hij dus iets te zeggen en was de aandacht gescherpt. Iemand die iets te zeggen heeft, treedt buiten het gewone, buiten de gewone orde van de dag. Men zegt wel eens : “Dat is gene gewone…” Jezus was gene gewone. Hij had iets te zeggen.

We zijn aan het begin van het Marcusevangelie. Jezus is bij Johannes de Doper gepasseerd en heeft daar een sterke vertroosting gehad: ‘Gij zijt mijn veelgeliefde Zoon’. Vervolgens wordt Hij de woestijn in gedreven waar Hij door de satan, de chef van de demonen, op de proef wordt gesteld maar ook door engelen wordt bediend. Gelouterd  begint hij de boodschap van het Rijk Gods te prediken, en de ex-timmerman neemt enkele vissers op sleeptouw: vanaf nu gaan ze mensen opvissen.

Ze vestigen zich in Kafarnaum en nu begint een ‘dag in Kafarnaum’. Die zal ’s avonds eindigen (in een ander stukje dan vandaag) met ‘Velen die aan allerhande ziekten leden, genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden’. Die dag, een sabbat, begint in de synagoge, sun-agein: de plaats van de samen-komst sinds de Babylonische ballingschap en de eerste vernietiging van de tempel. Ik heb me laten  vertellen dat het er in een (bijvoorbeeld Antwerpse) synagoge soms helemaal niet devoot-stilletjes aan toegaat zoals in een christelijke kerk, maar dat het er vrij druk en lawaaierig kan zijn. Vooraan kan de rabbijn iets uitleggen, terwijl anderen onder elkaar discussiëren of zaken bedisselen. Ik stel me voor dat Jezus, de nieuw aangekomene, daar het woord neemt en dat plots veel aandacht gaat naar de man uit Nazaret, dat het stil wordt. ‘Iets’ maakt dat hij de aandacht trekt. Hij spreekt niet als de schrifgeleerden, maar ‘als iemand die gezag bezit’. Er wordt voorlopig niet gezegd wat Hij zegt maar wel welk effect Jezus’ optreden heeft.

Begin van de voorbije week was ik getuige van een spreekbeurt voor een 600-tal mensen. Veel mensen vonden het geweldig, luisterden muisstil. Maar wat onthouden mensen van een spreekbeurt? Vaak niet zozeer iets inhoudelijks, maar ‘het was geweldig’, ‘hij sprak geweldig’… maar wat zei hij dan? Soms moeilijk te verwoorden. Toch heeft het geraakt, enthousiast gemaakt. Hij kletst niet – zoals ik nu – pas de bavardage , zeggen de Fransen maar une parole. Het heeft me een tijd gekost om de zwaarte te beseffen binnen een praatcultuur als de Franse van het woord ‘parole’, une parole parlante.

Hij doet wat Hij zegt: de uitdrijving van een demon

‘De inhoud van de leer wordt niet meegedeeld. Of toch? De inhoud van Jezus’ leer is Jezus’ handeling van de bevrijding van een bezetene.’ (Van Oyen) ‘Gezag bezitten’ wordt blijkbaar geïllustreerd aan de hand van de uitdrijving van een onreine geest. Die geest gehoorzaamt aan de order: “Zwijg stil en ga uit hem weg…” Hij doet wat hij zegt.

Laten we eens kijken naar die uitdrijving. Iemand is in de macht van een onreine geest en begint te schreeuwen. Wat roept deze man? “Jezus van Nazaret, wat hebt bij met ons te maken?” Het klinkt agressief.

Waar zien we demonen?

Ooit gaf ik een inleidende bezinning op een Loyolatocht over dit evangelie voor de groep stappers. Iemand zat heel manifest met zijn rug naar mij toe, op zichzelf neergebogen? Incarnerend wat de onreine geest schreeuwde: Wat hebt gij, Jezus , met mij te maken?’

In een groep (workshop,les..) kan iemand zitten die het je als spreker of workshopleider erg moeilijk maakt, de sfeer eventueel ‘verderft’, er met een uitgestreken/vertoornd gezicht bijzit, of verwijtende opmerkingen maakt, vindt dat je niet ter zake komt – een tijdje geleden gaf ik in een sessie over vermoeidheid op het werk een analyse over de ervaring van werken in een groot bedrijf, een ex-manager die zijn adelbrieven eerst presenteerde – een vorm van machtsuitoefening - vond dat het niet ter zake was, terwijl de anderen zich sterk herkenden, dat bracht een tijdelijk onaangename spanning in de groep. De opgave was dit kritisch geluid te integreren in het groepsgebeuren, het gebeuren daardoor te verdiepen, om ahw de demon te bezweren en de mensen samen te brengen, sun-agein – om van dem-agogie (macht op het volk) naar sun-agogie (samen-werken) te komen. De bedoeling is niet om de persoon die soms gênant stoort buiten te zetten, maar om de boze geest buiten te zetten en de persoon in het geheel te integreren.

