zondag 22 mei 2016

God is gemeenschap


Homilie gegeven voor de Universitaire Parochie van de KULeuven



op 22 mei 2016, Feest van de Drie-eenheid

 

Spr 8,22-31

Rom 5,1-5

 

Joh 16,12-15

 

Jezus zei tijdens zijn afscheidsrede: Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest derwaarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet uit zichzelf spreken, maar spreken al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen. Hij zal mij verheerlijken, omdat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. Ik zei dat Hij aan u zal verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft, omdat al wat de Vader heeft het mijne is.

 

 

God is gemeenschap

 

 

I. De grootste angst van de mens is allicht de angst om alleen gelaten te worden, om in de steek gelaten te worden, om niet gekend/erkend te zijn door een ander. "Het is niet goed dat de mens alleen blijft", staat er op de eerste bladzijden van de Bijbel. Het grootste verlangen van de mens is allicht om samen te zijn met een ander, om helemaal gekend en aanvaard te zijn door te ander en omgekeerd te kunnen delen in het leven van de ander, om te kunnen komen 'in de ander', in het lichaam, in de gedachten, de gevoelens, de vreemdheid, het werken en zwoegen van de ander. ‘Ik wil “erin komen”.’

 

In dat verlangen zit tegelijk dat ik mezelf blijf en zelfs meer word. Ik verlang in de ander te komen maar niet om erin op te gaan. Want als dat gebeurt, verlies ik mezelf, heb ik eigenlijk geen weet meer van dit samenzijn, kan ik niet meer genieten. Er kan een verlangen ontstaan om alles met elkaar te delen en tegelijk toch onderscheiden te blijven, zichzelf te zijn/worden. Een en toch onderscheiden.

 

Er is, met andere woorden, een enorm verlangen in de mens naar gemeenschap. We kunnen dan denken aan de gemeenschap met twee mensen, maar hetzelfde geldt op een andere manier voor een gemeenschap met meerderen bv. voor een gemeenschap van religieuzen, van gelovigen (Kerk-gemeenschap): je bent allen wel door hetzelfde bezield maar wat dat in het hart van elk lid van de gemeenschap eigenlijk betekent daar kom je zo maar nu en dan eens, met een glimp dan nog, bij. Maar dat verlangen is er wel om dichter te komen bij: wat houdt ons hier eigenlijk samen, wat is onze gemeenschap nu eigenlijk?

 

Of het nu om een gemeenschap met twee of met meerderen (hetzij als religieus, hetzij niet) gaat, als het echt gemeenschap is, zal die gemeenschap naar buiten willen treden, zal ze zich openen naar derden: naar een kind, naar hen die gemeenschap missen... Hoe mooi de intimiteit van een kleine gemeenschap ook kan zijn, ze zal haar eigen verlangen ontrouw zijn als ze op zichzelf gesloten blijft. Gemeenschap is geen symbiose, geen totale fusie, of kan toch nooit blijvend symbiotisch zijn. Neen, ze vloeit over naar anderen.

 

II. Ik geloof dat wij over deze dingen spreken wanneer wij in de christelijke traditie zeggen dat God drie-één is. Niet eenvoudig, maar ik probeer het. God is gemeenschap, samen-zijn, een andere verwoording van: God is liefde. De liefde bestaat immers in wederzijdse mededeling, zoals ook Ignatius het in zijn 'Beschouwing om tot liefde te komen' zegt. God is gemeenschap en waar echte gemeenschap is, daar is God. We zingen het soms: ’Ubi caritas et amor Deus ibi est’. In het Nederlands van onze liedbundel: ‘Waar vriendschap is en liefde, daar is God. ‘Daar is God’: niet alleen als ‘passant’, aanwezige (daar is God); neen, dat is God.

 

God is Vader, Zoon en Geest, zeggen we liturgisch. Ik denk dat de termen niet het belangrijkst zijn, we zouden in onze gendergevoelige tijd ook kunnen spreken van God als  ‘de Moeder, de Dochter en de heilige Fee’ zoals medebroeder Jacques het wel eens lachend uitdrukte thuis. Dat kan choqueren maar misschien slaat daarop de openingszin van Jezus vandaag: “Nog veel heb ik u te zeggen, maar gij kunt het nu nog niet dragen. Wanneer Hij echter komt, de Geest der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen.” Waarheid klinkt hier niet als een statisch gegeven, maar als een proces - een proces in een gemeenschap. We hoorden daarbij die merkwaardige zin: ‘De Geest zal niet uit zichzelf spreken maar spreken (‘zeggen’ in de recentste vertaling) al wat Hij hoort en u de komende dingen aankondigen.’ Met andere woorden: de Geest heeft te maken met luisteren naar elkaar, naar wat gebeurt en onderscheiden waar het naartoe gaat.

 

Het belangrijkste is dus mijns inziens niet de terminologie (vader-moeder, zoon-dochter, geest-fee die cultuur- en tijdgebonden is) of het aantal termen zelfs (waarom drie, waarom geen zeven?). Belangrijker lijkt me dat de drievuldigheid het inzicht vertolkt dat God niet op te sluiten is in zijn hemel maar gemeenschap wil met ons. God is mens geworden, neemt onze realiteit ernstig, hij heeft te maken met uitwisseling. Dat klinkt in de taal die Johannes gebruikt: al wat de Vader heeft is het mijne, zegt Jezus (o.a.) in zijn afscheidsrede, en de Geest zal u verkondigen wat Hij van Mij ontvangen heeft. De Geest van deze, onze gemeenschap (die niet uit zichzelf spreekt maar ‘alleen’ zegt al wat Hij hoort…) zal duiden wat Het Woord in de Blijde Boodschap nu en in de toekomst kan betekenen.

 

Als wij over de drie-eenheid spreken, spreken wij dus niet over hoe God op zichzelf is, gescheiden van ons. Hoe zouden wij daarover trouwens kunnen spreken? Wat zouden wij daarvan weten? Neen, wat wij zeggen over God, is precies maar mogelijk omdat Hij gemeenschap is en zich mededeelt: in de historische figuur van Jezus Christus, in wie wij zogezegd alles weten over God - wie Mij ziet, ziet de Vader. God deelt zich mede in Jezus, maar natuurlijk ook in al die mannen én vrouwen van goede wil die geweten of ongeweten delen in die gemeenschappelijke Geest, ondermeer hier in deze gemeenschap.

