maandag 31 juli 2017

Ignatius van Loyola: de boom lijkt niet op het zaadje


HOMILIE OP HET FEEST VAN DE H. IGNATIUS – 31 juli 2017 - HEVERLEE

Evangelielezing: Matteüs 13,31-35.

31 Een andere gelijkenis hield Jezus hun voor: ‘Het Rijk der hemelen gelijkt op een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide. 32 Weliswaar is dit het allerkleinste zaadje, maar wanneer het is op geschoten, is het groter dan de andere tuingewassen; het wordt een boom, zodat de vogels uit de lucht in zijn takken komen nestelen.’

 

Beste vrienden en vriendinnen in de Heer,

‘La tige ne ressemble pas la semence’, zei ooit mijn instructor van het derde jaar. De boom lijkt niet op het mosterdzaadje waaruit hij is ontstaan. Dat kunnen we zeker ook zeggen over het zaadje genaamd Ignatius en zijn nazaten - de jezuïeten en de hele ignatiaanse familie. Maar in dat zaadje zit de gemeenschappelijk kern.

Het ignatiaans zaaigoed (in een toen cultureel grondig omgewoelde grond) laat zich namelijk ‘determineren’, beschrijven vanuit vijf teksten van Ignatius (1) de autobiografie ofte het verhaal van de pelgrim – de ridder werd een zoeker zouden we nu zeggen (2) de Geestelijke Oefeningen -  de pelgrim werd een geestelijke begeleider & coach van individuen en van een groepje (3) de Constituties  - de spirituele leidsman werd manager, CEO van een religieuze multinational (4) 7000 brieven - de esthetische overschrijver van heiligenlevens werd brievenschrijver – de CEO was ook communicator/mediator (5) uit het vuur geredde fragmenten van zijn geestelijk dagboek – de CEO bleef mystiek pendelen tussen de drie Goddelijke personen en de menselijke personen in zijn onderscheidingen.

Uit dat zaaigoed groeien allerlei ignatiaanse bomen en op haar takken nestelen vele soorten vogels  – en daar willen we vandaag dankbaar voor zijn. In die bomen vinden we

  1. Mensen die zoeken – die enorm geseculariseerd zijn, ja, maar in zekere zin meer open voor spiritualiteit, soms helemaal niet meer gehinderd door de kritische vooroordelen ten aanzien van de kerk want er niet meer mee bekend, maar wel zoekend – soms decennia lang - hoe men in de multiple choice van het hedendaags leven zijn weg vindt. Zou het bijna vijftien jaar geleden mogelijk zijn geweest dat artsen en verpleegkundigen – vaak ‘lieve heidenen’ – zich zouden bezighouden met spirituele zorg? Het gebeurt. Zoekers hier: studenten van Lerkeveld, van het Dondeynehuis. En wij zelf, jezuïeten, noemen ons nu  zoekers van zin, minder zeker van onszelf dan vroeger, allicht meer menselijk.
     
  2. In de ignatiaanse bomen nestelen mensen die aangesproken worden door een veeleisende maar degelijke methode, met name de Geestelijke Oefeningen. Dat boekje lijkt literair wel een soort spiritueel kookboek. Maar gehanteerd door een goede kok blijkt het zo vaak het leven van mensen weer ‘op smaak’ te brengen. Telkens weer blijkt het boekje een ‘wonder’ van puntige beknoptheid en efficiënte accuraatheid te zijn. Voor mensen van allerlei slag en kunne. Zou men vijftien jaar geleden Geestelijke Oefeningen zijn gaan geven, zoals wij vorige weken deden in Drongen, met een gemengd protestants-katholiek begeleidersteam, vier vrouwen en vier jezuïeten, gemengd gehuwd-alleenstaande-religieus, voor protestantse en katholieke retraitanten? Ik denk ook aan de Loyola-tochten, de oefeningen in het dagelijks leven.
     
  3. In de ignatiaanse bomen nestelen mensen die een bepaald soort organisatie proberen te realiseren. In de eerste plaats betreft het hier de jezuïeten zelf, van zo’n diverse pluimage. Hoe houd je zo’n ‘religieuze multinational’ met een boom van colleges, universiteiten, instellingen, missies over heel de wereld samen zodat ze haar doel bereikt? Welnu, in de Constituties zegt Ignatius dat de middelen die ons verbinden met de kern en met elkaar, nog werkzamer zijn dan de middelen die ons technisch competent maken. Merkwaardig: liefde, deugd, vertrouwdheid met God zijn dus nog belangrijker om ons doel te bereiken dan onze intellectuele competenties waarvoor jezuïeten vaak bekend zijn. Van die verbinding met elkaar proeven we steeds weer wanneer we ergens in de wereld ons onbekende jezuïeten ontmoeten en zeggen: hey, wij hebben iets gemeenschappelijks, ik kom hier thuis. In die bomen fladderen ook een veelvoud van medewerkers, leken over heel de wereld. En ook daar: het trof me op een congres van directeurs van lagere (sj)scholen uit Europa in Ludwigshafen, met nauwelijks sj in de zaal, onze vertrouwde, ignatiaanse voertaal te horen. En wie had ooit gedacht dat een vrouw directeur zou zijn in Heverlee?
     
  4. In de ignatiaanse bomen nestelen mensen die een gedetailleerd voorstel kunnen ontwikkelen én bereid zijn dat ook weer los te laten. Dat leren we 7000 keer uit Ignatius’ brieven: steeds weer die enorme vrijheid die erin bestond een gedetailleerd, goed doordacht verhaal te maken met allerlei instructies – veel werk – dat vervolgens totaal gerelativeerd wordt: ‘Maar als ge denkt dat ge het beter anders doet, dan doet ge het maar anders.’ Wat een immense vrijheid. Natuurlijk, we zijn verschoven van brieven naar mails. De brieven toen waren te traag, onze mails nu gaan soms te vlug. Temporiseren, minder impulsiviteit in het schrijven – we kunnen dat nog steeds meenemen van Ignatius.
     
  5. In de ignatiaanse bomen nestelen tenslotte mensen die bewogen zijn, en wel vanuit een voortdurende pendelbeweging tussen God en mens. Ignatius legt zaken niet alleen voor aan meerdere mensen, maar ook aan de drie goddelijke personen en aan Maria. We lezen in Ignatius’ persoonlijk dagboek dat hij daarbij voortdurend wordt bewogen tot tranen. Tranen? Inderdaad, er gebeurt niets authentieks spiritueels zonder dat dit ook lichamelijke beweging voortbrengt: tranen die de vrije loop krijgen, maar ook een glimlach, een ontspanning, een opkijken op het einde van een goed gesprek, een maagkramp die ontspant, en vooral veel energie en elan. Tranen ook van ontroering over de wereld. Je kan niet jezuïet of ignatiaan zijn en de wereld haten. Je bekeert maar waar je van houdt. En wij houden van de wereld. Is dat niet wat we voelen bij onze medebroeder Franciscus?

Laten we God danken voor al die mensen die in de ignatiaanse bomen nestelen. En voor de vogels die nestelen in de boom van Heverlee zie ik tenslotte twee bijzondere apostolaten:

Orat pro Ecclesia et Societate: staat in de cataloog bij velen die hier verblijven. Natuurlijk moeten alle jezuïeten bidden, maar vaak schiet ik daarin te kort. Heverlee voorziet erin, supplet: de bejaarde jezuïeten vullen aan waar de mensen met drukke agenda’s te weinig toe komen. We rekenen erop.