Het zelfde gebeurt in familiegesprekken, bij mensen in crisis waar je heel wat agressie te horen kunt krijgen. Mensen die ‘bezeten’ zijn om iemand tegen wil en dank in leven te houden of omgekeerd, te doden en daardoor ook in de hele dienst en ene team hectiek teweeg brengen.

Er zijn ook onreine geesten die de publieke ruimte opschrikken: Kwade mails die gelekt worden, moedwillig, om anderen in het verderf te storten, om ‘muyterij’ te verwekken...

De demonen treden naar voor in een bepaalde ruimte.

Ik heb meegemaakt dat iemand in het kader van een retraite demonen uit haar verleden, die haar nog altijd vasthielden, scherp naar voor zag komen. Soms worden mensen bespookt door zeer traumatische gebeurtenissen waarvan de dader reeds overleden is. Want in de geestelijke ruimte van een retraite, de ‘arena’, de ‘synagoge’, beginnen de geesten zich in alle duidelijkheid te roeren (‘zieleroerselen’) en te vertonen en kan de strijd gevoerd worden door iemand die ervaring heeft. …  Iemand kan bij meerdere therapeuten gegaan zijn die echter niets ‘te zeggen hadden’ en dan iemand ontmoeten wiens blik en woord/zwijgen wél efficiënt is. Waar je een echt effect hebt. Jezus was zo, Hij die weet had van het spiritueel gevecht met de satan in de woestijn. Zo iemand laat die strijd toe – lokt ze eigenlijk uit door zijn aanwezigheid – met de bedoeling mensen te verlossen.

Merkwaardige woorden van de demon: “Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten.” De demon zegt: gij, Jezus, zijt gekomen om de demonen te vernietigen. Gij zijt gekomen om de machten van het kwaad die op onverklaarbare wijze de mens beheersen aan banden te leggen. Daarmee is de bedoeling van Jezus’ missie – en de onze - aangegeven, ook al mag dat nog niet gezegd worden.

 “Ik weet wie Gij zijt: de heilige Gods” De heilige Gods… Wat kan dit hier betekenen (en waarom mag de man dit niet zeggen)? De heilige… je kan erin horen: degene die zal heel maken, die de diabolische krachten die een persoon of een gemeenschap verscheuren samenbalt, die het mogelijk maakt tegengestelde zaken een plaats te geven. De heilige Gods: Jezus doet dat vanuit een kracht, een gezag die van elders komen, van ‘God’, net zoals mensen ook nu effecten bewerken die hun eigen inzicht overschrijden. Ze weten zelf niet hoe ze door hun blik, door hun woord mensen tot rust kunnen brengen of thuis laten komen.

Jezus’ woord heeft effect, het is een werkzaam teken, definitie van wat wij ‘sacrament’ noemen. Geloven wij nog in de kracht van het woord? Er zijn symptomen die me daaraan doen twijfelen. We zijn misschien woordmoe in een cultuur van eindeloos veel informatie, veel getwitter en gefacebook, en ander geblog en geblaat. En misschien vinden velen in deze tijd soelaas in de stilte, het woordenloze van mindfulness. Omgekeerd is er bijvoorbeeld de huidige kritiek op de psycho-analyse. Deze ‘dangerous method’ zoals de film ovr Jung en Freud heet, heeft een goede eeuw geleden juist de kracht van het woord herontdekt. De huidige kritiek zegt iets over het niet meer geloven in de kracht van het woord, in de kracht van het vertellen, ook/zelfs binnen de geesteswetenschappen: enkel tellen telt blijkbaar. Het einde van de psychotherapie (Paul Verhaeghe), toch van een bepaalde vorm.

Misschien is dit stukje evangelie een oproep om terug te geloven in een echt woord. Een woord dat doet wat het zegt. Maar hoe komen we daar? Misschien is dat wel het resultaat van een hele geschiedenis, van een lang proces, van een heel evangelie, ook van veel persoonlijk lijden. En daarom mag ook niet te vlug gezegd worden dat hij de heilige Gods is, want ziet de toehoorder, de lezer wel wat dit impliceert? De zot zegt weliswaar de waarheid. Het is juist wat de zot zegt, al weet hij het misschien zelf niet, maar niet alles wat waar is kan ook op elk moment gezegd worden. De diepere waarheid is dat de de heilige Gods, de mensenzoon veel zal lijden om de demonen die Hem ter dood zullen voeren te bezweren. Dat herdenken we, gepast of ongepast, in elke eucharistie.

donderdag 29 december 2011

Een kaartje bij een fles wijn

Zaterdag laatsleden zocht ik in onze kelder naar wijn voor ons kerstmaal die avond. Ik stootte op een krat van drie flessen Bordeaux die ik blijkbaar vijf jaar geleden had gekregen van Trees, een van mijn zussen, en dat naar aanleiding van mijn verhuis van Hasselt naar Leuven. Was ik al helemaal vergeten. Er bleek ook een kaartje bij te zitten - misschien had ik het destijds niet eens ontdekt en gelezen.

