zondag 13 maart 2016

Jezus'omgang met onze neiging om te veroordelen





HOMILIE GEGEVEN VOOR DE UNIVERSITAIRE PAROCHIE LEUVEN
5° zondag van de veertigdagentijd C-jaar 2016, 12 en 13 maart


Johannes 8,1-11


De steniging van een overspelige vrouw kan allicht op een ver-van-mijn-bed show lijken. We leven immers niet in een fundamentalistische religieuze staat en de kans op steniging is onbestaande. Toch roept het verhaal voor mij directe associaties op, en niet noodzakelijk op seksueel vlak. Het zit immers in het algemeen diep in ons om iemand die lastig, storend, niet passend gedrag vertoont, te veroordelen. Onverbeterlijk lijken we daar wel in te zijn. Of heeft het juist niet alles met spiritualiteit te maken om deze neiging te herscheppen?


Spirituele pijn als spanningen die leiden tot een verenging van onze innerlijke ruimte

Ik moest onmiddellijk denken aan mijn team van de palliatieve eenheid en de wijze waarop we met geestelijke pijn proberen om te gaan. Waarover heb ik het? Eigenlijk gaat het dan over onze omgang met storende woorden en gedrag. Leren om minder moraliserend en veroordelend ernaar te kijken en die woorden en dat gedrag te begrijpen als een uitdrukking van geestelijke pijn. We zien terminale mensen die zich vastklampen aan de rol – bijvoorbeeld cafébaas – die ze hadden in hun leven tot dan toe en doen alsof ze  nog jaren gaan leven. Er is de zieke die exact om acht uur en exact op deze manier verzorgd wil worden. Een ander heeft verwijten naar de kerk, het ziekenhuis, de industrie die pollueert en ziekten veroorzaakt. In plaats van ze te zien als ontkennende of ambetante zieken proberen we ze te zien als mensen die lijden. Aan wat? Je zou kunnen zeggen aan een verenging van hun innerlijke ruimte.

Spirituele pijn heeft te maken met spanningen in de mens, ontstaan door bijvoorbeeld ziekte of vervolging allerhande, die leiden tot een soort verenging van onze innerlijke ruimte. De angst om te sterven verengt onze innerlijke wereld, brengt in een tunnel. En wat doe je dan? Als je de controle over je leven helemaal gaat verliezen door de dodo, probeer je nog te controleren wat je kan controleren: bijvoorbeeld het uur van verzorging. Vervelend maar begrijpelijk. Die spanningsvelden kennen en erkennen brengt weer relaxatie in de innerlijke verenging. Maar dat is niet gemakkelijk. Vanuit spanningen en niet willen veroordelen wil ik kijken naar dit evangelie.

Angst en spanning bij Jezus, de vrouw, de Farizeeën en Schriftgeleerden

‘Ook ik veroordeel u niet’ (‘oude egoo se katakrinoo’), zo eindigt deze evangeliepassage. U weet misschien dat deze passage uit het evangelie niet van de hand van Johannes zou zijn en dat ze op verschillende plaatsen voorkomt in manuscripten van de evangelies. De plaats waar ze nu staat, is nochtans betekenisvol omdat ze staat in een context van toenemende spanning ten aanzien van Jezus. Kort ervoor lezen we: 'Er waren er die Hem wilden grijpen, maar niemand sloeg werkelijk toe.' We staan al voor de Goede Week, en daarom is deze lezing vandaag zeker gepast. Jezus is in Jeruzalem. Althans, overdag gaat hij naar de tempel. 's Nachts trekt hij buiten de stad, o.a. naar de Olijfberg. Uit veiligheidsoverwegingen. Johannes spreekt niet over angst , maar onuitgesproken angst kan des te sterker zijn. Een beetje na deze passage lezen we tot twee maal toe: 'Het scheelde niet veel of ze hadden Hem gestenigd…'

Er is spanning, misschien angst bij Jezus. Maar zeker bij deze jonge, blijkbaar verloofde overspelige vrouw. Gehuwde overspelige vrouwen werden immers gewurgd. Verloofde overspelige vrouwen werden gestenigd. Ze is zo angstig dat ze bijna niets zegt. Haar enige woorden zullen zijn: 'Neen, niemand…' op de vraag ‘Heeft niemand u veroordeeld?'