Ten slotte: Het is in onze Kerk hard nodig een positieve blik op lichamelijkheid, affectie, intimiteit te ontwikkelen. Verrassend misschien - denk ik, dat oudere jezuïeten die positieve blik op lichamelijkheid kunnen ontwikkelen en zich niet alleen een last hoeven te voelen – zoals we in de zorgwereld jammer genoeg elke dag horen. Jullie zijn namelijk overgeleverd aan de zorgende handen van anderen, vaak vrouwelijke, maar ook de mannelijke van zeer gedienstige medebroeders – steeds weer horen we over de grote zorg die uitgaat van de bewoners van dit huis voor elkaar. Je leren overgeven in de handen van anderen kan een heel mooi teken zijn voor de wereld, et pro Ecclesia et Societate. Amen.                                     

Marc Desmet sj

zondag 30 april 2017

Verrijzenis en veerkracht







HOMILIE BIJ DE EMMAUS-GANGERS (Lucas 24,13-35)

Zaterdag en zondag 29-30 april 2017: Derde paaszondag van het A-jaar

Ik zit al 25 jaar in een groepje dat ontstond naar aanleiding van een pelgrimstocht in de sporen van Ignatius van Loyola.. en Jezus. Op een dag kregen we een symbool mee dat ik nog steeds in huis heb: een grote ‘ressort’….. als symbool voor veerkracht. Ik heb hem meegebracht, soms is zoiets het enige wat men onthoudt van een homilie.

Veerkracht. “Man sieht nur was man weiss”, “Je herkent maar wat je kent”. Je kent dat wel: eens je aandacht op iets getrokken is, begin je het plots hier en daar en misschien overal te herkennen: “Kijk, daar heb je het..” Ik heb dat met het begrip ‘resilience’ of ‘veerkracht’. En kijk, vorig weekend had je het in DS Magazine: Vallen, opstaan en weer doorgaan… Het ging er over resilience of soms het gebrek aan resilience. Hoe komt het immers dat ik zo teleurgesteld kan zijn, dat de zon dagen minder schijnt door onnozele details zoals het puntenverlies van mijn favoriete voetbalploeg – toch maar het belangrijkste detail in de wereld – en dat terwijl er Syrië is, terwijl geliefden sterven? Belachelijk. First world problems.  Een beetje veerkracht graag.  

Is resilience niet een manier om verrijzenis in het dagelijks leven te hertalen?  Resilience is een begrip dat ondermeer ontstond vanuit de observatie dat veel zwaar getraumatiseerde kinderen het toch stukken beter doen in hun verder leven dan men zou verwachten (Stefan …). Waren die Emmaüsgangers ook niet zwaar getraumatiseerd door het lijden en de dood van JC? Toonden zij niet op een of andere manier een enorme veerkracht? Vanwaar kwam en komt die? Is dat niet een constante aanwezigheid van de kracht van de Verrezen?

Ik lees het als een oproep tot geloof in de veerkracht van de Mens. En vooral tot verwondering over de Bron daarvan. En dat in een tijd waarin veel meer dan vroeger de termen ‘ondraaglijk lijden’ en ‘slachtoffer’ worden gebruikt: op zichzelf goede gevoeligheden, maar ze verduistert soms die enorme kracht die in de mens schuilt…

Laat me dus de Emmaüsgangers herlezen vanuit veerkracht en vanuit tips om veerkracht te cultiveren en te oefenen volgens DS Magazine, weliswaar niet het Parochieblad maar onbedoeld soms toch stichtend. Op het gevaar af aan pep talk te doen. Maar de bedoeling is om te zien hoe het verhaal over de Verrezene mij die ‘tips’ geeft. Twee taalspelen die mooi kunnen samenspelen.
1. Ontwikkel veerkracht door te leren loslaten, 'door bijvoorbeeld te kamperen in plaats van op hotel te gaan'. (DS)

Dat doen de Emmaüsgangers in eerste instantie door weg te gaan van Jeruzalem, de stad van het lijden maar ook van het gekende, en naar Emmaüs, waarvan we nooit geweten hebben waar het lag - het onbekende dus - te gaan.  De tweede Emmaüsganger is trouwens zoals gezegd, onbekend – de derde wordt door de twee zelfs een ‘vreemdeling’ genoemd.

Veerkracht verschijnt hier wat als vier-kracht: zaken laten vieren, loslaten.
2. Verander je kijk op de zaak want ‘Er zijn altijd twee manieren om ergens naar te kijken. De negatieve,  waarbij je er zelf uit komt als een weerloos slachtoffer, of de positieve, waarbij je beslist om het te zien als een manier om te groeien. De oplossing ligt vaak niet in het oplossen – van het onoplosbare - maar in iets nieuws beginnen. Je na de dood van een geliefde inzetten als vrijwilliger op PZ, bijvoorbeeld.’ (DS)

Verander je kijk… Het valt dan op dat het in het Emmaüsverhaal veel gaat over kijken en zien of eigenlijk niet zien –ten gevolge van verdriet, kwaadheid, teleurstelling - en dan hoe dan ook terug zien: ‘Hun ogen werden verhinderd – (nieuwe vertaling) ‘hun blik werd vertroebeld’ - Hem te herkennen’.  De Emmaüisgangers verhalen dat de vrouwen het graf leeg hadden bevonden maar Hem zagen ze niet. ‘Hij nam brood, sprak de zegen uit….Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.

 
In dezelfde lijn als anders kijken komt de tip: Herbenoem je angsten: ‘Wat je voelt als je stress hebt of angstig bent, is ongeveer hetzelfde als wat je voelt als je ergens opgewonden over bent…. Speel dat uit door jezelf te zien als vol adrenaline ipv als angstig.’ (DS)

De Emmaüsgangers uiten hun angst en verwarring als volgt: ‘En wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen! … Wel hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht…’

Wij, kerkgangers, kunnen onze angsten herbenoemen door ze anders te kaderen namelijk in de geschiedenis van het Volk Gods. De Verrezene doet dat – nadat hij hen vol begrip vervoegd heeft in hun verleden tijd - niet met zachte hand, maar met enige directiviteit, beroep doende op hun veer-kracht: “O onverstandigen die zo traag van hart (nieuwe vertaling: traag van begrip) zijt in het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben ! Beginnend met Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had….

Nadien benoemen de Emmaüsgangers hun ervaring als: ‘Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?’  Dat illustreert wat we daarnet zegden: ‘Wat je voelt als je stress hebt of angstig bent…. Speel dat uit door jezelf te zien als vol adrenaline – ‘brandend hart’ -  ipv als angstig.’

Je kijk veranderen, je angsten herbenoemen: veerkracht verschijnt hier telkens als inno-veerkracht.

 
3. Onderneem actie: ‘Het helpt om actief te zijn en niet in een hoekje te zitten wachten tot je problemen overgaan.’ (DS) Daar komt het belang van de – soms kleine - stap.

De Emmaüsgangers ondernemen actie: ze gaan weg van Jeruzalem,  ze laten de vreemdeling toe… ze nodigen Hem uit om mee te eten en te blijven… ‘Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug.’