'Dag Marc, Dit ben jij: infanterist voor God', las ik verbaasd en enigszins geïntrigeerd. En verder volgde een citaat: 'Stel je voor wat er zou gebeuren als er iemand naar je toe kwam die zei: "Hier heb je mijn vaardigheden. Gebruik ze alsjeblieft naar eigen goeddunken, voor ons wederzijds welbevinden. Ik vertrouw er volkomen op dat je mij eerlijk en met respect compensatie biedt." Zo iemand zou je onmiddellijk aannnemen, nietwaar? Wanneer je bereid bent jouw steentje bij te dragen zonder aan het resultaat te hechten, sta je onmiddellijk op de loonlijst voor het werk van de Geest. Je wordt infanterist voor God. Je stelt je niet meer alleen in dienst van je eigen beperkte visie op wat goed voor jou is, maar dient het welzijn van iedereen.' (uit Wijsheid voor iedere dag van Paul Ferrini).

Zullen we eens drinken op zo'n vrijgevige en gratuite houding?



zondag 18 december 2011

Kersttijd: kinderlijk, niet kinderachtig

Sinds een tiental jaren ben ik lid van een dialooggroep van Marriage Encounter ('M.E.'), een ignatiaans geïnspireerde beweging voor huwelijksspiritualiteit. Hoewel het vooral om koppels gaat, nemen er soms ook religieuzen, zoals ik, aan deel. Niet als begeleider, maar gewoon als deelnemer. Onlangs vroeg men me iets te schrijven over gevoelens, iets waar men in M.E. veel aandacht voor heeft, maar dan vanuit een christelijke spiritueel perspectief, en graag ook het thema 'kind' erin. Misschien is deze kersttijd wel een geschikte tijd om deze tekst aan een breder publiek bloot te stellen.

Gevoelens, kinderen, ignatiaanse spiritualiteit, ze voerden mij spontaan naar de kindsheidsevangelies: pittoreske, onmogelijke verhalen over de wonder-baarlijke zwangerschap van Maria, Jezus’ geboorte en de vlucht naar Egypte om ‘t kind te beschermen. Historisch en gynaecologisch gezien prietpraat. Geloof jij nog in sprookjes? Ik wel. Een goede roman is ook niet echt gebeurd, maar vertelt ons toch van het leven. Zo ook met dat  miniatuurevangelie. Ignatius nodigt uit jouw leven kinderlijk-naïef op die verhalen te leggen. Concentreer je in goede encounter-stijl op gevoelens en dromen die bij Maria en Jozef naar boven komen door een wonderlijke zwangerschap. En is niet elke zwangerschap wonderlijk?

De boodschap aan Maria (Lucas 1,26-2,7)

Ik kijk eerst naar Maria. Haar eerste gevoel in het Lucasverhaal is verwarring. Niet in eerste instantie omdat ze zwanger is, maar omdat ze een boodschap van de engel krijgt, zeg maar een ingeving: ‘De Heer is met u.’ Ze ervaart dat ze niet alleen is in het bestaan maar gedragen wordt door iets dieps. Vreemd, maar je kan door een positieve verandering uit je evenwicht geraken, zoals bij een verliefdheid, een verlangen dat je ontdekt, en natuurlijk bij een zwangerschap. Je voelt zelfs schrik, maar toch is er ook de beweging: ‘Schrik niet, Maria, u hebt genade bij God. U zult zwanger worden en een zoon baren…’ En dan slaat de fantasie op hol: ‘Hij zal een groot man zijn…’ Er wordt al gedacht aan een naam: Jezus, zeg! ‘De Heer zal hem de troon van zijn vader David geven’: Hij zal op zijn vader gelijken… Herkenbaar, toch?