 

En tegelijk hebben we het aanvoelen niets te weten: God blijft verborgen. Anders gezegd, wij zien in de zoon wel de vader - "'t is helemaal zijn vader", of zoals een theoloog het mooi uitdrukte: “het Woord is sprekend zijn vader” - maar wij zien de Vader niet. Dat behoedt ons ervoor te pretenderen dat wij exact weten wie God is.

 

III. Het gaat in de richting van: God is gemeenschap, de mens is gemeenschap. Maar het is een doorkruiste gemeenschap.

 

Wij zien die mooie gemeenschap feitelijk vaak niet. Dat drukken we uit met woorden als: ‘In den beginne was de gemeenschap (ook in God zelf volgens het verhaal van het boek Spreuken)...’, in beginsel, in principe, in ons oerverlangen, ‘in your dreams’ is er gemeenschap, maar vaak is die niet te zien. De gemeenschap van koppels, van het gezin, de gemeenschap van religieuzen, de kerkgemeenschap, de Belgische gemeenschappen, de Europese gemeenschap, de wereldgemeenschap, zij worden doorkruist door onenigheid, door geweld en haat, door onbegrip, door miskende verwachtingen etc De weg naar echte gemeenschap is een lijdensweg: er is niet alleen lust maar ook last.

 

Ook dat heeft God met ons gedeeld. Hij heeft zichzelf overgeleverd aan de dwalingen van de menselijke vrijheid, want zonder vrijheid is er geen echte gemeenschap mogelijk. Daardoor heeft God zichzelf als het ware in gevaar gebracht: "Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Deze zin van de Mensenzoon, de Zoon, is door zoveel mensen en volkeren in oneindige variaties herhaald.

 

Wij blijven verlangen naar, hopen op echte gemeenschap. Als wij spreken over drie-eenheid spreken wij uit dat dit verlangen gegrond is. Zoals Paulus het zegt tot de Romeinen, en nu tot ons: "En de hoop wordt niet teleurgesteld want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken." Die hoop drukken we uit telkens we hier samenkomen in de naam van de Vader, de Zoon en de Geest.

 

 

maandag 18 april 2016

In de geeuwen der geeuwen Amen?

Homilie voor de Universitaire Parochie van KULeuven

4° zondag na Pasen van het C-jaar 2016, 16 en 17 april

Het (g)eeuwig leven?

Hand. 13, 14.43-52
Apok. 7,9.14b-17
Joh 10,27-30

Een van de thema’s die de drie lezingen van vandaag verbinden is het eeuwig leven. Ik citeer uit de lezingen van vandaag:

Paulus tot de joden in Antiochië:
‘Tot u moest wel het eerst het woord van God gesproken worden,  maar omdat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig keurt, daarom richten wij ons voortaan tot de heidenen.’ (…) Toen de heidenen dit hoorden waren zij verheugd en verheerlijkten het woord van God, en allen die tot het eeuwig leven waren voorbestemd namen het geloof aan.

Johannes ziet in de lezing die men vandaag als tweede lezing kan nemen uit de Apocalyps, in een visioen een geweldige menigte. Een van de oudsten zegt hem:
‘Dit zijn degenen die komen uit de grote verdrukking…. Daarom staan zij voor de troon van God…Zij zullen nooit meer honger of dorst lijden, geen zonnesteek of woestijngloed zal hen treffen – beeld dat we kennen uit het lied Hoe ver te gaan en of er wegen zijn - , want het Lam (… - cf. evangelie: beeld van de herder!) zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven en God zal alle tranen van hun ogen afwissen.’

Dezelfde Johannes (toch volgens de traditie) laat Jezus in zijn evangelie tot zijn leerlingen zeggen:
‘Ik geef mijn schapen eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan.’

Het eeuwig leven, de opstanding der doden is zeker niet vanzelfsprekend in deze tijd, zeker niet sinds de twintigste eeuw met zijn ‘meesters van de twijfel’ zoals Freud, Nietzsche, Camus en misschien vooral wijzelf als ‘meester van de twijfel’. Troost echter: ook in de eerste eeuwen van het christendom was het eeuwig leven niet vanzelfsprekend. Onder de joden waren er duidelijke meningsverschillen over. Pas in de laatste eeuwen voor Christus begonnen sommige Joden in de verrijzenis te geloven (Farizeeën; Sadduceeën niet). Paulus, die we aan het woord hoorden in de Handelingen, spreekt enkele hoofdstukken verder tot de Grieken in Athene over de opstanding. ‘Toen zij hoorden over opstanding van de doden, dreven sommigen daar de spot mee, andere zeiden ‘Daar willen we het een andere keer nog eens over hebben.’ Enkele mensen sloten zich bij hem aan en kwamen tot geloof.’ (Hnd 17,32-34a).

Kijkend naar onze eigen ervaring, en van daaruit ook naar die van Johannes willen we heel gebrekkig iets proberen te zeggen.

Laat mij beginnen bij het laatste woord van Johannes in deze passage, dat mij de essentie lijkt: ‘Ik en de Vader wij zijn één. Wat Jezus hier zegt over de Vader en de Zoon, dat geloven wij in navolging van Jezus: ‘Wij zullen samen zijn bij God en in God, “gemeenschap hebben”.’ En het zal goed zijn. Hoe het zal zijn? Dat weten we niet. Als mens proberen we ons een voorstelling te maken van het onvoorstelbare. Bepaalde voorstellingen helpen ons, andere niet, of niet meer. Zo kan het goed zijn dat de plaatsvoorstelling hemel-vagevuur-hel ons niet meer helpt. Zo kan het zeker dat het ‘eeuwig leven’ als een oneindig leven in de tijd alleen maar verveling oproept: ‘in de geeuwen der geeuwen. Amen’. Om het met een evangelisch woord te zeggen: Als die voorstellingen je ergeren, ruk ze dan uit. En zo vormt misschien ook de uitdrukking ‘de verrijzenis van het lichaam’ een obstakel voor ons westerlingen die in ons hoofd toch zitten met het idee van de mens als een lichaam en een ziel, wat een Grieks denken is. Na de dood blijft de ziel over, en later wordt bij de opstanding als het ware het lichaam er weer bijgeplakt (zoals in de computer: knippen en ergens elders terug ‘plakken’). Dat is voor een joods denker… ‘zielig’. Voor een jood bestaat die tweedeling niet: een mens is een lichaam. En dus als er sprake is van opstanding van de mens, dan kan dat alleen als opstanding van het lichaam, van het vlees. Vandaar.