Veerkracht is ook rechtveer-kracht.
'Even een stap terugzetten helpt daarbij ook..' (DS) ‘reculer pour mieux sauter / sauver…’  Leer met andere woorden uit je verleden: ‘Ga voor jezelf na hoe je in het verleden met moeilijke situaties bent omgegaan en wat die ervaringen je hebben geleerd. De kans is niet onbestaande dat een blik op het verleden je voorziet van strategieën voor de toekomst.’ (DS)

Ik verbind dit met: ‘Zij vertelden hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.’ Eucharistie benoemen als strategie lijkt ‘erover’, maar het kleine gebaar van de eucharistie kan wel degelijk de kleine,  doenbare stap zijn om je veerkracht terug aan te boren. Het was het gebaar dat Jezus stelde in een totaal verloren situatie. Die eucharistie en de gemeenschap is de brug naar de laatste suggestie:
4. Maak verbinding: ‘Beseffen dat je vrienden en familieleden hebt die er voor je zijn, maakt je veerkrachtiger. Een ander helpen die het nog moeilijker heeft, kan je veerkracht een boost geven. Erop toezien dat de anderen in de boot zich goed voelen, ook dat is belangrijk voor je eigen veerkracht.’ (DS)

Het aspect van v eerkracht dat hier aan bod komt noem ik de relativeerkracht: de veerkracht die kan schuilen in het relativeren, ttz ons lijden in relatie met dat van anderen brengen: relati-veerkracht. Simpel, maar niet gemakkelijk. ‘Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde…’‘Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug…. Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen.’ Daar treffen ze de anderen die gelijkaardige verhalen met hen delen.

Slot:

Veerkracht als vierkracht, inno-veerkracht, rechtveerkracht, relativeerkracht: en nog veel andere zonder twijfel (bijvoorbeeld de veer schokdemper...): die aspecten van veerkracht zijn geen normen, geen musts, geen losse tips, maar eerder uitingen van een Veerkracht die in de Mens schuilt en die in de verhalen over de Verrezene verschijnen, en die – vooral – in ons eigen levensverhaal kunnen verschijnen. En wij kunnen ons daarvoor openstellen, ons daarin oefenen. Dat geloven wij.

Misschien moet u maar ergens zo’n (spring)veer, zo’n ‘ressort’ opduiken en niet ver van de Gekruisigde een plaats geven.

zondag 29 januari 2017

Wat Jezus een populist?


HOMILIE U.P. LEUVEN

29 januari 2017, Marc Desmet sj – 4° zondag van het A-jaar

Lezingen: Sefanja 2,3; 3,12-13 en Matteüs 5,1-12.

Toen Jezus de menigte zag ging Hij de berg op, en nadat Hij zich had neergezet, kwamen zijn leerlingen bij Hem. Hij nam het woord en onderrichtte hen aldus:

“Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen.

Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden.

Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten.

Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.

Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.

Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.

Zalig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden.

Zalig die vervolgd worden om de gerechtigheid, want hun behoort het Rijk der hemelen.

Zalig zijt gij wanneer men u beschimpt, vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht om Mijnentwil: Verheugt u en juicht, want groot is uw loon in de hemel."

 

Het populisme van Jezus

Er is deze dagen veel te doen over populisme. Over leiders die gedragen worden door het volk – toch een stuk - zonder de vertragende bemiddeling van volksvertegenwoordigers, het volk dat de bureaucratie, de administratie, de politieke belemmerende structuren en de invasie door andere volkeren beu is. Rechtstreeks. Tweetgewijs. Ganse groepen voelen zich niet gehoord of vertegenwoordigd en trekken zich op aan de leider die ongezouten verwoordt wat ze zelf nauwelijks durven zeggen. Deze week sprak ik nog met Turkse familieleden van een van mijn patiënten over ons onbegrip voor Erdogan’s dictatuur: ‘Hij wordt gedragen door de mensen. Als zij hem niet meer willen, dan valt hij.’

Jezus hield veel grote speeches. Hij bracht velen op de been, tot kort voor zijn dood overigens, bij zijn intrede in Jeruzalem. De mensen luisterden graag naar Hem, staat er ergens in het Nieuw Testament. Wat hij zei was behoorlijk radicaal én controversieel. Hij maakte zich vaak boos – was niet altijd zacht en ootmoedig. Hij zette de gevestigde machten – Farizeeën, Sadduceeën, Schriftgeleerden, hogepriesters - wel eens in hun blootje: zij hadden van de joodse godsdienst een rovershol gemaakt. En daar genoot de kleine, bange man van. Hij durfde het zeggen. Hij sprak over een nieuw Rijk. Hij onderscheidde zich van anderen, zoals in de politiek-programmatisch klinkende Bergrede, de tekst die onmiddellijk op de gehoorde zaligsprekinge volgt: ‘Gij hebt gehoord dat er gezegd is…. Maar Ik zeg u….’ Je wist niet of het eigenlijk mogelijk was, maar het bood ergens perspectief. Het wekte enthousiasme, het verzamelde mensen. Was Jezus misschien een populist?

Misschien heeft het Volk Gods iets met spiritueel populisme. Alles bij elkaar tweet ook onze paus tot de massa zonder de mediatie van een officiële tekst. Alles bij elkaar heeft elk van ons een soort rechtstreekse spirituele lijn – niet gehinderd door kerkelijke of andere structuren of bepalingen – met de figuur Jezus, met het grote, Heilige Hart van Jezus. Enkele hoofdstukken verder na de Bergrede lezen we de bekende uitnodiging van Jezus: “Komt allen tot Mij die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart…”

Maar waarom zou Jezus toch geen populistische goeroe zijn die misbruik maakt van de onwetendheid van mensen en dingen zegt als: “Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven…. Niemand kent de Vader tenzij de Zoon en hij aan wie de Zoon het wil openbaren.”

Het zijn natuurlijk om te beginnen de valkuilen en verleidingen van status, macht en imago die Jezus in de woestijn – net voor dit vijfde hoofdstuk – heeft geproefd. Maar laat ons eens kijken naar wat hij zegt, hoe hij speecht, tot wat hij het volk uitnodigt. Het zal eerder een populisme van de armhartigheid, barmhartigheid, warmhartigheid  blijken te worden, niet van hooghartigheid.

De eerste woorden van Jezus van zijn eerste grote rede

Ik blijf mij verbazen over de zaligsprekingen die we hoorden. Niet alleen inhoudelijk, maar ook wat betreft de plaats die ze krijgen in het evangelie van Matteüs: het zijn de eerste woorden van Jezus in de eerste van vijf redes die Hij houdt in dat evangelie. Matteüs schetst hem als een nieuwe Mozes. In Exodus lezen we: 'Mozes daalde de berg (de Sinaï) af naar het volk en sprak het toe.' Dat gebeurt evenwel in een scenario van donderslagen, bliksemflitsen, bazuingeschal en een rokende berg die het hele volk doen beven van angst en het op afstand doen staan. Het beangstigde volk vraagt dat God zelf niet meer zou spreken, maar dat Mozes met God zou spreken. En zo brengt Mozes de hele Wet met de zovele wetsbepalingen over, gegrift in twee stenen platen: de mozaïsche wet, een groot 'mozaïek' van wetten. De platen van het verbond, van de relatie tussen Israël en God.

Deze heilsgeschiedenis trilt mee als Matteüs Jezus de berg laat opgaan om zijn leerlingen te onderrichten. Het is in de lijn van het Mozes-gebeuren en toch anders. Le nouveau Moïse est arrivé. Geen gedonder en gebliksem. Het klinkt rustiger. Geen wetten op platen gegrift, maar een wet gegrift in het hart. De nieuwe lijn is richting hart, richting innerlijkheid, richting wortels, radikaal. Straks gaat Jezus zeggen: 'Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet… Maar Ik zeg u: …' En telkens zal Hij wijzen naar de kern van de zaak, naar het hart. Ik ben niet gekomen om de Wet en de Profeten -- Mozes -- op te heffen, maar om ze te vervullen. Ik ben gekomen om de traditie die uitgehold is, om diegenen die uitgehold zijn -- leeg, leeggelopen, leeggehold -- te vervullen.

Toch is Jezus' eerste woord bij zijn eerste ‘grote speech’ niet een woord over de Wet. Hij begint niet met voorwaarden en normen. Hij begint met zaligsprekingen, gelukwensen, felicitaties, proficiat! Zalig, ramp-zalig maar zalig zeg ik wel eens. Ook te hertalen als: U bent op de juiste plaats aangekomen wanneer….