Zijn de Schriftgeleerden en Farizeeën ook niet angstig? Lijden zij ook niet geestelijk? Angst voor Jezus' succes: 'Heel het volk stroomde naar Jezus toe', hoorden we. Angst en onzekerheid misschien omdat ze hun oordeel over hem zouden moeten veranderen. Is hun innerlijke ruimte niet verengd door hun zielloze opvatting van de Wet? Als Hij het toch eens bij het rechte eind had? Onzekerheid, innerlijke spanning die weggeduwd wordt in een poging om hem in een bepaalde hoek te kunnen duwen en hun eigen ideeën bevestigd te zien, om duidelijkheid en houvast te krijgen. Of was de overspelige partner misschien een van hen, van die Schriftgeleerden en/of farizeeën? Hoe hadden ze het overspel ontdekt?

Maar er is dus ook angst bij Jezus die hier geconfronteerd wordt met zijn eigen toekomstig lijden: ook hij zal ‘s morgens voor religieuze instanties gesleept worden, hij zal er ook zoals de vrouw alleen voor staan, hij zal ook zwijgen zoals de vrouw. Hij dreigt ook gestenigd te worden. Jezus wordt op de proef gesteld; zoals Hij in andere evangelies door de duivel op de proef wordt gesteld. Hij wordt bekoord om in de tegenaanval te gaan, om zich te verdedigen. Zoals wij in ons hoofd een razend discours houden tegen iemand: 'En als ik hem zie, dan zal het eens goed zeggen; en ik zal dit en dat zeggen…' Misschien wordt hij verleid om in de context van zijn succes bij het volk een 'definitief' oordeel te vellen. Jezus beleeft hier misschien wel zelf een 'crisis': het Griekse woord voor oordelen ('krinein') verwijst immers naar een crisis - welke weg gaat hij op als men Hem vraagt te (ver)oordelen? 'Mozes heeft ons in de wet voorgeschreven zulke vrouwen te stenigen. Hoe staat U daartegenover?' Zal Hij zich 'groot maken'?

Jezus’ reactie: zijn innerlijke ruimte opzoeken

Jezus bukt Zch. Hij gaat naar omlaag en naar binnen. Hij zoekt als het ware zijn ‘innerlijke ruimte’ op). Hij wacht op een oordeel dat niet 'van Hem alleen komt, maar van de Vader die Hem gezonden heeft.' Zoals enkele verzen na deze passage staat. Hij wacht op een in-geving, een innerlijke relaxatie, een echt woord. In ons team willen we bij heftige reacties proberen 30 seconden stil te vallen, de eerste reacties te laten wegvloeien en dan pas te spreken. Een bevrijdend woord in een moeilijk gesprek voelt vaak aan als een woord dat – na een stilte - uit het hart, uit de diepte komt – met oogcontact. Jezus ontvang zo’n woord. 'Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.' Merkwaardige zin.

Het is in zekere zin het enige woord dat Jezus geschreven heeft. Er zijn geen geschriften van hem, behalve dit in het zand. Weggevaagd, weggewaaid. The answer is blowing in the wind.

Dit gegeven woord is een oordeel dat geen antwoord is op de vraag naar haar schuld of naar het al dan niet terecht stenigen. Het is een woord dat de zaak verplaatst, die iedereen in beweging zet. Want het effect is dat uiteindelijk iedereen weg gaat, dat er letterlijk ruimte ontstaat waarin ieder naar de eigen innerlijke ruimte verwezen wordt. Het is een woord dat een volledig geblokkeerde situatie openbreekt. Het is een woord dat de anderen niet wil veranderen - 'Gij zoudt moeten, ge zoudt beter…' - en dat hen toch veranderen kan. Geen pretentieus woord. Voor en na dit woord bukt Jezus zich, kijkt naar de grond waarin hij schrijft. Als Jezus nadien opkijkt en vraagt aan de vrouw: 'Waar zijn ze?' is Hij misschien wel zelf verwonderd over het effect van dit woord dat hem gegeven is.