Maar van waaruit zou Johannes geloven in eeuwig leven? Johannes schrijft zoals elke evangelist zijn evangelie (en Apocalyps) vele jaren na de dood van Jezus. Hij schrijft vanuit de herinnering aan wat lang geleden in zijn jeugd gebeurd is – hij was erg jong – en vanuit een rouwproces. Welke ervaringen zouden hem verwezen hebben naar een ander/verder leven? En misschien kunnen wij ons daarin herkennen.

(1) De vriendschap en de herinnering aan die intimiteit

Johannes was de geliefde leerling. In de ontmoeting tussen twee geliefden schuilt iets van waarde dat beiden overstijgt, iets absoluuts. Er zijn momenten van korte, maar tijdloze, ‘eeuwige’ vreugde, van intens gevoelde verbondenheid. Die ander, zijn vreugde en verdriet, bestaan echter dan die van anderen. We willen ze vasthouden – verlangen naar eeuwigheid -  maar dat is onmogelijk. We zouden in die vreugde willen blijven, maar dat gaat niet in dit leven, want dan ‘blijven we erin’. Dan sterven we. Dit verwijst ons juist naar een verder leven.

 (2) Verruiming van de liefde in de rouw.

Door de geliefde niet vast te houden – of beter: anders vast te houden - kan er een ruimere dimensie van de liefde ontstaan. Johannes is zeker niet blijven vasthangen aan het beeld van de historische Jezus. Hij heeft Hem laten zijn in zich. Er is verandering in gekomen, verruiming, anders vasthouden.

We kunnen denken aan de vele woorden – hoofdstukken lang - die hij Jezus laat zeggen in de afscheidsrede. Johannes kan als het ware niet stoppen met afscheid te nemen. Enerzijds roept dit argwaan op: klopt hij het Jezus-gebeuren niet op? Dergelijke historische overdrijving’ is een risico.

Maar wat me vandaag treft is dat Johannes Jezus niet jaloers opsluit in de herinnering aan een vriendschap tussen hen beiden. Nee, het wordt iets ruimers, iets wat betekenis heeft voor vele anderen: Jezus wordt de herder die velen naar leven leidt. Jezus krijgt betekenis nu voor velen, en niet alleen in het verleden voor enkelen toen Hij er fysiek was. En daarom is volgens Johannes Jezus’ goede boodschap: ‘Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven.’ Johannes is uiteindelijk een van de vele geliefden – een tussen velen - die verbonden zijn, over de dood heen ook. Dit doet niets af aan de uniciteit van de intimiteit tussen Jezus en Johannes. En zo kunnen wij ook onze rouwprocessen beleven.

(3) Een derde aspect van de relatie roept het ‘eeuwig leven’ op, als het ware letterlijk: de schreeuw om gerechtigheid

Jezus, de vriend van Johannes, werd op een wrede manier geliquideerd. Maar Jezus was ‘maar’ een tussen velen. Zo zijn er de onnoembaar velen in de geschiedenis, er waren de verdwenen kinderen, nu de slachtoffers van de aanslagen - die vandaag nog herdacht worden in een mars tegen terreur en haat. De Standaard publiceerde onlangs de namen, foto’s en een korte levensbeschrijving van hen – dat raakte me, foto’s van mensen in hun gewone doen, mensen onderweg. Ergens is er een schreeuw om gerechtigheid. God kan toch niet toelaten dat deze unieke persoon, dit slachtoffer zonder kans op herstel wordt weggeveegd door laffe, blinde aanslagen bijvoorbeeld. En hoe kan dit niet ontaarden in een blijvende schreeuw om weerwraak? Er is het verlangen, de intuïtie: niets minder dan een wederopstanding van deze concrete, onschuldige dode kan rechtvaardig zijn.
Dat is wat Johannes lijkt te verwoorden in zijn apocalyptisch visioen: ‘Ik, Johannes, zag een geweldige menigte, die niemand tellen kon, …degenen die komen uit de grote verdrukking,, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam….het Lam in het midden van de troon zal hen weiden en voeren naar de waterbronnen van het leven.’

De vriendschap, de verruiming van onze liefde in het rouwproces, de schreeuw om gerechtigheid verwijzen ons naar een ander, een eeuwig Leven.


Marc Desmet sj

zondag 13 maart 2016

Jezus'omgang met onze neiging om te veroordelen





HOMILIE GEGEVEN VOOR DE UNIVERSITAIRE PAROCHIE LEUVEN
5° zondag van de veertigdagentijd C-jaar 2016, 12 en 13 maart


Johannes 8,1-11


De steniging van een overspelige vrouw kan allicht op een ver-van-mijn-bed show lijken. We leven immers niet in een fundamentalistische religieuze staat en de kans op steniging is onbestaande. Toch roept het verhaal voor mij directe associaties op, en niet noodzakelijk op seksueel vlak. Het zit immers in het algemeen diep in ons om iemand die lastig, storend, niet passend gedrag vertoont, te veroordelen. Onverbeterlijk lijken we daar wel in te zijn. Of heeft het juist niet alles met spiritualiteit te maken om deze neiging te herscheppen?


Spirituele pijn als spanningen die leiden tot een verenging van onze innerlijke ruimte

Ik moest onmiddellijk denken aan mijn team van de palliatieve eenheid en de wijze waarop we met geestelijke pijn proberen om te gaan. Waarover heb ik het? Eigenlijk gaat het dan over onze omgang met storende woorden en gedrag. Leren om minder moraliserend en veroordelend ernaar te kijken en die woorden en dat gedrag te begrijpen als een uitdrukking van geestelijke pijn. We zien terminale mensen die zich vastklampen aan de rol – bijvoorbeeld cafébaas – die ze hadden in hun leven tot dan toe en doen alsof ze  nog jaren gaan leven. Er is de zieke die exact om acht uur en exact op deze manier verzorgd wil worden. Een ander heeft verwijten naar de kerk, het ziekenhuis, de industrie die pollueert en ziekten veroorzaakt. In plaats van ze te zien als ontkennende of ambetante zieken proberen we ze te zien als mensen die lijden. Aan wat? Je zou kunnen zeggen aan een verenging van hun innerlijke ruimte.