U bent op de juiste plaats aangekomen als u arm van geest bent/wordt, treurt, zachtmoedig (beetje soft) bent, hongert en dorst naar gerechtigheid (die maar niet komt), barmhartig bent,…, vervolgd wordt…wanneer men u beschimpt…Hoe kan Jezus dit zeggen zonder ironie of cynisme?

Zalig de treurenden want zij zullen getroost worden ?

Misschien betekent het dit: U bent op de juiste plaats aangekomen wanneer u treurt, want u kunt dan pas ondervinden wat het betekent om getroost te worden. U zult een diepte van het menszijn proeven die u nooit geproefd hebt. Ik lijd samen met anderen en dan pas proef ik een diept van het leven die ik nooit geproefd heb. Niet dat we lijden vergoeilijken, maar niemand wordt gespaard van treurnis, en misschien laten we dan troost toe.  Door wie of wat wordt men getroost? Door een Ander.

Die Ander kan de concrete ander zijn, bijvoorbeeld familieleden die rond het sterfbed van een ouder elkaar verhalen uit hun leven vertellen en daar troost in vinden (zoals deze week). De troostende ander in Jezus’ leven was bijvoorbeeld de vrouw met een albasten vaasje dure balsem. Over haar zegt Hij: ‘Waar ook ter wereld deze Blijde Boodschap verkondigd zal worden, zal tevens ter herinnering aan haar verhaald worden wat zij gedaan heeft.’

Het kan ook de troostende Ander in de eigen, mystieke ervaring zijn. Zo krijgen we een glimp van Jezus ‘ eigen ervaring te horen als hij ziet waar het naartoe gaat in Jeruzalem. Johannes 12: ‘Nu is mijn ziel ontroerd. Wat moet Ik zeggen? Vader, red Mij uit dit uur? (haal mij weg uit dit moeilijke, rampzalige uur) Maar daarom juist ben Ik tot aan dit uur gekomen.’: andere uitdrukking voor: ‘U bent op de juiste plaats aangekomen…’

Zalig de armen van geest want aan hen behoort het Rijk der hemelen

In wezen geven alle zaligsprekingen één soort mentaliteit aan die zich in verschillende facetten laat zien: het zijn de armen van geest die steeds weer opbotsen tegen de complexe werkelijkheid, de complexe en harde wetten van de wereld waarin zij leven. Armen van geest zijn voor Matteüs de am ha arets, het volk dat de Wet of Thora niet kent en dat daardoor uitgesloten. In een rabbijns geschrift lezen we namelijk: 'Het is verboden een mens die geen kennis van de Thora bezit, barmhartigheid te bewijzen.'

Maar ieder van ons – hoe wijs of verstandig ook – komt ooit op die ‘juiste plaats’ terecht waar hij of zij zich uitgesloten voelt door wetten. Matteüs gelooft dat we precies op die plaats van exclusie kunnen komen tot een echte verhouding tot God -- een andere, authentiekere verbondsmentaliteit dan bij de farizeeën, sadduceeën en Schriftgeleerden. 

De armen van geest, de gebrokenen van hart zijn de treurenden die botsen met de wetten van het onbegrijpelijke lijden en de dood. Het zijn de zachtmoedigen die botsen met de mediawetten, de communicatiewetten van deze wereld. De armen van geest zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en botsen met de soms kafkaiaanse complexiteit van soms ronduit onrechtvaardige wetten en structuren, met lobby's die ondoorzichtig en ontoegankelijk zijn. Het zijn de barmhartigen die botsen op de genadeloosheid van economische en soms kerkelijke wetten, op de wetten van de plaats waar we werken; het zijn de zuiveren van hart die botsen met de complexiteit van het bedrog; het zijn de vredebrengers die botsen op de eindeloze spiralen van geweld en de wet van de sterkste. Het gaat om hen die telkens ervaren dat zij in de mentaliteit van deze tijd aan de verkeerde kant staan, in de hoek zitten, hier niet passen, storen, treuren…

Matteüs plaatst de ramp-zalige ervaring helemaal vooraan in Jezus’ Wet en programma. Waarom?

Ik weet het niet maar misschien maken de zaligsprekingen het beleven van de radicale boodschap van de Bergrede mogelijk. Ze plaatsen de nieuwe, al te radicale opvatting van Jezus’ wetsinterpretatie in een juist perspectief, denk ik. Alleen die zaligsprekingen maken ze tot menselijke, niet louter bovenmenselijke en in die zin onmenselijjke richtlijnen. Wie kan niet alleen niet-doden, maar ook niet-doden-met-woorden? Wie pleegt nooit echtbreuk, geloftenbreuk, in gedachten? Wie brengt de Tora echt tot vervulling? De poging om de Wet op een nieuwe, radicale manier te beleven voert een mens onvermijdelijk naar een tekort, een tekort schieten. Wie kan dat? Het is juist in de rampzalige ervaring van dat tekort, dat iets zaligs mogelijk is, dat je op de juiste plaats bent terecht gekomen.
Voor mij hangt in mijn bureau in ‘t Spaans: ‘Als ze u al eens gezegd hebben dat ge een idealist zijt, een dromer, ne zot, een verdediger van onmogelijke zaken, een vriend van verloren zaken, enzoverder…weet dan dat ge in goed gezelschap zijt, het gezelschap van Jezus.’ Er schuilt misschien wel iets van populisme in de volksbeweging die Jezus in de evangelies verwekt: hij verzamelt mensen die zich ergens niet gehoord weten. Maar het is niet een populisme van splendid isolation maar van ootmoed, van arm-, warm- en barmhartigheid.

zondag 6 november 2016

Is er iets na de dood? Ja! Neen! Misschien...


HOMILIE VOOR DE UNIVERSITAIRE PAROCHIE P OP 5 EN 6 NOVEMBER 2016

Marc Desmet sj

 

Lezingen: 2 Macc 7,1-2.9-14 en Lucas 20,27-38

Beste vrienden en vriendinnen,

Deze week ontving ik van iemand die me dierbaar is een mail: “Op het kerkhof plaatste ik bloemen bij papa’s graf, dat er sereen en mooi bij ligt. ‘t Geeft toch het gevoel dat het leven van een mens niet zoveel betekent .... en dat maakt me wat weemoedig en confronteert me met het feit dat al mijn draven en inzet uiteindelijk niet zoveel teweeg brengt. Ik heb waarschijnlijk verkeerde kaarten getrokken in mijn beroep, in mijn engagementen..... Ik heb het daar moeilijk mee.”

In de palliatieve zorg noemen we dergelijke ervaring ‘spirituele pijn’, existentiële pijn of bestaanspijn. Dergelijk pijn heeft te maken met een ‘benauwenis’ die ons kan overvallen wanneer we met afscheid, met de ‘uitersten’ van het leven geconfronteerd worden. Het is de ervaring van een gebrek aan innerlijke ruimte, ademruimte. Het kan ons ‘pakken’, benauwen wanneer vragen opkomen als: Wat betekent een mens eigenlijk nog als hij of zij verdwenen is in de dood? En dat verdwijnen van de ander confronteert met onze eigen relativiteit. Wat zal er van mij overblijven? Hoe relevant zal ik geweest zijn? Zal ik gewoon helemaal vergeten zijn? Meer nog:  hoe relevant is al mijn huidige activiteit en drukte, hoe belangrijk zijn de zaken, de waarden waarvoor ik mij soms zo onverdroten inzet?