Een woord dat diepe ont-spanning, leven, betekent voor elkeen.

Leven voor degenen die de vraag stelden. Ze beschuldigden een overspelige vrouw, feitelijk om Jezus van iets te kunnen beschuldigen. ('Om te zien of ze een aanklacht tegen Hem konden indienen.') Maar nu worden ze naar zichzelf verwezen, en naar hun verantwoordelijkheid voor het leven van de gemeenschap want Jezus zegt ‘Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen…’. ‘Als eerste’: de steen is het begin van een collectieve daad: zo gaat dat met roddeldynamieken, met publieke terechtstellingen. De farizeeën en Schriftgeleerden worden uitgenodigd om een ander houvast te zoeken dan alleen een zich vastklampen aan de Wet; of te zien dat de Wet een weg ten leven wil zijn, niet ten dode.

Leven voor de vrouw. Fysisch leven: zij wordt niet gestenigd, wat normaal ging gebeuren. Maar er is meer. 'Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.' Jezus zegt niet wat ze moet doen. Zegt Hij niet eerder: Je mag leven. Je zit niet meer in de dodengang. Wijk nu niet meer af van je diepere verlangen.

Het is een woord van leven voor Jezus. Hij komt misschien wel zelf meer tot klaarheid over wat en wie in Hem leeft. De eerste woorden na deze passage zijn: 'Ik ben het licht van de wereld. Wie Mij volgt, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.'


Wij worden in deze veertigdagentijd speciaal uitgenodigd om staande in onze unieke spanningsvelden deze weg naar binnen te gaan, om te luisteren naar het woord in ons dat klaarheid, diepe relaxatie en leven brengt.


Marc Desmet sj, 13 maart 2016


zondag 31 januari 2016

Niemand is profeet in zijn vaderstad


HOMILIE VIERDE ZONDAG VAN HET C-JAAR 31 JANUARI 2016

Jeremia 1,4-5.17-19 -1 Korinthiërs 12,31-13,13 – Lucas 4,21-30

Marc Desmet sj

Er is iets wat Lucas fascineert in het verhaal van Jezus, namelijk dat Jezus door zijn eigen volk verstoten wordt en dat dit de motor is geworden van de verspreiding van de goede boodschap. We horen het vandaag als het ware in miniatuur: namelijk hoe Jezus zijn dorpsgenoten van Nazaret ergert, zodanig zelfs dat ze hem in de afgrond willen storten. Niemand is profeet in zijn vaderstad. Hetzelfde gaat op het einde van het verhaal gebeuren, op grotere schaal: Jezus wordt weliswaar met halleluja ontvangen in Jeruzalem maar enkele dagen later wordt hij veroordeeld, onder impuls van diezelfde joodse gelovigen, geslagen en gekruisigd totterdood. Maar zoals Hij in Nazaret ontsnapt aan hen die Hem in de afgrond willen stoten: namelijk ‘tussen hen door ging en vertrok’, zo gaat Hij aan het graf ontsnappen en vertrekken naar andere oorden: naar Griekenland en Rome toe waar razendsnel christengemeenten ontstonden. Dat horen we in dat andere boek van Lucas: de Handelingen van de Apostelen.