Wacht even. Natuurlijk flitsen er vragen door Maria’s hoofd: ‘Maar hoe moet dat dan?’ Je kan op veel manieren kinderen krijgen: geslachtsgemeenschap, medisch geassisteerd (dan vaak twee ineens), adoptie, een nieuw samengesteld gezin, zelfs als grootouder kan je een kind ‘krijgen’ omdat je dochter of zoon plots alleen valt. Opvallend hoe gehecht kleinkinderen zich tegenwoordig voelen aan grootouders. Vaker dan vroeger worden zij soms ervaren als moeder of vader. Zo wordt ook nicht Elisabet ‘op haar oude dag zwanger van een zoon’. Ik ben niet de enige met een wondere zwangerschap, bedenkt Maria. En van schrik evolueert ze naar openheid, vertrouwen, ‘verwachting’: ‘Laat met mij gebeuren wat u gezegd heb…’

Diepe emotie leidt altijd tot lichamelijke beweging, let er maar eens op: Maria reist ‘met spoed’ naar Elisabet.  De verwachting wordt ronduit vreugde in de ontmoeting met de toekomstige moeder van Jezus’ neefje Johannes. Maria’s lichaam komt nu helemaal in beweging: ze brengt een kind ter wereld. Dat kind lost je problemen niet op, integendeel, en toch verlost het je doordat het die problemen in een heel ander perspectief plaatst. Vreugde, droom.

Maar het kind loopt met je droom wandelen. Niet anders bij de puber Jezus: als twaalfjarige verdwijnt hij in de grootstad. ‘Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader en ik ongerust toen we je kwijt waren.’ Zijn antwoord klinkt nog onrustwekkender: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?’ Ja, vader!? Begrijpelijkerwijze begrepen ze er niets van. Wel ‘bewaarde Maria alles - al die gevoelens - in haar hart’. Doen wij ook in Encounter: de gevoelens niet weggooien, er niet zomaar op leven, maar ze bewaren. En  Jozef?

De boodschap aan Jozef (Matteüs 1,18-24)

Zoals elke man zit Jozef er qua zwangerschap maar voor weinig of niets tussen. Psycho-analytici beweren: elke vader is eigenlijk adoptievader. Meer dan voor de vrouw is zijn kind een vreemde die hij niet in zijn buik voldraagt maar die hij in zijn hart moet adopteren.

Bij Jozef, gedoodverfde stiefvader, proef ik in het Matteüsevangelie angst, maar ook verontwaardiging: Maria is immers zwanger voordat ze echt ‘kennis’ hebben met elkaar. Wanneer ken je iemand voldoende zodat je ‘met vrucht’ kunt slagen in een relatie? Schrik om een definitieve stap te zetten. Hoe actueel. Jozef wil Maria ‘niet in opspraak brengen’,  hij zit dus in het gevoelsregister van schandaal, verontwaardiging, kwaadheid. Hij wil er zich stilletjes aan onttrekken. Terwijl hij dit bedenkt, verschijnt een andere  boodschap in een droom:  ‘Wees niet bang uw vrouw Maria bij u te nemen, want wat bij haar tot leven is gewekt, is van de heilige Geest.’ In encounter-taal: Jozef herinnert zich letterlijk en figuurlijk zijn droom. Dat geeft een gevoel van diepe geruststelling en maakt hem besluit-vaardig: hij volgt zijn droom en neemt zijn vrouw bij zich.

Hoe voel ik mij bij dit alles? Ik, religieus, heb geen kinderen. Of toch? ‘Uw palliatieve dienst, dat is uw kind’, zeggen mijn verpleegkundigen-moeders. En als aan dat kind geraakt wordt, rijzen veel feelings. In mijn wagen voer ik mijn geestelijke kinderen mee: vijf boeken, pennenvruchten van veel voelen, denken en doen. In mijn hart bewaar ik zoveel volwassenen en kinderen die ik door mijn wonderlijke en onmogelijke leven ontmoet. Dat ‘baart’ mij zorgen…  en vreugde.





Marc Desmet

zondag 4 december 2011

Bekering uit de onomkeerbaarheid

Op 4 december gaf ik in de Universitaire Parochie van Leuven de volgende homilie:


Marcus 1, 1-8

[1] Begin van de goede boodschap van Jezus Christus, Zoon van God. [2] Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit,
om uw weg te banen;
[
3] een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht,
[
4] zo trad Johannes op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. [5] Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. [6] Johannes ging gekleed in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. [7] Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. [8] Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.’


Wat treft me in dit adventsevangelie?

Die Johannes de Doper lijkt niet erg aantrekkelijk. Hij wordt geschetst als een figuur van soberheid: kameelharen kleed – ruw denk ik dan, ik krijg al jeuk en rillingen als ik het me voorstel -  leren gordel, sprinkhanen en wilde honing als voedsel. Hij zondert zich ook af: in de woestijn, toch bij water, de Jordaan. En hij preekt bovendien een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden.