Zo ontstaat dus een benauwenis, een innerlijke kramp, een spanningsveld. Op welke manier kan mijn/ons religieus geloof daar een rol in spelen? Kan het helpen om innerlijke ruimte, innerlijke ontspanning teweeg te brengen of vergroot het juist de spanning? Geloven is immers zelf iets wat een spanningsveld teweegbrengt: het spanningsveld tussen geloven en weten. Geloven dat God bestaat, dat er iets is, dat we kunnen verrijzen of geloven dat er niets is, of dat alles stellig weten: dat God bestaat of dat er niets is.

Kunnen de twee vreemde, bij de haren getrokken lezingen van vandaag ons helpen, in onze spirituele pijn maar ook om anderen te helpen innerlijke ruimte te vinden? In zekere zin tonen de twee lezingen twee uitersten van dat spanningsveld van geloven en weten : de Makkabeeën in de eerste lezing zeggen: er is zeker leven na de dood voor de rechtvaardigen, de juisten; de Sadduceeën in het evangelie zeggen: neen, er is geen leven na de dood, dat is een belachelijk idee. Beide houdingen vertonen een spirituele kramp. Jezus valt noch met de ene noch met de andere houding samen. Hij zit ergens tussen die twee spanningspolen in met een bevrijdende houding. Laten we dat even expliciteren.



Ik geloof wat de traditie (moeder) mij voorhoudt: ik ben zeker van de verrijzenis

In de eerste lezing laten de zeven broers zich martelen en doden omdat ze niet willen varkensvlees eten, iets waartoe de koning hen wil dwingen. Ze zijn onwaarschijnlijk en onmenselijk zeker van hun gelijk en het ongelijk van de ander: ‘Voor u zal er geen verrijzenis zijn tot een nieuw leven’. Ze zijn zeker van hun geloof in de verrijzenis – er is zeker leven na de dood voor de rechtvaardigen. Ze hebben een houvast: de wet van de voorvaderen: ‘We sterven liever dan de wet van onze voorvaderen te overtreden.’ Ook de moeder speelt een grote rol. Er staat wat verderop dat ze haar vrouwelijke gevoeligheid hardt met mannelijke moed, zeggend: “Hij zal jullie in zijn barmhartigheid de levensadem teruggeven, omdat jullie omwille van zijn wet jezelf nu niet spaart.”  De zonen vallen samen met de tradities en symbolen van hun religie, bijvoorbeeld geen varkensvlees eten.  

Spontaan komt de vraag op: zou ik ooit voor iets analoogs mijn leven geven? Gaat het daar werkelijk over religie, en zo ja, wat is dan de zin van die religie? Of gaat het over identiteit: wie ben ik? In 2 Makkabeeën met name de strijd tussen Griekse  en joodse godsdienst/levenswijze, levensregels. Hoeveel verschilt dit van de zelfmoordterroristen die – zeker van hun gelijk en van het loon in het hiernamaals – zich laten ontploffen?

Wat rustiger en dichter bij huis denk ik aan een aantal jongeren die zich in deze tijd religieus profileren vanuit een nood aan identiteit en daardoor veel belang lijken te hechten aan specifieke symbolen, aan correct uitgevoerde rituelen.

Je voelt de kramp. Jammer genoeg voelde ik dat precies deze week ook bij mijn medebroeder de paus als er een ‘nooit’ komt mbt vrouwelijke priesters, met verwijzing naar de wet van de voorvaderen, met name paus Johannes Paulus II.



Ik weet het zeker: er is niets na de dood, er is geen verrijzenis

In het evangelie zijn de Sadduceeën zo zeker van de onmogelijkheid van de verrijzenis – er is geen leven na de dood - dat ze er de draak mee steken en de lachwekkende consequenties ervan denken te moeten blootleggen. ‘Van welke van de zeven broers zal de vrouw de echtgenote zijn na de verrijzenis?’ Ze klampen zich vast aan de rationele onmogelijkheid of onwaarschijnlijkheid. Het lijken wel de Etienne Vermeerschen van Jezus’ tijd. Ze menen dat ze dit onnozel en onmogelijk geloof aan de kaak moeten stellen en doen dit met onverdroten ijver.

Er is niets na de dood want: 1) er kan geen onderkomen bestaan van miljarden overleden mensen/zielen; 2) er bestaat geen onsterfelijke ziel, het menselijke bewustzijn is gebonden aan hersenfuncties die stoppen bij het overlijden; 3) het geloof in een voortbestaan is een typisch staaltje van zelfoverschatting van de omhooggevallen aap die zichzelf ‘mens’ noemt.



Posities vanuit meer innerlijke ruimte

Makkabeeën en Sadduceeën. Beide standpunten benauwen: beide zijn al te zelfzeker, maken wel indruk, maar spreken niet van geloof, hoop en liefde. Dat noemen we spirituele pijn. Vaak wordt er geroepen bij deze extreme standpunten: Criez fort, argument faible, noteerde een jezuïet bij iets wat hij niet kon argumenteren. Er zit geen ‘spel’ op.  Het ‘spel’ van: ‘Misschien… ik hoop dat er wat is…, ik hoop vader terug te zien…’ Dat ‘spel’ maakt leven mogelijk.

In het spanningsveld tussen het krampachtig geloof van ‘Ik houd mij volledig vast aan de traditie, aan de voorouders’ en het krampachtig weten ‘Er is niets na de dood’  zijn een aantal tussenposities mogelijk tussen weten en geloven:

Het agnosticisme bijvoorbeeld: ‘Je kan het gewoon niet weten of God of hiernamaals bestaan’. De consequentie is meestal dat er praktisch van uitgegaan wordt dat er niets is (ongeloof). Zo iemand houdt nog sterk vast aan datgene wat we met zekerheid kunnen kennen/weten.

Een beetje anders is de veel verbreide houding: ‘Misschien is er iets.’ Deze visie benadrukt ook dat je in dit soort kwesties geen zekerheid kunt krijgen maar concludeert daaruit dat je alles open moet houden.

Nog anderen zeggen: ieder mens moet zijn eigen persoonlijk antwoord vinden, datgenen wat bij hem of haar past. Niets of niemand kan een antwoord vinden voor een ander. Niemand heeft de waarheid in pacht. Deze positie kiest voor de pool van het ‘geloven’ en legt het criterium bij het individu. Misschien komt de positie van Jezus wel in die buurt, zij het vanuit de joodse traditie. Het mooiste bewijs van die eigen interpretatie  is wel dat er een andere godsdienst is uit ontstaan: het christendom.

Jezus’ positie?

Jezus’ positie valt niet samen met die van de Makkabeeën, ook al geloven ze allebei in de verrijzenis. Jezus voorspelt inderdaad drie keer dat Hij zal lijden, gedood worden én drie dagen later zal verrijzen. Maar de Makkabeeën gaan zelfverzekerd en zonder te twijfelen hun marteldood tegemoet. Ze zijn bereid te sterven, liever dan de wetten van hun voorvaderen te overtreden. Bij Jezus’ lijden en sterven daarentegen horen we gekende uitdrukkingen als “Laat deze kelk aan mij voorbijgaan…” en “Waarom hebt Gij mij verlaten?” Ze spreken van vrees en vertwijfeling.  Twijfelen mogen overigens ook de leerlingen. Denk aan Thomas, denk aan de twijfel in alle verschijningsverhalen.

Jezus ‘verdedigt’ de verrijzenis door de traditie op eigen-zinnige manier te interpreteren.