Ik wil stilstaan bij dat mysterie van verstoting en vruchtbaarheid dat ook het onze kan zijn, in miniatuur of grootschaliger. En wel vanuit drie lagen van onze ervaring die Lytta Basset zo voortreffelijk heeft beschreven als lijden-zonder-de-ander, lijden-tegen-de-ander en lijden-met-de-ander. Het komt me voor dat de liturgist met de keuze van de drie lezingen die drie lagen bespeelt: de eerste lezing uit Jeremias vertolkt het lijden-zonder; het evangelie het lijden-tegen; de tweede lezing, die we niet hoorden, de overbekende hymne van de liefde uit de brief van Paulus aan de christenen van Korinthe, het lijden-met. Het samenzien van die drie lezingen plaatst het evangelie in een bemoedigend licht.

Jeremias of het lijden-zonder-de-ander

In de eerste lezing hoorden we Jeremia die over zijn roeping als profeet spreekt. Het kan gaan over elk van ons. Ik heb ‘roeping’ altijd de joodschristelijke manier gevonden om autonomie te beleven: elke mens is een uniek verhaal met een unieke bestemming; en in zekere zin kan je niet ontsnappen aan wie je van in de moederschoot bent.  ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’

Wat we niet hoorden was het antwoord van Jeremia – en vele jeremiades zullen volgen in die trant en zullen zijn lijden uitdrukken – ‘Ik riep: “Nee, Heer, JHWH! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong”.’  We hoorden wel het antwoord van God: ‘Ikzelf maak u heden tot een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land… Ze zullen u bestrijden, maar niets tegen u vermogen. Want ik ben bij u om u te redden.’ Met andere woorden: op een dramatische manier wordt de ervaring beschreven die we allemaal kunnen hebben: ons overkomt iets heel moeilijks, iets waar we ons eigenlijk heel alleen, heel persoonlijk aangesproken voelen. Niemand kan begrijpen wat het betekent om dit mee te maken (lijden-zonder-de-ander): de student die zijn examens moet doorworstelen, de moeder die worstelt met de problemen van haar kind, de persoon die zijn handicap moet dragen, de priester die worstelt met zijn roeping, de werknemer die door een  hels werkritme wordt vermorzeld als het ware. Maar in dat ‘drama’ kan men grote geestelijke krachten ontdekken. Meer dan men ooit van zichzelf had verwacht. Ze maken me tot ‘een versterkte stad’, zegt Jeremias. Die ontdekking is ergens positief maar houdt ook een risico in: niemand anders weet wat het betekent; ik ga het vanaf nu maar alleen doen, trouwens ik kan het alleen. Ik heb het al zolang moeten alleen doen. Je voelt ook in deze tijd het risico van een religieus fanatisme. Ik en mijn God tegen de slechte, onbegrijpende wereld. (Lijden-zonder) Een soort geestlijke  lonely woolf. Dat isolement is gevaarlijk. Alles is beter, zelfs ruzie maken.

Jezus in Nazaret of het lijden-tegen-de-ander

In het evangelie zien we die ruzie. Lijden-tegen-de-ander. Jezus, die als vrome jood Jeremias goed kent, heeft grote krachten ontdekt in de woestijn. Hij heeft gezegevierd over duivels en bekoringen. Hij heeft een God ontdekt die anders is dan men Hem heeft voorgesteld in zijn jeugd: ja, een god van liefde. Hij is een ander mens geworden voor een stuk. Hij vestigt zich als rabbi in Kafarnaüm en wordt geprezen voor zijn originele inzichten.