Spirituele pijn heeft te maken met spanningen in de mens, ontstaan door bijvoorbeeld ziekte of vervolging allerhande, die leiden tot een soort verenging van onze innerlijke ruimte. De angst om te sterven verengt onze innerlijke wereld, brengt in een tunnel. En wat doe je dan? Als je de controle over je leven helemaal gaat verliezen door de dodo, probeer je nog te controleren wat je kan controleren: bijvoorbeeld het uur van verzorging. Vervelend maar begrijpelijk. Die spanningsvelden kennen en erkennen brengt weer relaxatie in de innerlijke verenging. Maar dat is niet gemakkelijk. Vanuit spanningen en niet willen veroordelen wil ik kijken naar dit evangelie.

Angst en spanning bij Jezus, de vrouw, de Farizeeën en Schriftgeleerden

‘Ook ik veroordeel u niet’ (‘oude egoo se katakrinoo’), zo eindigt deze evangeliepassage. U weet misschien dat deze passage uit het evangelie niet van de hand van Johannes zou zijn en dat ze op verschillende plaatsen voorkomt in manuscripten van de evangelies. De plaats waar ze nu staat, is nochtans betekenisvol omdat ze staat in een context van toenemende spanning ten aanzien van Jezus. Kort ervoor lezen we: 'Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.' We staan al voor de Goede Week, en daarom is deze lezing vandaag zeker gepast. Jezus is in Jeruzalem. Althans, overdag gaat hij naar de tempel. 's Nachts trekt hij buiten de stad, o.a. naar de Olijfberg. Uit veiligheidsoverwegingen. Johannes spreekt niet over angst , maar onuitgesproken angst kan des te sterker zijn. Een beetje na deze passage lezen we tot twee maal toe: 'Het scheelde niet veel of ze hadden Hem gestenigd…'

Er is spanning, misschien angst bij Jezus. Maar zeker bij deze jonge, blijkbaar verloofde overspelige vrouw. Gehuwde overspelige vrouwen werden immers gewurgd. Verloofde overspelige vrouwen werden gestenigd. Ze is zo angstig dat ze bijna niets zegt. Haar enige woorden zullen zijn: 'Neen, niemand…' op de vraag ‘Heeft niemand u veroordeeld?'

Zijn de Schriftgeleerden en Farizeeën ook niet angstig? Lijden zij ook niet geestelijk? Angst voor Jezus' succes: 'Heel het volk stroomde naar Jezus toe', hoorden we. Angst en onzekerheid misschien omdat ze hun oordeel over hem zouden moeten veranderen. Is hun innerlijke ruimte niet verengd door hun zielloze opvatting van de Wet? Als Hij het toch eens bij het rechte eind had? Onzekerheid, innerlijke spanning die weggeduwd wordt in een poging om hem in een bepaalde hoek te kunnen duwen en hun eigen ideeën bevestigd te zien, om duidelijkheid en houvast te krijgen. Of was de overspelige partner misschien een van hen, van die Schriftgeleerden en/of farizeeën? Hoe hadden ze het overspel ontdekt?

Maar er is dus ook angst bij Jezus die hier geconfronteerd wordt met zijn eigen toekomstig lijden: ook hij zal ‘s morgens voor religieuze instanties gesleept worden, hij zal er ook zoals de vrouw alleen voor staan, hij zal ook zwijgen zoals de vrouw. Hij dreigt ook gestenigd te worden. Jezus wordt op de proef gesteld; zoals Hij in andere evangelies door de duivel op de proef wordt gesteld. Hij wordt bekoord om in de tegenaanval te gaan, om zich te verdedigen. Zoals wij in ons hoofd een razend discours houden tegen iemand: 'En als ik hem zie, dan zal het eens goed zeggen; en ik zal dit en dat zeggen…' Misschien wordt hij verleid om in de context van zijn succes bij het volk een 'definitief' oordeel te vellen. Jezus beleeft hier misschien wel zelf een 'crisis': het Griekse woord voor oordelen ('krinein') verwijst immers naar een crisis - welke weg gaat hij op als men Hem vraagt te (ver)oordelen? 'Mozes heeft ons in de wet voorgeschreven zulke vrouwen te stenigen. Hoe staat U daartegenover?' Zal Hij zich 'groot maken'?

Jezus’ reactie: zijn innerlijke ruimte opzoeken

Jezus bukt Zch. Hij gaat naar omlaag en naar binnen. Hij zoekt als het ware zijn ‘innerlijke ruimte’ op). Hij wacht op een oordeel dat niet 'van Hem alleen komt, maar van de Vader die Hem gezonden heeft.' Zoals enkele verzen na deze passage staat. Hij wacht op een in-geving, een innerlijke relaxatie, een echt woord. In ons team willen we bij heftige reacties proberen 30 seconden stil te vallen, de eerste reacties te laten wegvloeien en dan pas te spreken. Een bevrijdend woord in een moeilijk gesprek voelt vaak aan als een woord dat – na een stilte - uit het hart, uit de diepte komt – met oogcontact. Jezus ontvang zo’n woord. 'Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.' Merkwaardige zin.

Het is in zekere zin het enige woord dat Jezus geschreven heeft. Er zijn geen geschriften van hem, behalve dit in het zand. Weggevaagd, weggewaaid. The answer is blowing in the wind.

Dit gegeven woord is een oordeel dat geen antwoord is op de vraag naar haar schuld of naar het al dan niet terecht stenigen. Het is een woord dat de zaak verplaatst, die iedereen in beweging zet. Want het effect is dat uiteindelijk iedereen weg gaat, dat er letterlijk ruimte ontstaat waarin ieder naar de eigen innerlijke ruimte verwezen wordt. Het is een woord dat een volledig geblokkeerde situatie openbreekt. Het is een woord dat de anderen niet wil veranderen - 'Gij zoudt moeten, ge zoudt beter…' - en dat hen toch veranderen kan. Geen pretentieus woord. Voor en na dit woord bukt Jezus zich, kijkt naar de grond waarin hij schrijft. Als Jezus nadien opkijkt en vraagt aan de vrouw: 'Waar zijn ze?' is Hij misschien wel zelf verwonderd over het effect van dit woord dat hem gegeven is.