Enerzijds wijst hij erop dat er in het hiernamaals een andere logica bestaat dan in het hiernumaals. Zij die ‘deel krijgen aan de andere wereld’ huwen niet meer. Dit wordt tussen haakjes ook geïllustreerd door de ons zeer bekende huwelijksbelofteformule ‘Tot de dood ons scheidt’! U bent maar getrouwd tot aan de dood. Voor de enen is dat een verlossende gedachte, voor de anderen een pijnlijke of zelfs choquerende omdat hun band zo diep en hecht is dat ze over de dood heen lijkt te reiken - misschien dat sommigen daarom nu samen & gelijktijdig willen sterven. Maar de schok ‘Tot de dood ons scheidt’ herinnert aan het totaal anders zijn van een ander leven.

Anderzijds put Jezus zijn geloof in de verrijzenis uit een eigen interpretatie van de Brandende Braamstruik: daar spreekt de heer tot Mozes: “Ik ben… -  de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob”. De God van Mozes’ traditie komt als het ware in de ervaring van de brandende braamstruik tot leven. Een cruciaal moment. Het is de eerste keer in het Exodusverhaal dat God ‘spreekt’ tot de grote Mozes. De God die Mozes kende van horen zeggen, de God van de dode letter, komt tot leven, ‘verrijst’. Misschien besluit Jezus daarom dat God het daar heeft over levenden, niet over doden. Maar het is in elk geval een eigen interpretatie van de wortel van zijn jodengeloof. Mag iedere christen dat ook niet voor zover zijn interpretatie van de traditie leven verwekt midden de dood, ontspanning midden de benauwenis van de bestaanspijn?

Ik besluit. De vragen rond onze eindigheid kunnen spirituele pijn veroorzaken, ons benauwen. Een krampachtig geloof in de verrijzenis noch een schreeuwerig weten dat er niets is, geven ons innerlijke ruimte. Jezus’ eigen-zinnige houding daarentegen wel. Daarin is plaats voor twijfel én geloof.

zondag 7 augustus 2016

De zeeschildpadden van Zakynthos en het evangelie


HOMILIE gegeven op 20 juli 2016 tijdens de Geestelijke Oefeningen te Drongen:




[1] Weer begon Hij aan het meer onderricht te geven. En er stroomde zo’n grote menigte bij Hem samen, dat Hij in een boot ging zitten op het water, terwijl al het volk langs het meer op de kant stond. [2] Hij gaf hun uitvoerig onderricht door middel van gelijkenissen. Hij zei: [3] ‘Luister! Een zaaier ging het land op om te zaaien. [4] Bij het zaaien viel er een deel op het pad, en de vogels kwamen het opeten. [5] Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepe grond had. [6] Toen de zon opkwam, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het. [7] Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het, en het leverde geen vrucht op. [8] De rest viel in goede aarde; het kwam op, groeide uit, en het leverde vrucht op; de opbrengst was dertig-, zestig-, ja honderdvoudig.’ [9] Hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.’

 

De zeeschildpadden van Zakynthos

In de maand april heb ik iets gedaan wat ik sinds mensenheugenis niet meer gedaan had: een week vakantie genomen, en wel op het Griekse eiland Zakynthos. Ik ging er samen met mijn medebroeder en huisgenoot Jacques naartoe. Wat ik onder andere onthoud waren de baaien waarin ik gezwommen heb en de caretta-caretta reuze-zeeschildpadden (een meter lang) die daar soms ook in zwemmen.

‘Iedere zomer, vanaf half mei tot eind augustus, komen honderden vrouwtjesschildpadden hun eieren leggen. Het gekke van het verhaal is dat al deze 'vrouwtjes' terugkomen naar de plek waar ze ongeveer 26 jaar daarvoor geboren zijn, om de eieren te leggen! Dat is iets wat je als mens haast niet kunt bevatten, want hoe weten zij zo precies waar zij geboren zijn?! Elke vrouwtjesschildpad keert op een nacht terug en legt ongeveer honderdtwintig eieren. Een paar weken later doet ze het nog eens. Deze eieren worden door de schildpadden in het zand begraven waar ze zestig dagen blijven liggen, onder de warmte van de zon, voor ze uitkomen.

(Deze kleine schildpadden moeten nu zelf zien te overleven, en op eigen kracht de zee zien te bereiken. Dit is van levensbelang, want ze trainen zo hun spieren en de longen beginnen dan te werken. Iemand die denkt te helpen door het kleine schildpadje zelf naar de zee zelf te brengen, helpt juist niet, in tegendeel, hij zorgt voor de vroege dood van de kleintjes.)

Van de duizend uitgekomen eieren, komt er maar 1 schildpad na 26 jaar terug om eieren te leggen…’ Wat een overvloed, wat een verspilling in de schepping…

En zo zijn er enorm veel gevallen in de natuur: de aarde stelt op zich bijna niets voor in het universum, wat zeg ik in al die universa – naar men zegt. Je kan je het niet voorstellen. Ook ons menselijk lichaam heeft zijn overvloeden: organen hebben vaak een enorme reserve aan cellen…

De zaaier van het zaad

Daar moest ik aan denken bij dit evangelie van de zaaier, dat ons ook naar de oever van water brengt. Jezus  spreekt in gelijkenissen over het Rijk Gods en over God vanuit een bootje.

We kennen de gelijkenis van de zaaier en het zaad. Misschien zijn we geneigd om elke van die categorieën in ons leven te kunnen terugvinden: waar zie ik in mij dat stuk weg of ondiepe grond, waar de distels, waar de goede grond in mij en de al dan niet vele vruchten?

Maar(, dacht ik deze keer,) hoe zou het nog zijn met de zaaier (die we niet meer zien als alles opschiet of niet opschiet)?

Hij zaait overvloedig. Niet efficiënt als je het vanuit modern management bekijkt. De zaaier is genereus, lijkt zich niet teveel zorgen te maken over het zaad dat valt op minder gunstige plekken.

Misschien zijn we dankbaar geworden voor de vruchten in ons leven. Maar misschien zijn we ook gevoelig geworden voor het gebaar, de steeds herhaalde gebaren van de zaaier? Voor zijn onvoorstelbaar gevarieerde zaaiactiviteit in elk van de mensen hier? Voor zijn aanhoudend werk (‘God gedraagt zich als iemand die zwoegt in de schepping’ zegt de Contemplatio ad amorem?

Het Rijk Gods ontstaat uit een kijk op de wereld (wereldbeeld) die niets vanzelfsprekend vindt, en alles van-God-sprekend: sprekend van God de Zaaier, de kwistige Zaaier, die zelf als het ware achter de opschietende vruchten uit het zicht verdwijnt. Maar van wie ik misschien de spreker, de luid-spreker wordt, moet worden.

Jezus heeft vanuit zijn Abba-ervaring dergelijk beeld van een genereuze God-zaaier voor ogen. Hij verspreidt dat beeld met zijn woord, zijn gelijkenissen die daden worden wanneer hij zelf zaad wordt dat gaat sterven. Wat een verspilling, wat een overvloed zoals in het gebaar van de vrouw die een kruikje nardusbalsem over Hem uitgiet. Maar wat een vruchten ook.

 

zondag 22 mei 2016

God is gemeenschap


Homilie gegeven voor de Universitaire Parochie van de KULeuven



op 22 mei 2016, Feest van de Drie-eenheid

 

Spr 8,22-31

Rom 5,1-5

 

Joh 16,12-15

 

Jezus zei tijdens zijn afscheidsrede: Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest derwaarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is.

 

 

God is gemeenschap

 

 

I. De grootste angst van de mens is allicht de angst om alleen gelaten te worden, om in de steek gelaten te worden, om niet gekend/erkend te zijn door een ander. "Het is niet goed dat de mens alleen blijft", staat er op de eerste bladzijden van de Bijbel. Het grootste verlangen van de mens is allicht om samen te zijn met een ander, om helemaal gekend en aanvaard te zijn door te ander en omgekeerd te kunnen delen in het leven van de ander, om te kunnen komen 'in de ander', in het lichaam, in de gedachten, de gevoelens, de vreemdheid, het werken en zwoegen van de ander. ‘Ik wil “erin komen”.’