Maar dan komt hij  terug in Nazaret, zijn eigen kring, in de plaats vanwaar Hij komt, in zijn familie. Ze kennen Hem, denken Hem te kennen maar eigenlijk is Hij veranderd. Hij steigert ten opzichte van de verwachting: kom, toon eens wat je ontdekt hebt, wat je aan krachten ontwikkeld hebt. Het komt tot een conflict en het rare is dat je de indruk krijgt dat Jezus dat conflict zelf zoekt. We horen het trouwens ook in andere reacties van Jezus zoals ‘Wie zijn mijn moeder en mijn broeder?’ En tegen zijn moeder in Kana: ‘Vrouw, wat heb ik met jou te maken? (Is dat soms uw zaak?)’ Zijn verwanten vinden overigens op een bepaald moment dat hij niet meer bij zijn verstand was (Mc 3,21). Eigenlijk is Jezus soms een beetje onuitstaanbaar, soms een ettertje. Jezus provoceert echt in de lezing van vandaag: ‘Ge verwacht iets speciaals van mij? Ik ga het zeker niet doen. Trouwens, anderen zoals Elia en Elisa werden ook niet naar het eigen volk gezonden, maar naar de heidenen.’  Het is literaire overdrijving van Lucas, maar evoceert het toch ook niet iets van de realiteit van onze intieme en familiale relaties? Ik heb als arts ook de neiging om als iemand in huis zegt: ik heb keelpijn, om te zeggen: Wel, dan moet ge eens naar een dokter gaan.

Was sich liebt, neckt sich. Geliefden nekken elkaar. De man die grote publieken aanspreekt, veel lof krijgt op zijn werk, kan soms niets goeds doen thuis, bij de intimi. ‘Jaja, ge kent de kleine kantjes niet van onze “grote man”. Ge moet er eens mee leven…’ Er is niet zo zelden een verschil, zelfs kloof tussen de publieke rol en de perceptie in intieme kring.  Een verpleegkundige van mijn team vertelde hoe iemand lovend tegen haar partner zei wat voor een vriendelijke vrouw ze wel was en hoe de partner reageerde: ‘Ik geloof dat ge het over een andere vrouw hebt…’ Datgene wat ik kan opbrengen aan geduld en ruimdenkendheid in mijn professioneel leven, kan ik helemaal niet in mijn privé-leven. Niemand is profeet in zijn vaderstad, in zijn gezin - ‘Niets zo moeilijk als familierelaties’, heb ik vaak gevonden.

Er kan zelfs een soort wederzijdse indruk van kwaadwilligheid ontstaan. ‘Dat zegt hij, precies omdat hij weet wat mijn zwakke plek is…’ En bestaat er niet iets analoogs ten aanzien van onze geestelijke familie, onze moeder de Heilige Kerk? Beleven vele goede en actieve gelovigen ook niet vaak ergernis ten aanzien van de Kerk die ons pest?

Ik wil deze fenomenen niet analyseren, ik stel ze vast. Als een dagelijks gegeven. Maar ook als een evangelisch gegeven dat Lucas vreemd genoeg benadrukt en ziet als noodzakelijk deel van de dynamiek van mens worden.

Paulus’ hymne aan de liefde of het lijden-met-de-ander

Waar kan dit toe leiden? Wel, de tweede lezing – die we niet hoorden maar die we allen kennen – verwoordt misschien waartoe we in onze betere momenten in staat zijn. Ik bedoel de fameuze hymne aan de liefde van Paulus, uit een brief aan een Griekse gemeenschap die ontstaan is dank zij de verstoting van Jezus door de Joden. We associëren die hymne vooral aan huwelijksvieringen, maar het kan ook anders.

‘Al heb ik de gave der profetie (zoals Jeremias en Jezus…), als ik de liefde niet heb, ben ik een galmend bekken of een schelle cimbaal….’

‘De liefde beeld zich niets in’; ze beeldt zich niets meer in. In onze betere momenten. Ze is realistisch (geworden),  in die zin helderziend.  Ze beeldt zich niet meer zomaar in dat de ander het kwaad met me voorheeft, maar ze beeldt zich ook niet meer in dat de ander een engel is.