Een woord dat diepe ont-spanning, leven, betekent voor elkeen.

Leven voor degenen die de vraag stelden. Ze beschuldigden een overspelige vrouw, feitelijk om Jezus van iets te kunnen beschuldigen. ('Om te zien of ze een aanklacht tegen Hem konden indienen.') Maar nu worden ze naar zichzelf verwezen, en naar hun verantwoordelijkheid voor het leven van de gemeenschap want Jezus zegt ‘Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen…’. ‘Als eerste’: de steen is het begin van een collectieve daad: zo gaat dat met roddeldynamieken, met publieke terechtstellingen. De farizeeën en Schriftgeleerden worden uitgenodigd om een ander houvast te zoeken dan alleen een zich vastklampen aan de Wet; of te zien dat de Wet een weg ten leven wil zijn, niet ten dode.

Leven voor de vrouw. Fysisch leven: zij wordt niet gestenigd, wat normaal ging gebeuren. Maar er is meer. 'Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.' Jezus zegt niet wat ze moet doen. Zegt Hij niet eerder: Je mag leven. Je zit niet meer in de dodengang. Wijk nu niet meer af van je diepere verlangen.

Het is een woord van leven voor Jezus. Hij komt misschien wel zelf meer tot klaarheid over wat en wie in Hem leeft. De eerste woorden na deze passage zijn: 'Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.'


Wij worden in deze veertigdagentijd speciaal uitgenodigd om staande in onze unieke spanningsvelden deze weg naar binnen te gaan, om te luisteren naar het woord in ons dat klaarheid, diepe relaxatie en leven brengt.


Marc Desmet sj, 13 maart 2016


zondag 31 januari 2016

Niemand is profeet in zijn vaderstad


HOMILIE VIERDE ZONDAG VAN HET C-JAAR 31 JANUARI 2016

Jeremia 1,4-5.17-19 -1 Korinthiërs 12,31-13,13 – Lucas 4,21-30

Marc Desmet sj

Er is iets wat Lucas fascineert in het verhaal van Jezus, namelijk dat Jezus door zijn eigen volk verstoten wordt en dat dit de motor is geworden van de verspreiding van de goede boodschap. We horen het vandaag als het ware in miniatuur: namelijk hoe Jezus zijn dorpsgenoten van Nazaret ergert, zodanig zelfs dat ze hem in de afgrond willen storten. Niemand is profeet in zijn vaderstad. Hetzelfde gaat op het einde van het verhaal gebeuren, op grotere schaal: Jezus wordt weliswaar met halleluja ontvangen in Jeruzalem maar enkele dagen later wordt hij veroordeeld, onder impuls van diezelfde joodse gelovigen, geslagen en gekruisigd totterdood. Maar zoals Hij in Nazaret ontsnapt aan hen die Hem in de afgrond willen stoten: namelijk ‘tussen hen door ging en vertrok’, zo gaat Hij aan het graf ontsnappen en vertrekken naar andere oorden: naar Griekenland en Rome toe waar razendsnel christengemeenten ontstonden. Dat horen we in dat andere boek van Lucas: de Handelingen van de Apostelen.

Ik wil stilstaan bij dat mysterie van verstoting en vruchtbaarheid dat ook het onze kan zijn, in miniatuur of grootschaliger. En wel vanuit drie lagen van onze ervaring die Lytta Basset zo voortreffelijk heeft beschreven als lijden-zonder-de-ander, lijden-tegen-de-ander en lijden-met-de-ander. Het komt me voor dat de liturgist met de keuze van de drie lezingen die drie lagen bespeelt: de eerste lezing uit Jeremias vertolkt het lijden-zonder; het evangelie het lijden-tegen; de tweede lezing, die we niet hoorden, de overbekende hymne van de liefde uit de brief van Paulus aan de christenen van Korinthe, het lijden-met. Het samenzien van die drie lezingen plaatst het evangelie in een bemoedigend licht.

Jeremias of het lijden-zonder-de-ander

In de eerste lezing hoorden we Jeremia die over zijn roeping als profeet spreekt. Het kan gaan over elk van ons. Ik heb ‘roeping’ altijd de joodschristelijke manier gevonden om autonomie te beleven: elke mens is een uniek verhaal met een unieke bestemming; en in zekere zin kan je niet ontsnappen aan wie je van in de moederschoot bent.  ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’

Wat we niet hoorden was het antwoord van Jeremia – en vele jeremiades zullen volgen in die trant en zullen zijn lijden uitdrukken – ‘Ik riep: “Nee, Heer, JHWH! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong”.’  We hoorden wel het antwoord van God: ‘Ikzelf maak u heden tot een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land… Ze zullen u bestrijden, maar niets tegen u vermogen. Want ik ben bij u om u te redden.’ Met andere woorden: op een dramatische manier wordt de ervaring beschreven die we allemaal kunnen hebben: ons overkomt iets heel moeilijks, iets waar we ons eigenlijk heel alleen, heel persoonlijk aangesproken voelen. Niemand kan begrijpen wat het betekent om dit mee te maken (lijden-zonder-de-ander): de student die zijn examens moet doorworstelen, de moeder die worstelt met de problemen van haar kind, de persoon die zijn handicap moet dragen, de priester die worstelt met zijn roeping, de werknemer die door een  hels werkritme wordt vermorzeld als het ware. Maar in dat ‘drama’ kan men grote geestelijke krachten ontdekken. Meer dan men ooit van zichzelf had verwacht. Ze maken me tot ‘een versterkte stad’, zegt Jeremias. Die ontdekking is ergens positief maar houdt ook een risico in: niemand anders weet wat het betekent; ik ga het vanaf nu maar alleen doen, trouwens ik kan het alleen. Ik heb het al zolang moeten alleen doen. Je voelt ook in deze tijd het risico van een religieus fanatisme. Ik en mijn God tegen de slechte, onbegrijpende wereld. (Lijden-zonder) Een soort geestlijke  lonely woolf. Dat isolement is gevaarlijk. Alles is beter, zelfs ruzie maken.