 

In dat verlangen zit tegelijk dat ik mezelf blijf en zelfs meer word. Ik verlang in de ander te komen maar niet om erin op te gaan. Want als dat gebeurt, verlies ik mezelf, heb ik eigenlijk geen weet meer van dit samenzijn, kan ik niet meer genieten. Er kan een verlangen ontstaan om alles met elkaar te delen en tegelijk toch onderscheiden te blijven, zichzelf te zijn/worden. Een en toch onderscheiden.

 

Er is, met andere woorden, een enorm verlangen in de mens naar gemeenschap. We kunnen dan denken aan de gemeenschap met twee mensen, maar hetzelfde geldt op een andere manier voor een gemeenschap met meerderen bv. voor een gemeenschap van religieuzen, van gelovigen (Kerk-gemeenschap): je bent allen wel door hetzelfde bezield maar wat dat in het hart van elk lid van de gemeenschap eigenlijk betekent daar kom je zo maar nu en dan eens, met een glimp dan nog, bij. Maar dat verlangen is er wel om dichter te komen bij: wat houdt ons hier eigenlijk samen, wat is onze gemeenschap nu eigenlijk?

 

Of het nu om een gemeenschap met twee of met meerderen (hetzij als religieus, hetzij niet) gaat, als het echt gemeenschap is, zal die gemeenschap naar buiten willen treden, zal ze zich openen naar derden: naar een kind, naar hen die gemeenschap missen... Hoe mooi de intimiteit van een kleine gemeenschap ook kan zijn, ze zal haar eigen verlangen ontrouw zijn als ze op zichzelf gesloten blijft. Gemeenschap is geen symbiose, geen totale fusie, of kan toch nooit blijvend symbiotisch zijn. Neen, ze vloeit over naar anderen.

 

II. Ik geloof dat wij over deze dingen spreken wanneer wij in de christelijke traditie zeggen dat God drie-één is. Niet eenvoudig, maar ik probeer het. God is gemeenschap, samen-zijn, een andere verwoording van: God is liefde. De liefde bestaat immers in wederzijdse mededeling, zoals ook Ignatius het in zijn 'Beschouwing om tot liefde te komen' zegt. God is gemeenschap en waar echte gemeenschap is, daar is God. We zingen het soms: ’Ubi caritas et amor Deus ibi est’. In het Nederlands van onze liedbundel: ‘Waar vriendschap is en liefde, daar is God. ‘Daar is God’: niet alleen als ‘passant’, aanwezige (daar is God); neen, dat is God.

 

God is Vader, Zoon en Geest, zeggen we liturgisch. Ik denk dat de termen niet het belangrijkst zijn, we zouden in onze gendergevoelige tijd ook kunnen spreken van God als  ‘de Moeder, de Dochter en de heilige Fee’ zoals medebroeder Jacques het wel eens lachend uitdrukte thuis. Dat kan choqueren maar misschien slaat daarop de openingszin van Jezus vandaag: “Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.” Waarheid klinkt hier niet als een statisch gegeven, maar als een proces - een proces in een gemeenschap. We hoorden daarbij die merkwaardige zin: ‘De Geest zal niet uit zichzelf spreken maar spreken (‘zeggen’ in de recentste vertaling) al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen.’ Met andere woorden: de Geest heeft te maken met luisteren naar elkaar, naar wat gebeurt en onderscheiden waar het naartoe gaat.

 

Het belangrijkste is dus mijns inziens niet de terminologie (vader-moeder, zoon-dochter, geest-fee die cultuur- en tijdgebonden is) of het aantal termen zelfs (waarom drie, waarom geen zeven?). Belangrijker lijkt me dat de drievuldigheid het inzicht vertolkt dat God niet op te sluiten is in zijn hemel maar gemeenschap wil met ons. God is mens geworden, neemt onze realiteit ernstig, hij heeft te maken met uitwisseling. Dat klinkt in de taal die Johannes gebruikt: al wat de Vader heeft is het mijne, zegt Jezus (o.a.) in zijn afscheidsrede, en de Geest zal u verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. De Geest van deze, onze gemeenschap (die niet uit zichzelf spreekt maar ‘alleen’ zegt al wat Hij hoort…) zal duiden wat Het Woord in de Blijde Boodschap nu en in de toekomst kan betekenen.

 

Als wij over de drie-eenheid spreken, spreken wij dus niet over hoe God op zichzelf is, gescheiden van ons. Hoe zouden wij daarover trouwens kunnen spreken? Wat zouden wij daarvan weten? Neen, wat wij zeggen over God, is precies maar mogelijk omdat Hij gemeenschap is en zich mededeelt: in de historische figuur van Jezus Christus, in wie wij zogezegd alles weten over God - wie Mij ziet, ziet de Vader. God deelt zich mede in Jezus, maar natuurlijk ook in al die mannen én vrouwen van goede wil die geweten of ongeweten delen in die gemeenschappelijke Geest, ondermeer hier in deze gemeenschap.

 

En tegelijk hebben we het aanvoelen niets te weten: God blijft verborgen. Anders gezegd, wij zien in de zoon wel de vader - "'t is helemaal zijn vader", of zoals een theoloog het mooi uitdrukte: “het Woord is sprekend zijn vader” - maar wij zien de Vader niet. Dat behoedt ons ervoor te pretenderen dat wij exact weten wie God is.

 

III. Het gaat in de richting van: God is gemeenschap, de mens is gemeenschap. Maar het is een doorkruiste gemeenschap.

 

Wij zien die mooie gemeenschap feitelijk vaak niet. Dat drukken we uit met woorden als: ‘In den beginne was de gemeenschap (ook in God zelf volgens het verhaal van het boek Spreuken)...’, in beginsel, in principe, in ons oerverlangen, ‘in your dreams’ is er gemeenschap, maar vaak is die niet te zien. De gemeenschap van koppels, van het gezin, de gemeenschap van religieuzen, de kerkgemeenschap, de Belgische gemeenschappen, de Europese gemeenschap, de wereldgemeenschap, zij worden doorkruist door onenigheid, door geweld en haat, door onbegrip, door miskende verwachtingen etc De weg naar echte gemeenschap is een lijdensweg: er is niet alleen lust maar ook last.

 

Ook dat heeft God met ons gedeeld. Hij heeft zichzelf overgeleverd aan de dwalingen van de menselijke vrijheid, want zonder vrijheid is er geen echte gemeenschap mogelijk. Daardoor heeft God zichzelf als het ware in gevaar gebracht: "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Deze zin van de Mensenzoon, de Zoon, is door zoveel mensen en volkeren in oneindige variaties herhaald.

 

Wij blijven verlangen naar, hopen op echte gemeenschap. Als wij spreken over drie-eenheid spreken wij uit dat dit verlangen gegrond is. Zoals Paulus het zegt tot de Romeinen, en nu tot ons: "En de hoop wordt niet teleurgesteld want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken." Die hoop drukken we uit telkens we hier samenkomen in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest.

 

 

maandag 18 april 2016

In de geeuwen der geeuwen Amen?

Homilie voor de Universitaire Parochie van KULeuven

4° zondag na Pasen van het C-jaar 2016, 16 en 17 april

Het (g)eeuwig leven?

Hand. 13, 14.43-52
Apok. 7,9.14b-17
Joh 10,27-30

Een van de thema’s die de drie lezingen van vandaag verbinden is het eeuwig leven. Ik citeer uit de lezingen van vandaag:

Paulus tot de joden in Antiochië:
‘Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden,  maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen.’ (…) Toen de heidenen dit hoorden waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan.