‘De liefde laat zich niet kwaad maken’… niet meer. In onze betere momenten. (wat Jezus wel nog doet in het evangelie) en ze rekent het kwade niet aan (ze neemt geen wraak…). Ze verheugt zich niet over onrecht’. Ze verkneukel zich niet in onrecht (ken je dat gevoel?...) maar vindt haar vreugde in de waarheid…’

‘Alles verdraagt ze…alles duldt zij…’ Misschien is het conflict meer ‘la tendre guerre’ geworden, zou Brel zingen. Zo is in het relaties, zo kan het zijn in de Kerk. Kortom, drie lagen zitten in ons:

Jeremias of het lijden-zonder-de-ander: de uniciteit van onze roeping en de ontdekking van de geestelijke kracht om ze uit te leven, met het risico het helemaal op ons eentje te willen wagen, in een soort misprijzen van de wereld die ons niet kan begrijpen

Jezus in Nazaret of het lijden-tegen-de-ander: de merkwaardige strijd met diegenen die behoren tot onze eigen kring en familie

Paulus aan de Korinthiërs of de liefde als authentiek lijden-met-de-ander dat alles draagt, zich niet kwaad laat maken. En die liefde is de grootste. Dat ervaren we. Soms.

woensdag 28 oktober 2015

Interview om KLARA Allerheiligen 10 tot 11 uur

Op 15 september vertrok mijn boek naar de boekhandel: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'. Na een maand waren we aan een tweede druk toe.


Nu zondag Allerheiligen is er op KLARA tussen 10 en 11 in de ochtend een interview door Pat Donnez met mij. Het programma heet 'Berg en dal'. Een uur lang (een eeuwigheid in medialand). De aanleiding is het boek, maar het gesprek gaat een stuk breder.

maandag 14 september 2015

Mijn nieuw boek is uit: Euthanasie: waarom niet?



Op 15 september is mijn boek naar de boekhandel vertrokken: 'Euthanasie: waarom niet? Pleidooi voor nuance en niet-weten'


Hier een link met you tube waar het boek heel kort voorstel:https://www.youtube.com/watch?v=rYfiLhIdl_4




Hier de covertekst:


‘Er ontbreekt iets essentieels in het


maatschappelijk debat over euthanasie: nuance.’


Dat is de basisstelling van Marc Desmet,


meer dan twintig jaar actief als palliatieve-zorgarts.



Euthanasie: waarom niet? probeert die nuances onder woorden
te brengen. Ja, waaróm niet? Euthanasie moet in bepaalde
lijdenssituaties kunnen.


En tegelijkertijd, waarom níét?
De praktijk leert dat euthanasie niet vanzelfsprekend blijft.
Niet voor de zieke, die afhankelijk is van een goed luisterende arts.
Niet voor naasten, die alles soms erg verschillend beleven.
Niet voor artsen.


En er is nog een betrokkene: onze maatschappij.
Leven we te lang? Weten we geen weg meer met lijden? Of willen
we economisch niet tot het uiterste gaan in de zorg?



Zo veel vragen en vaak zo weinig genuanceerde antwoorden die
de mediawaan van de dag overstijgen. Marc Desmet wil recht doen
aan de complexiteit van de lijdensbeëindiging, met verhalen
uit zijn euthanasiebegeleidingen,
voorbij de simpele tegenstelling.



Dit boek wil vooral doen nadenken. Op zoek naar praktische
wijsheid die ook durft te zeggen: je sais que je ne sais pas.


Indien u het interview met mij in De Standaard over het boek wil lezen:
http://www.standaard.be/cnt/dmf20150911_01862191



maandag 20 april 2015

Wat betekent opstanding eigenlijk? Over zwaarte-kracht.

Op zondag 19 april 2015 (3°  zondag van de Paastijd B-jaar ) hield ik voor de Universitaire parochie van Leuven de volgende homilie





Lucas 24,35-48.