Jezus in Nazaret of het lijden-tegen-de-ander

In het evangelie zien we die ruzie. Lijden-tegen-de-ander. Jezus, die als vrome jood Jeremias goed kent, heeft grote krachten ontdekt in de woestijn. Hij heeft gezegevierd over duivels en bekoringen. Hij heeft een God ontdekt die anders is dan men Hem heeft voorgesteld in zijn jeugd: ja, een god van liefde. Hij is een ander mens geworden voor een stuk. Hij vestigt zich als rabbi in Kafarnaüm en wordt geprezen voor zijn originele inzichten.

Maar dan komt hij  terug in Nazaret, zijn eigen kring, in de plaats vanwaar Hij komt, in zijn familie. Ze kennen Hem, denken Hem te kennen maar eigenlijk is Hij veranderd. Hij steigert ten opzichte van de verwachting: kom, toon eens wat je ontdekt hebt, wat je aan krachten ontwikkeld hebt. Het komt tot een conflict en het rare is dat je de indruk krijgt dat Jezus dat conflict zelf zoekt. We horen het trouwens ook in andere reacties van Jezus zoals ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broeder?’ En tegen zijn moeder in Kana: ‘Vrouw, wat heb ik met jou te maken? (Is dat soms uw zaak?)’ Zijn verwanten vinden overigens op een bepaald moment dat hij niet meer bij zijn verstand was (Mc 3,21). Eigenlijk is Jezus soms een beetje onuitstaanbaar, soms een ettertje. Jezus provoceert echt in de lezing van vandaag: ‘Ge verwacht iets speciaals van mij? Ik ga het zeker niet doen. Trouwens, anderen zoals Elia en Elisa werden ook niet naar het eigen volk gezonden, maar naar de heidenen.’  Het is literaire overdrijving van Lucas, maar evoceert het toch ook niet iets van de realiteit van onze intieme en familiale relaties? Ik heb als arts ook de neiging om als iemand in huis zegt: ik heb keelpijn, om te zeggen: Wel, dan moet ge eens naar een dokter gaan.

Was sich liebt, neckt sich. Geliefden nekken elkaar. De man die grote publieken aanspreekt, veel lof krijgt op zijn werk, kan soms niets goeds doen thuis, bij de intimi. ‘Jaja, ge kent de kleine kantjes niet van onze “grote man”. Ge moet er eens mee leven…’ Er is niet zo zelden een verschil, zelfs kloof tussen de publieke rol en de perceptie in intieme kring.  Een verpleegkundige van mijn team vertelde hoe iemand lovend tegen haar partner zei wat voor een vriendelijke vrouw ze wel was en hoe de partner reageerde: ‘Ik geloof dat ge het over een andere vrouw hebt…’ Datgene wat ik kan opbrengen aan geduld en ruimdenkendheid in mijn professioneel leven, kan ik helemaal niet in mijn privé-leven. Niemand is profeet in zijn vaderstad, in zijn gezin - ‘Niets zo moeilijk als familierelaties’, heb ik vaak gevonden.

Er kan zelfs een soort wederzijdse indruk van kwaadwilligheid ontstaan. ‘Dat zegt hij, precies omdat hij weet wat mijn zwakke plek is…’ En bestaat er niet iets analoogs ten aanzien van onze geestelijke familie, onze moeder de Heilige Kerk? Beleven vele goede en actieve gelovigen ook niet vaak ergernis ten aanzien van de Kerk die ons pest?

Ik wil deze fenomenen niet analyseren, ik stel ze vast. Als een dagelijks gegeven. Maar ook als een evangelisch gegeven dat Lucas vreemd genoeg benadrukt en ziet als noodzakelijk deel van de dynamiek van mens worden.

Paulus’ hymne aan de liefde of het lijden-met-de-ander

Waar kan dit toe leiden? Wel, de tweede lezing – die we niet hoorden maar die we allen kennen – verwoordt misschien waartoe we in onze betere momenten in staat zijn. Ik bedoel de fameuze hymne aan de liefde van Paulus, uit een brief aan een Griekse gemeenschap die ontstaan is dank zij de verstoting van Jezus door de Joden. We associëren die hymne vooral aan huwelijksvieringen, maar het kan ook anders.

‘Al heb ik de gave der profetie (zoals Jeremias en Jezus…), als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal….’

‘De liefde beeld zich niets in’; ze beeldt zich niets meer in. In onze betere momenten. Ze is realistisch (geworden),  in die zin helderziend.  Ze beeldt zich niet meer zomaar in dat de ander het kwaad met me voorheeft, maar ze beeldt zich ook niet meer in dat de ander een engel is.

‘De liefde laat zich niet kwaad maken’… niet meer. In onze betere momenten. (wat Jezus wel nog doet in het evangelie) en ze rekent het kwade niet aan (ze neemt geen wraak…). Ze verheugt zich niet over onrecht’. Ze verkneukel zich niet in onrecht (ken je dat gevoel?...) maar vindt haar vreugde in de waarheid…’

‘Alles verdraagt ze…alles duldt zij…’ Misschien is het conflict meer ‘la tendre guerre’ geworden, zou Brel zingen. Zo is in het relaties, zo kan het zijn in de Kerk. Kortom, drie lagen zitten in ons:

Jeremias of het lijden-zonder-de-ander: de uniciteit van onze roeping en de ontdekking van de geestelijke kracht om ze uit te leven, met het risico het helemaal op ons eentje te willen wagen, in een soort misprijzen van de wereld die ons niet kan begrijpen

Jezus in Nazaret of het lijden-tegen-de-ander: de merkwaardige strijd met diegenen die behoren tot onze eigen kring en familie

Paulus aan de Korinthiërs of de liefde als authentiek lijden-met-de-ander dat alles draagt, zich niet kwaad laat maken. En die liefde is de grootste. Dat ervaren we. Soms.

woensdag 28 oktober 2015

Interview om KLARA Allerheiligen 10 tot 11 uur

Op 15 september vertrok mijn boek naar de boekhandel: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'. Na een maand waren we aan een tweede druk toe.