Nog opvallend bij deze ascetische figuur is dat hij zichzelf niet predikt – dat is misschien de grootste ascese in onze cultuur van voor jezelf opkomen en narcisme. Hij verwijst naar een komende “die sterker is dan ik… Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.” De ascese van de prof die een student heeft waarvan je voelt dat hij of zij meer getalenteerd is en hem of haar werkelijk die ruimte geeft.

Maar het meest opvallende in dit stukje evangelie voor mij is het succes van deze onaantrekkelijke, zonderlinge figuur: ’Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden…’ Wat is er in godsnaam aantrekkelijk aan ‘een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden’? Je ziet de mensen in het Marcusverhaal als het ware met enig enthousiasme ‘hun zonden belijden’. Wat kan mensen daarin in beweging brengen? Welk soort zondebesef zou mij stappen doen zetten, mij doen keren, be-keren? Toch niet het blijvend feit dat ik misschien al heel mijn leven tegen een aantal persoonlijke obstakels aanloop, tegen mijn libido, mijn karakter? Ik wil me misschien wel bekeren maar waartoe… wat keert mij tot leven en maakt mij zo enthousiast of minstens nieuwsgierig dat ik ervoor door de woestijn wil trekken? Wat creëert toe-komst, ad-ventus? Wat opent wegen voor mij – ook al weet ik nog niet hoe ik mij zal bewegen op die wegen?

Het is dat massale, dat collectieve dat me treft in het beeld dat het begin van het Marcusevangelie schetst. Hebben wij zoiets in onze maatschappij?

Wel, ‘Bekering’ spreekt ons misschien aan vanuit de indruk van on-omkeer-baarheid van een aantal fenomenen. (1) Is er niet een soort collectief bewustzijn van de onomkeerbaarheid van de opwarming van onze planeet? Met regimes kan je onderhandelen, maar niet met natuurrampen en smeltende gletsjers. Maar ondertussen rijd ik toch 50.000 km per jaar met een diesel. (2) Is er niet een collectief bewustzijn dat we verder moeten met minder, dat we inderdaad ‘meer met minder’ zullen moeten doen, maar dan niet in de orde van de economische efficiëntie, maar in een spirituele orde: meer leven met minder geld en materieel; we weten dat; maar trekken we er praktische conclusies uit? (3) zijn we het er eigenlijk niet allemaal over eens dat er op alle terreinen overgereguleerd wordt maar dat we het gevoel hebben in dit spinnenweb vast te kleven - noem het maar een seculiere vorm van clericalisme dat tegelijk met het kerkelijk clericalisme overhand toeneemt. Ik zie het met lede ogen gebeuren (4) of moeten we het hebben over de machteloosheid bij financiële transacties en verliezen die voor de modale burger totaal hermetisch blijven…

Kortom, we hebben het hier over fenomenen die de schaal van mijn allerindividueelst en interindividueel zieleheil overschrijden, maar die ons collectief heil betreffen; zaken die onze persoonlijke fysische en geestelijke gezondheid overschrijden en gaan over ons werkklimaat, ons sociaal klimaat en het wereldklimaat. Maar waarin we ook vastzitten; al weten we dat dit belangrijk is.

We hebben het hier over be-kering als bekering van ons zondebesef. Misschien betekent bekering wel het hervinden van een stelligheid, van een vuur dat het de moeite waard is om duidelijk te maken dat de K van Katholiek niet verwijst naar Katholicisme als Klerikalisme maar naar katholicisme als wat het etymologisch hoort te zijn: kata holou, betrokken op het geheel en heil van de kerkgemeenschap en mensheid. Dat het de moeite waard is om duidelijk te makend dat de toekomst van het katholicisme niet ligt in een select groepje zuiveren maar in een groep van open katholieken die zich in hun bezorgdheid voor het heil van de wereld soms dichter voelen bij bepaalde atheïsten, agnosten, vrijdenkers met eenzelfde bezorgdheid - Bien étonnés de se retrouver - dan bij gelovigen die het plan van God lijken gelijk te stellen met een aantal preciese morele en liturgische wetten. Zo suggereert Anne Provoost in haar ‘Atheïstisch sermoen’. Ik kan ze op dat punt wel volgen.