[35] De twee leerlingen vertelden wat er onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door het breken van het brood.
     [36] Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ [37] Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. [38] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? [39] Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ [40] Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. [41] Omdat ze het van vreugde nog niet konden geloven en stomverbaasd waren, vroeg hij hun: ‘Hebben jullie hier iets te eten?’ [42] Ze gaven hem een stuk geroosterde vis. [43] Hij nam het aan en at het voor hun ogen op. [44] Hij zei tegen hen: ‘Toen ik nog bij jullie was, heb ik tegen jullie gezegd dat alles wat in de Wet van Mozes, bij de Profeten en in de Psalmen over mij geschreven staat in vervulling moest gaan.’ [45] Daarop maakte hij hun verstand ontvankelijk voor het begrijpen van de Schriften. [46] Hij zei tegen hen: ‘Er staat geschreven dat de messias zal lijden en sterven, maar dat hij op de derde dag zal opstaan uit de dood, [47] en dat in zijn naam alle volken opgeroepen zullen worden om tot inkeer te komen, opdat hun zonden worden vergeven. Jullie zullen hiervan getuigenis afleggen, te beginnen in Jeruzalem.

Een vermeende zelfdoding

Op paaszaterdag kreeg ik een telefoontje dat een studievriend zich had gezelfdood. Ik had hem enkele weken voordien nog ontmoet. Op Pasen raapten een collega-vriendin en ikzelf al onze moed samen om de weduwe te bezoeken. ‘Nu zeggen ze al dat hij dood is’,  zei de vrouw. Hij was dus niet dood. Hij was opgenomen in een ziekenhuis. Ik was zo verbouwereerd dat ik de eerste minuten niets kon onthouden van het relaas van de vrouw. Ik was verbijsterd. ‘Ik kon het van vreugde en verbazing bijna niet geloven…’ Het was misschien een klein smaakje van wat de leerlingen lijken te ervaren wanneer ze Jezus terug zagen.

Hoewel… iemand die alleen vermeend dood was, toch levend terugzien, dat gaat nog, maar ‘een dode – ja, morsdood – die niet dood is’ terug zien verschijnen wie gelooft dat nu? Als we in het credo belijden dat ‘Jezus nedergedaald is ter helle’ bedoelen we in de eerste plaats dat Jezus werkelijk morsdood was, dat hij bij de doden was. Totaal machteloos. Welnu, de opstanding is de hoeksteen van het christelijk geloof, wordt gezegd. Maar tegelijk lijkt het het fragielste van dat geloof. Pasen brengt een blijere stemming, vreugde, al was het maar door het lenteweer, maar als we eerlijk zijn tegelijk misschien ook verbijstering, vertwijfeling: waar slaan die verschijningsverhalen op? Wat kunnen we ons daarbij voorstellen?

Het verschijningsverhaal heeft een bedrieglijke kant: het verschijnen van de Heer met het benadrukken van zijn lichamelijkheid – betast mijn handen en voeten, geen geest maar een betastbaar mens die eet, spreekt en Schriftuitleg verschaft – zet ons in deze tijd op het verkeerde, modern-wetenschappelijke been. Verrijzenis  gaat niet over de reanimatie van een lijk, zoals bij Lazarus of zoals bij het dochtertje van Jaïrus waar Jezus bij leven en welzijn twee keer te laat kwam en de gestorvene toch tot leven riep. Wij weten in onze tijd, met onze wetenschap, dat dit niet gebeurt. En al zou het ooit eenmaal bij wonder gebeurd zijn met Jezus van Nazaret, wat verandert dit aan ons leven? Fijn voor Hem, maar wat met mij en mijn (overleden) geliefden? Neen, het gaat niet over dergelijke reanimatie die de doden weer onder de levenden terugbrengt. De tekst doet Jezus immers ook zeggen: “Dit zijn mijn woorden, die Ik sprak toen Ik nog bij u was…” Hij is dus niet meer bij hen, toch niet op die manier.

In de vier verzen die volgen op onze lezing van vandaag, de laatste vier van het Lucasevangelie, gaat Hij dan ook verdwijnen, ‘opgenomen worden ten hemel’. Na de woorden: ‘Blijf in de stad tot jullie met kracht uit de hemel zijn bekleed.’ En dàt lijkt het onmiskenbare historische feit te zijn: dat de leerlingen die Hem gekend hadden na Zijn dood kracht gingen ervaren die ze associeerden met leven en sterven van Jezus van Nazaret. In feite jaren, misschien tientallen jaren na zijn overlijden. Maar er gebeurde onmiskenbaar iets. Onrechtstreeks merkten ze dat Hij leefde, hoewel de mens Jezus mors-dood – dubbel dood – was. Ze hadden Hem immers zelf van het kruis gehaald, zijn lichaam gebalsemd en begraven. Toch associeerden ze die kracht met Hem. Zoals een gedode Romero ons kan inspireren – jaren later, en in beslist heel andere omstandigheden dan die van zijn El Salvador.