Nu zondag Allerheiligen is er op KLARA tussen 10 en 11 in de ochtend een interview door Pat Donnez met mij. Het programma heet 'Berg en dal'. Een uur lang (een eeuwigheid in medialand). De aanleiding is het boek, maar het gesprek gaat een stuk breder.

maandag 14 september 2015

Mijn nieuw boek is uit: Euthanasie: waarom niet?



Op 15 september is mijn boek naar de boekhandel vertrokken: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'


Hier een link met you tube waar het boek heel kort voorstel:https://www.youtube.com/watch?v=rYfiLhIdl_4




Hier de covertekst:


‘Er ontbreekt iets essentieels in het


maatschappelijk debat over euthanasie: nuance.’


Dat is de basisstelling van Marc Desmet,


meer dan twintig jaar actief als palliatieve-zorgarts.



Euthanasie: waarom niet? probeert die nuances onder woorden
te brengen. Ja, waaróm niet? Euthanasie moet in bepaalde
lijdenssituaties kunnen.


En tegelijkertijd, waarom níét?
De praktijk leert dat euthanasie niet vanzelfsprekend blijft.
Niet voor de zieke, die afhankelijk is van een goed luisterende arts.
Niet voor naasten, die alles soms erg verschillend beleven.
Niet voor artsen.


En er is nog een betrokkene: onze maatschappij.
Leven we te lang? Weten we geen weg meer met lijden? Of willen
we economisch niet tot het uiterste gaan in de zorg?



Zo veel vragen en vaak zo weinig genuanceerde antwoorden die
de mediawaan van de dag overstijgen. Marc Desmet wil recht doen
aan de complexiteit van de lijdensbeëindiging, met verhalen
uit zijn euthanasiebegeleidingen,
voorbij de simpele tegenstelling.



Dit boek wil vooral doen nadenken. Op zoek naar praktische
wijsheid die ook durft te zeggen: je sais que je ne sais pas.


Indien u het interview met mij in De Standaard over het boek wil lezen:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20150911_01862191



maandag 20 april 2015

Wat betekent opstanding eigenlijk? Over zwaarte-kracht.

Op zondag 19 april 2015 (3°  zondag van de Paastijd B-jaar ) hield ik voor de Universitaire parochie van Leuven de volgende homilie





Lucas 24,35-48.

[35] De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.
     [36] Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ [37] Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. [38] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? [39] Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ [40] Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. [41] Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ [42] Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. [43] Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. [44] Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ [45] Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. [46] Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, [47] en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.

Een vermeende zelfdoding

Op paaszaterdag kreeg ik een telefoontje dat een studievriend zich had gezelfdood. Ik had hem enkele weken voordien nog ontmoet. Op Pasen raapten een collega-vriendin en ikzelf al onze moed samen om de weduwe te bezoeken. ‘Nu zeggen ze al dat hij dood is’,  zei de vrouw. Hij was dus niet dood. Hij was opgenomen in een ziekenhuis. Ik was zo verbouwereerd dat ik de eerste minuten niets kon onthouden van het relaas van de vrouw. Ik was verbijsterd. ‘Ik kon het van vreugde en verbazing bijna niet geloven…’ Het was misschien een klein smaakje van wat de leerlingen lijken te ervaren wanneer ze Jezus terug zagen.

Hoewel… iemand die alleen vermeend dood was, toch levend terugzien, dat gaat nog, maar ‘een dode – ja, morsdood – die niet dood is’ terug zien verschijnen wie gelooft dat nu? Als we in het credo belijden dat ‘Jezus nedergedaald is ter helle’ bedoelen we in de eerste plaats dat Jezus werkelijk morsdood was, dat hij bij de doden was. Totaal machteloos. Welnu, de opstanding is de hoeksteen van het christelijk geloof, wordt gezegd. Maar tegelijk lijkt het het fragielste van dat geloof. Pasen brengt een blijere stemming, vreugde, al was het maar door het lenteweer, maar als we eerlijk zijn tegelijk misschien ook verbijstering, vertwijfeling: waar slaan die verschijningsverhalen op? Wat kunnen we ons daarbij voorstellen?

Het verschijningsverhaal heeft een bedrieglijke kant: het verschijnen van de Heer met het benadrukken van zijn lichamelijkheid – betast mijn handen en voeten, geen geest maar een betastbaar mens die eet, spreekt en Schriftuitleg verschaft – zet ons in deze tijd op het verkeerde, modern-wetenschappelijke been. Verrijzenis  gaat niet over de reanimatie van een lijk, zoals bij Lazarus of zoals bij het dochtertje van Jaïrus waar Jezus bij leven en welzijn twee keer te laat kwam en de gestorvene toch tot leven riep. Wij weten in onze tijd, met onze wetenschap, dat dit niet gebeurt. En al zou het ooit eenmaal bij wonder gebeurd zijn met Jezus van Nazaret, wat verandert dit aan ons leven? Fijn voor Hem, maar wat met mij en mijn (overleden) geliefden? Neen, het gaat niet over dergelijke reanimatie die de doden weer onder de levenden terugbrengt. De tekst doet Jezus immers ook zeggen: “Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was…” Hij is dus niet meer bij hen, toch niet op die manier.

In de vier verzen die volgen op onze lezing van vandaag, de laatste vier van het Lucasevangelie, gaat Hij dan ook verdwijnen, ‘opgenomen worden ten hemel’. Na de woorden: ‘Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.’ En dàt lijkt het onmiskenbare historische feit te zijn: dat de leerlingen die Hem gekend hadden na Zijn dood kracht gingen ervaren die ze associeerden met leven en sterven van Jezus van Nazaret. In feite jaren, misschien tientallen jaren na zijn overlijden. Maar er gebeurde onmiskenbaar iets. Onrechtstreeks merkten ze dat Hij leefde, hoewel de mens Jezus mors-dood – dubbel dood – was. Ze hadden Hem immers zelf van het kruis gehaald, zijn lichaam gebalsemd en begraven. Toch associeerden ze die kracht met Hem. Zoals een gedode Romero ons kan inspireren – jaren later, en in beslist heel andere omstandigheden dan die van zijn El Salvador.