Deze week ontmoette ik een briljante prof van deze universiteit die zich ‘agnost’ noemt, maar ook de echte ‘pijn’ vertolkte niet meer tot die katholieke gemeenschap te horen. Eigenlijk stond hij – paradoxaal genoeg – achter de UP want “daar heb je een gemeenschap”. Opnieuw dat collectieve. En dat miste hij. Hij zal misschien niet de enige prof zijn aan deze universiteit met dergelijk verhaal. Misschien lopen de scheidingslijnen tussen gelovigen en ongelovigen niet altijd waar we ze menen te moeten leggen. Bijvoorbeeld de scheidingslijn tussen een soberheid, een ascese die het geheel, de planeet, de massa toelaat te leven ten opzichte van een ascese die het individuele heil voor ogen heeft. Of de scheidingslijn tussen een beroep op de wil van God dat het behoud van onze schepping en van de menselijkheid voor ogen heeft ten opzichte van een beroep op de wil van God dat het behoud van macht en controle van bestaande structuren en hiërarchieën maskeert.

We zijn akkoord dat we vastzitten in opwarming, overregulering, consumptie, financiële mechanismen. We kunnen onze eventuele zonden op dat punt wel belijden, het zijn zaken die ons wel kunnen mobiliseren, maar waar we vaak niet het enthousiasme, de geest-drift hebben om een belangrijke stap te zetten. Maar hier houdt het evangelie ons voor: ‘Hij zal u dopen met de heilige Geest’. Hij, de Christus, gaat komen, maar het moet nog groeien. De advent kan een tijd zijn waarin ons bewustzijn kan groeien tot een elan, een enthousiasme om een of andere concrete belangrijke stap te zetten. Maar dat kan niet groeien zonder dat er nu een kleine stap wordt gezet om in te gaan tegen de neiging om zich neer te leggen bij de onomkeerbaarheid van een aantal fenomenen. Ergens is er een sober, ascetisch, disciplinair stapje nodig… om tot echt en-theo-siasme  te komen… tot dieper inzicht… tot verlossing… tot meer menswording… Goede advent!