Johannes ziet in de lezing die men vandaag als tweede lezing kan nemen uit de Apocalyps, in een visioen een geweldige menigte. Een van de oudsten zegt hem:
‘Dit zijn degenen die komen uit de grote verdrukking…. Daarom staan zij voor de troon van God…Zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen – beeld dat we kennen uit het lied Hoe ver te gaan en of er wegen zijn - , want het Lam (… - cf. evangelie: beeld van de herder!) zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.’

Dezelfde Johannes (toch volgens de traditie) laat Jezus in zijn evangelie tot zijn leerlingen zeggen:
‘Ik geef mijn schapen eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan.’

Het eeuwig leven, de opstanding der doden is zeker niet vanzelfsprekend in deze tijd, zeker niet sinds de twintigste eeuw met zijn ‘meesters van de twijfel’ zoals Freud, Nietzsche, Camus en misschien vooral wijzelf als ‘meester van de twijfel’. Troost echter: ook in de eerste eeuwen van het christendom was het eeuwig leven niet vanzelfsprekend. Onder de joden waren er duidelijke meningsverschillen over. Pas in de laatste eeuwen voor Christus begonnen sommige Joden in de verrijzenis te geloven (Farizeeën; Sadduceeën niet). Paulus, die we aan het woord hoorden in de Handelingen, spreekt enkele hoofdstukken verder tot de Grieken in Athene over de opstanding. ‘Toen zij hoorden over opstanding van de doden, dreven sommigen daar de spot mee, andere zeiden ‘Daar willen we het een andere keer nog eens over hebben.’ Enkele mensen sloten zich bij hem aan en kwamen tot geloof.’ (Hnd 17,32-34a).

Kijkend naar onze eigen ervaring, en van daaruit ook naar die van Johannes willen we heel gebrekkig iets proberen te zeggen.

Laat mij beginnen bij het laatste woord van Johannes in deze passage, dat mij de essentie lijkt: ‘Ik en de Vader wij zijn één. Wat Jezus hier zegt over de Vader en de Zoon, dat geloven wij in navolging van Jezus: ‘Wij zullen samen zijn bij God en in God, “gemeenschap hebben”.’ En het zal goed zijn. Hoe het zal zijn? Dat weten we niet. Als mens proberen we ons een voorstelling te maken van het onvoorstelbare. Bepaalde voorstellingen helpen ons, andere niet, of niet meer. Zo kan het goed zijn dat de plaatsvoorstelling hemel-vagevuur-hel ons niet meer helpt. Zo kan het zeker dat het ‘eeuwig leven’ als een oneindig leven in de tijd alleen maar verveling oproept: ‘in de geeuwen der geeuwen. Amen’. Om het met een evangelisch woord te zeggen: Als die voorstellingen je ergeren, ruk ze dan uit. En zo vormt misschien ook de uitdrukking ‘de verrijzenis van het lichaam’ een obstakel voor ons westerlingen die in ons hoofd toch zitten met het idee van de mens als een lichaam en een ziel, wat een Grieks denken is. Na de dood blijft de ziel over, en later wordt bij de opstanding als het ware het lichaam er weer bijgeplakt (zoals in de computer: knippen en ergens elders terug ‘plakken’). Dat is voor een joods denker… ‘zielig’. Voor een jood bestaat die tweedeling niet: een mens is een lichaam. En dus als er sprake is van opstanding van de mens, dan kan dat alleen als opstanding van het lichaam, van het vlees. Vandaar.

Maar van waaruit zou Johannes geloven in eeuwig leven? Johannes schrijft zoals elke evangelist zijn evangelie (en Apocalyps) vele jaren na de dood van Jezus. Hij schrijft vanuit de herinnering aan wat lang geleden in zijn jeugd gebeurd is – hij was erg jong – en vanuit een rouwproces. Welke ervaringen zouden hem verwezen hebben naar een ander/verder leven? En misschien kunnen wij ons daarin herkennen.

(1) De vriendschap en de herinnering aan die intimiteit

Johannes was de geliefde leerling. In de ontmoeting tussen twee geliefden schuilt iets van waarde dat beiden overstijgt, iets absoluuts. Er zijn momenten van korte, maar tijdloze, ‘eeuwige’ vreugde, van intens gevoelde verbondenheid. Die ander, zijn vreugde en verdriet, bestaan echter dan die van anderen. We willen ze vasthouden – verlangen naar eeuwigheid -  maar dat is onmogelijk. We zouden in die vreugde willen blijven, maar dat gaat niet in dit leven, want dan ‘blijven we erin’. Dan sterven we. Dit verwijst ons juist naar een verder leven.

 (2) Verruiming van de liefde in de rouw.

Door de geliefde niet vast te houden – of beter: anders vast te houden - kan er een ruimere dimensie van de liefde ontstaan. Johannes is zeker niet blijven vasthangen aan het beeld van de historische Jezus. Hij heeft Hem laten zijn in zich. Er is verandering in gekomen, verruiming, anders vasthouden.

We kunnen denken aan de vele woorden – hoofdstukken lang - die hij Jezus laat zeggen in de afscheidsrede. Johannes kan als het ware niet stoppen met afscheid te nemen. Enerzijds roept dit argwaan op: klopt hij het Jezus-gebeuren niet op? Dergelijke historische overdrijving’ is een risico.

Maar wat me vandaag treft is dat Johannes Jezus niet jaloers opsluit in de herinnering aan een vriendschap tussen hen beiden. Nee, het wordt iets ruimers, iets wat betekenis heeft voor vele anderen: Jezus wordt de herder die velen naar leven leidt. Jezus krijgt betekenis nu voor velen, en niet alleen in het verleden voor enkelen toen Hij er fysiek was. En daarom is volgens Johannes Jezus’ goede boodschap: ‘Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven.’ Johannes is uiteindelijk een van de vele geliefden – een tussen velen - die verbonden zijn, over de dood heen ook. Dit doet niets af aan de uniciteit van de intimiteit tussen Jezus en Johannes. En zo kunnen wij ook onze rouwprocessen beleven.

(3) Een derde aspect van de relatie roept het ‘eeuwig leven’ op, als het ware letterlijk: de schreeuw om gerechtigheid

Jezus, de vriend van Johannes, werd op een wrede manier geliquideerd. Maar Jezus was ‘maar’ een tussen velen. Zo zijn er de onnoembaar velen in de geschiedenis, er waren de verdwenen kinderen, nu de slachtoffers van de aanslagen - die vandaag nog herdacht worden in een mars tegen terreur en haat. De Standaard publiceerde onlangs de namen, foto’s en een korte levensbeschrijving van hen – dat raakte me, foto’s van mensen in hun gewone doen, mensen onderweg. Ergens is er een schreeuw om gerechtigheid. God kan toch niet toelaten dat deze unieke persoon, dit slachtoffer zonder kans op herstel wordt weggeveegd door laffe, blinde aanslagen bijvoorbeeld. En hoe kan dit niet ontaarden in een blijvende schreeuw om weerwraak? Er is het verlangen, de intuïtie: niets minder dan een wederopstanding van deze concrete, onschuldige dode kan rechtvaardig zijn.
Dat is wat Johannes lijkt te verwoorden in zijn apocalyptisch visioen: ‘Ik, Johannes, zag een geweldige menigte, die niemand tellen kon, …degenen die komen uit de grote verdrukking,, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam….het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven.’

De vriendschap, de verruiming van onze liefde in het rouwproces, de schreeuw om gerechtigheid verwijzen ons naar een ander, een eeuwig Leven.


Marc Desmet sj