Dat laatste aspect voert ons naar iets essentieels in de opstanding. Wat er uit groeide was iets dat er helemaal anders ging uit zien dan een joodse rabbi met wat volgelingen in een specifieke Palestijnse cultuur. Er ontstaat iets totaal anders – totaliter aliter – om te spreken met Paulus over opstanding. Hij heeft het dan over het hiernamaals, maar dat geldt m.i. ook voor het hiernumaals – en we kunnen enkel van hieruit spreken. Totaliter aliter: een spirituele Big Bang : een nieuwe liefdesschepping uit het zwarte gat van lijden en dood, heel en al uitdijend.  De grondlegger van dat oerknalidee was een Belgische priester-astronoom (Georges Lemaître). Om het bescheidener te zeggen: de boom (‘boom’) lijkt niet op het zaadje. De Kerk lijkt bijvoorbeeld helemaal niet op de rondtrekkende Jezus en zijn vriendenclub: wat hebben kathedralen, parochies, Vaticaan, sacramenten zoals we ze kennen, encyclieken etc er mee te maken? Toch kan ze er op haar best nog trekken van hebben, een ruimte zijn voor Zijn Geest en Kracht. Toch kan ze op haar best er een nieuwe schepping van zijn, maar blijvend herkenbaar als van Jezus Christus komend. Hoezo?

Hier zet het verschijningsverhaal ons dan toch weer op het juiste been: het christelijk verrijzenisgeloof voert ons niet naar de hemel maar naar de tastbare wereld toe. Dit ‘bedrieglijk’ verhaal dat op het eerste zicht ons ervan moet overtuigen dat de leerlingen Jezus in levende lijve hebben terug gezien geeft mij misschien vooral aan wat referentiepunten zijn in een echte opstandingsevolutie:

  1. “Vrede zij u” is het eerste woord: het gaat om vredesschepping; ook over ‘vrede’ als herkenning van de ‘binnenkomst’ van de Heer. En het laatste woord is vergeving.
  2. Er wordt gesproken en gegeten.
  3. Het gaat over concrete mensen, lichamen, geen geesten (geen hallucinaties), geen schimmen (zoals in de joodse sjeool), geen hersenschimmen
  4. Het gaat over diepmenselijke emoties: verbijstering en schrik; vreugde en verbazing
  5. Het gaat over de mens die lijdt: doornagelde handen een voeten als identificatie
  6. In dit alles  blijft de ‘oude’ Schrift oriënterend: de historische, de profetische, de wijsheidsboeken: zij worden ‘vervuld’ dwz ook omgezet in een nieuwe schepping
  7. En het gaat niet alleen over individuen, maar ook over volkeren die opgeroepen worden tot inkeer zodat ze vergeving krijgen
  8. Tenslotte: begin in Jeruzalem: te beginnen, maar daar zal het niet bij blijven. De ‘tak’, de boom zal er helemaal anders uitzien dan Jeruzalem. Dat is wat Lucas al ziet.

Het verhaal houdt ons in zijn naïviteit en eenvoud aan de grond. En oriënteert naar vrede en vergeving. Het gaat dus niet alleen om een ervaring van kracht. We zouden ons immers kunnen verbazen over de kracht die mensen doet meewerken aan totalitaire systemen zoals stalinisme en nazisme, maar ook zoals de Kerk zelf op zijn slechtst, religie op zijn ‘pseudoost’ zoals bij IS, Boco Haram etc., en ook ongebreideld marktisme. Ze spreken niet van vrede en vergeving. De herschepping in Christus betreft geen totalitarisme, maar iets totaliter aliter. De kiem van dat nieuwe wordt verteld in een verhaal van Jezus die leerlingen onderweg vervoegt. Jezus’ geest is heel reëel en concreet, zo reëel en concreet als een gezel(lin).

In zekere zin ‘Kan ik alleen woorden ontmoeten, U niet meer…’, zoals we vaak hier zingen met Gerrit Achterberg. Hoe laten we dit Woord ons hier vervoegen? En hoe zullen wij het Woord vervolgens (als werk-woord) vervoegen? Vervoegen we het in de onvoltooid verleden tijd of maken we er voor bepaalde interpretaties een voltooid verleden tijd van? We kunnen het Woord vervoegen in de tegenwoordige tijd: met oog voor wat nu gegeven wordt, the present time, het geschenk van het ogenblik, de blik in de ogen van de ander. We moeten het ook vervoegen in de toekomstige tijd, in de futur pas si simple.

Zwaarte-kracht

Pas si simple….want  ‘Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’ zegt Jezus aan de twee Emmaüsgangers, aanwezig in dit verhaal waar we opnieuw lezen: “Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften.” Blijkbaar moest Hij lijden en sterven. En wij zijn toch zijn volgelingen, tochtgenoten, aanhangers. Er is een onvermijdelijke  zwaarte in ons leven. Maar dat is tegelijk een/de zwaarte-kracht die ons aan de grond houdt, zodat we niet als een Icarus gaan opvliegen en neerstorten. De kracht die de leerlingen van Jezus, tot op vandaag, op wonderlijke wijze ervaren is een soort zwaarte-kracht: kracht ontstaan uit lijden en dood omwille van de liefde. We denken opnieuw aan onze bijna-huis-heilige: Romero.

Zwaartekracht doet me ook denken aan Simone Weil in ‘La pesanteur et la grâce . Ze zegt zoiets als: de wet van de zwaartekracht geldt niet alleen in fysica, maar ook analoog in psychologie en spiritualiteit. Alleen de genade onttrekt ons ‘soms even’ aan die zwaarte. ‘Alle natuurlijke bewegingen van de ziel worden gestuurd door wetten die analoog zijn aan die van de materiële zwaartekracht. Alleen de genade maakt de uitzondering.’ Met enige humor – een teken van verrijzenis – kunnen we ook zeggen dat de verliefdheid de uitzondering maakt. Op een affiche in een ziekenkamer las ik deze week een quote van Einstein: ‘Gravitation is not responsible for people falling in love’. Inderdaad, verliefdheid onttrekt ons aan de zwaarte, maar liefde kent zijn zwaarte. Wie die zwaarte(kracht) ontkent komt in de ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ terecht, zo hebben we in deze tijd (van Kundera) geleerd.

De eucharistie is de herinnering aan de zwaarte-kracht van Jezus Christus, ons zwaartepunt. De herijking op zijn genade houdt ons aan de grond.

 

Marc Desmet sj