Marc Desmet sj

maandag 21 november 2011

'Wil je met me waken?' Over niet weten

Op zondag 20 november 2011 was ik uitgenodigd om in de gemeenschap De Brug in Lier een homilie te geven in het kader van een reeks rond ‘Niet-weten’. De titel die men had gesuggereerd was 'Wil je met me waken?'en de tekst Lucas 22,39-46. ‘Wil je met me waken?’ Commentaar op Lucas 22,39-46 Ik zal jullie proberen mee te nemen in de dynamiek van deze passage door ze zin per zin te volgen en te becommentariëren vanuit het geheel van Lucas’ evangelie en vanuit mijn eigen ervaring als persoon en palliatieve zorgarts. ‘Hij begaf zich volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg’ De Olijfberg is de plaats net buiten Jeruzalem vanwaar Jezus enige tijd voordien op een veulen naar de stad afdaalde, met enthousiast roepende leerlingen: ‘Gezegend is de Koning die komt in de naam van de Heer!’ (Lc 19, 29 en 37). Het is ook de plaats waar hij ’s nachts naartoe gaat nadat hij overdag onderricht heeft gegeven in de tempel, in de stad (Lc 21, 37). Jezus weet dat Hij overgeleverd zal worden. Hij weet dat wie hem zal overleveren weet waar Hij zal naartoe gaan, namelijk naar de Olijfberg. Hij heeft het net in het Laatste Avondmaal voorspeld. Maar Hij gaat ‘volgens zijn gewoonte’ gewoon de stad uit naar de Olijfberg. Hij vlucht niet (meer). Hij zou nog kunnen. Dat heeft mij altijd geïntrigeerd: waarom is Jezus naar Jeruzalem gegaan? En dat terwijl Hij herhaaldelijk voorspelde dat het verkeerd zou aflopen. Hij had ook niet kunnen gaan. Scheelt er iets met hem? Suïcidaal? Wat drijft hem? Ook de leerlingen gingen met Hem mee. Aangekomen zegt Jezus: ‘Bidt dat ge niet op de bekoring ingaat’ (KBS 1975) of: ‘Bidt dat jullie in de beproeving niet bezwijken’ (KBS 1995) Bidt… Jezus nodigt zijn leerlingen uit om met hem te waken zou je kunnen zeggen. Als familieleden van stervenden mij vragen: moeten we blijven ‘waken’? zeg ik altijd: vraag het aan de zieke zelf. Een zieke zal niet vlug vragen om bij hem of haar te blijven, om de ander niet te belasten; als de zieke het wel vraagt, is het dat hij of zij het echt nodig vindt. Maar: Bidt dat ge niet bezwijkt in de bekoring? Twee maal zal hij het zeggen. Over welke bekoring heeft Jezus het? Ze wordt weliswaar aangekondigd aan het einde van de bekoringen in de woestijn, helemaal vooraan in het Lucasverhaal: ‘de duivel verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd’. Maar welke bekoring? Is het de bekoring om Hem te verdedigen tegen het lijden dat komt (door het oor van de vijand af te slaan)? Is het de bekoring om te vluchten voor het lijden, om Jezus in de steek te laten (door de ont-kenning: ‘Ik ken u niet’; het kraaien van de haan, weet u wel)? Waarom zegt Hij niet: ‘Bidt dat ik niet op de bekoring inga?’ Het klinkt niet erg vriendelijk en hij verwijdert zich dan ook. Tegelijk nodigt Hij uit maar verwijdert hij zich ook. Ambivalentie merken we voortdurend in de begeleiding van mensen die erg lijden. Hij verwijderde zich van hen, ging ongeveer een steenworp verder, Verwijdering. Het lijden werpt een mens op zichzelf terug. Lytta Basset noemt die laag van het lijden het lijden-zonder. In het lijden schuilt de ervaring van: niemand weet wat het betekent voor mij om zo te lijden, om deze ziekte mee te maken, om deze persoon te zijn, dit karakter te hebben, deze roeping te moeten volbrengen. Het klopt natuurlijk dat niemand anders weet wat ik meemaak. Maar de verwijdering van de ander blijft een vermindering van leven, als we daarin blijven steken. Persoonlijk denk ik dat het een van de meest kwaadaardige kenmerken is van het lijden: dat het in staat is ons te scheiden van wat en wie ons dierbaarst is. We zeggen vaak: scheiden doet lijden; maar het geldt ook omgekeerd: lijden doet scheiden. Ik zie een moeder haar dochter afstoten terwijl die nochtans voor haar is opgekomen en voordien samen goed opschoten. Ik zie een heel lieve, jonge patiënte die zich isoleert van kennissen en familie – tijdelijk misschien. Het hoort erbij, toch lijkt het meer menselijk als we daar ook weer uit komen. Het risico is te blijven steken in een soort misprijzen: ik zal het maar op mijn eentje doen. Hij wierp zich op de knieën en bad: ‘Vader, als Gij wilt, laat dan deze beker Mij voorbijgaan. Maar toch: niet mijn wil, maar uw wil geschiede.’ Jezus verbindt zich met ‘iets’, ‘iemand’ in Hem die Hij ‘Vader’ noemt. De wil van de Vader. Iets vreemds. Enerzijds weet Jezus wat er Hem boven het hoofd hangt: een complot, dat Hij bewust niet vlucht. Anderzijds vraagt Hij: laat deze beker Mij voorbijgaan. Iets in Hem dwingt hem naar Jeruzalem en op een ander niveau in hem is er grote weerstand daartegen. Iets-in-mij weet dat ik dit moet doen maar eigenlijk wil ik dit niet en weet ik niet waarom dit moeten in mij is. ‘Mijn wil’ en ‘Uw (de Vaders) wil’ leven tegelijk in mij en die tweede is eigenlijk sterker dan mezelf; als ik er niet aan beantwoord, ben ik vreemd genoeg mezelf niet, verlies ik mijn zin/betekenis/kracht ook al wil ik deze weg eigenlijk niet gaan. Het is een verhaallijn die mij altijd erg treft, speciaal in het Lucas-evangelie, met als sterk aanzetpunt in het negende hoofdstuk: ‘Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde hij vastberaden de reis naar Jeruzalem.’ Een lijn tot in het 24° hoofdstuk waar Hij aan de Emmaüsgangers zegt: ‘O, onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’ ‘Moest’… het goddelijke ‘dei’ in het Grieks. En tussen die twee uitspraken onze passage met ‘Laat deze beker aan Mij voorbijgaan. Maar niet mijn wil geschiede, maar uw wil…’ ‘Waarom zit Jezus (ik?) zo in elkaar?’ Jezus wou iets duidelijk maken in Jeruzalem: dat God niet op te sluiten is in 613 wetjes, dat Hij niet beantwoordt aan een godsbeeld dat een instituut macht verleent maar niet de mensen bevrijdt, dat het werkelijk om liefde draait. Maar diezelfde God van liefde ‘dwingt’ Hem te lijden. Waarom? Waarom moest ik jezuïet worden? Dat is voor mij eigenlijk dezelfde onbeantwoordbare ‘waarom’ als die van de lijdensvraag: waarom overkomt mij dit lijden? Ik weet het niet maar het is zo en leven en vreugde zal uiteindelijk te maken hebben met ‘ja’ zeggen. Ja het is zo. Amen. ‘Nu verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken.’ Een mens kan in het lijden ongekende spirituele krachten ontdekken. Of hij of zij kan ook iemand tegenkomen, een engel, iemand die ons als een goddelijk geschenk overkomt, die ongekende krachten naar boven haalt midden soms diepe miserie. Maar zonder overgang volgt de zin: ‘Aan doodsangst ten prooi bad Hij met nog meer aandrang. Zijn zweet werd tot dikke druppels bloed, die op de grond neervielen.’ Onbestendig is ons hart dat ten prooi is aan hevige gemoedswisselingen. Het lijkt erop dat Jezus het dan niet meer alleen uithoudt: ‘Toen stond Hij op uit zijn gebed en ging naar zijn leerlingen. Maar Hij vond hen van droefheid in slaap. Hij zei: Hoe kunt ge slapen? Jezus die uit zijn eenzaamheid naar de ander treedt klinkt verwijtend. Ik hoor er het lijden-tegen in van Lytta Basset: de ander lijkt me te stalken, te pesten met zijn onverschilligheid. De ander kan overkomen als degene die kwaadwillig is terwijl Lucas ze vergoelijkt: ‘Hij vond ze in slaap, zo verdrietig waren ze.’ Misschien moeten we ook zeggen: ze waren zo moe van het verwerken van hun verdriet. Mensen die waken doen niets maar ze zijn vaak ontzettend moe. Ik zeg altijd: ze doen zogezegd niets maar eigenlijk werken ze wel, want ver-werken is ook werken. En heel hard. Maar daar heeft Jezus niet veel begrip voor: ‘Hoe kunt ge slapen?’ Heel menselijk, die Jezus… Waarom wil Hij dan toch die ‘tragen en onverstandigen’ (zoals Hij later zegt aan de Emmaüsgangers) mee op sleeptouw neme: ‘Staat op en bidt, dat ge niet op de bekoring ingaat.’Deze zin vormt een inclusie in deze passage: eerste en laatste zin van Jezus in deze scène. Het zijn ook de laatste woorden van Jezus in het Lucas-evangelie tot zijn leerlingen voor zijn dood. Waarom die waarschuwing? En wat zegt dat over de vraag: wil je met me waken? Ons eerste antwoord is allicht: we waken om de ander te ondersteunen, om er te zijn. En natuurlijk klopt dat. Maar er gebeurt meer. In het waken ontdekken we op een expliciete manier dat we lijden. Het is de ervaring van veel palliatieve zorgverleners dat naar het einde toe familieleden meer lijken te lijden dan de stervende zelf. Vaak projecteren ze zelfs hun eigen lijden op de stervende die in onze ogen niet zelden rustig is en niet lijkt te lijden, maar de naasten lijden wel. Hoe kunnen we dan de uitnodiging van Jezus om mee te gaan en te bidden dat ‘ge niet op de bekoring ingaat’ verstaan? Het verhaal van vandaag geeft dat nog niet aan, het moet nog ontdekt worden. Wat verder zullen we lezen: ‘Moest de Messias dit alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’ Hertaald, geactualiseerd: moet de mens niet lijden om zijn volle menselijkheid te vinden? Natuurlijk zijn we geneigd om hier heel hard van weg te lopen. ‘Bidt dat ge niet op die bekoring ingaat’. Hoezo? Terug naar het dolorisme? Is lijden good for your soul? In het waken ondersteun ik niet alleen, ik lijd ook. Maar ik lijd niet alleen. Het is een gewone en toch ook merkwaardige vaststelling: mensen worden willens nillens verenigd door de lijdende en stervende. Het zijn soms unieke dagen waarin familieleden misschien voor de eerste of enige keer zo intens samenzijn rond de lijdende en stervende. Moeten we daarom lijden? Neen, maar zo gaat het. Ik lijd samen met de ander waarvan ik het lijden misschien nog niet echt had gezien of toegelaten. In dat samen lijden kan iets gebeuren. Lytta Basset noemt het: Je souffre-avec, donc je suis. Dus niet: Descartes’ je pense donc je suis noch je pense donc jésuite (grapje). In het lijden zit niet alleen een lijden-zonder en een lijden-tegen de ander in maar het kan ook evolueren naar een lijden-met de ander. Ik zie – eindelijk - dat de ander net zoals ik lijd. In het samen lijden (incluis niet weten, twijfel, angst) schuilt vreemd genoeg een diepmenselijkheid – je suis - die dieper is dan pure momenten van geluk. Ik ontdek er iets van het diepste menszijn. Moest de Mens dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan? Ik hoef niet te zeggen dat dit een boodschap is die op veel weerstand stuit in onze cultuur. Maar zo kan je het verloskundig verhaal van Jezus van Nazaret wel lezen. Of het klopt, weet ik niet, maar ik geloof het wel. En ik weet dat de kerk ontstaan is en telkens ontstaat uit een klein groepje mensen dat samen leed en lijdt rond de ‘gekruisigde’. Marc Desmet sj