Dat laatste aspect voert ons naar iets essentieels in de opstanding. Wat er uit groeide was iets dat er helemaal anders ging uit zien dan een joodse rabbi met wat volgelingen in een specifieke Palestijnse cultuur. Er ontstaat iets totaal anders – totaliter aliter – om te spreken met Paulus over opstanding. Hij heeft het dan over het hiernamaals, maar dat geldt m.i. ook voor het hiernumaals – en we kunnen enkel van hieruit spreken. Totaliter aliter: een spirituele Big Bang : een nieuwe liefdesschepping uit het zwarte gat van lijden en dood, heel en al uitdijend.  De grondlegger van dat oerknalidee was een Belgische priester-astronoom (Georges Lemaître). Om het bescheidener te zeggen: de boom (‘boom’) lijkt niet op het zaadje. De Kerk lijkt bijvoorbeeld helemaal niet op de rondtrekkende Jezus en zijn vriendenclub: wat hebben kathedralen, parochies, Vaticaan, sacramenten zoals we ze kennen, encyclieken etc er mee te maken? Toch kan ze er op haar best nog trekken van hebben, een ruimte zijn voor Zijn Geest en Kracht. Toch kan ze op haar best er een nieuwe schepping van zijn, maar blijvend herkenbaar als van Jezus Christus komend. Hoezo?

Hier zet het verschijningsverhaal ons dan toch weer op het juiste been: het christelijk verrijzenisgeloof voert ons niet naar de hemel maar naar de tastbare wereld toe. Dit ‘bedrieglijk’ verhaal dat op het eerste zicht ons ervan moet overtuigen dat de leerlingen Jezus in levende lijve hebben terug gezien geeft mij misschien vooral aan wat referentiepunten zijn in een echte opstandingsevolutie:

  1. “Vrede zij u” is het eerste woord: het gaat om vredesschepping; ook over ‘vrede’ als herkenning van de ‘binnenkomst’ van de Heer. En het laatste woord is vergeving.
  2. Er wordt gesproken en gegeten.
  3. Het gaat over concrete mensen, lichamen, geen geesten (geen hallucinaties), geen schimmen (zoals in de joodse sjeool), geen hersenschimmen
  4. Het gaat over diepmenselijke emoties: verbijstering en schrik; vreugde en verbazing
  5. Het gaat over de mens die lijdt: doornagelde handen een voeten als identificatie
  6. In dit alles  blijft de ‘oude’ Schrift oriënterend: de historische, de profetische, de wijsheidsboeken: zij worden ‘vervuld’ dwz ook omgezet in een nieuwe schepping
  7. En het gaat niet alleen over individuen, maar ook over volkeren die opgeroepen worden tot inkeer zodat ze vergeving krijgen
  8. Tenslotte: begin in Jeruzalem: te beginnen, maar daar zal het niet bij blijven. De ‘tak’, de boom zal er helemaal anders uitzien dan Jeruzalem. Dat is wat Lucas al ziet.

Het verhaal houdt ons in zijn naïviteit en eenvoud aan de grond. En oriënteert naar vrede en vergeving. Het gaat dus niet alleen om een ervaring van kracht. We zouden ons immers kunnen verbazen over de kracht die mensen doet meewerken aan totalitaire systemen zoals stalinisme en nazisme, maar ook zoals de Kerk zelf op zijn slechtst, religie op zijn ‘pseudoost’ zoals bij IS, Boco Haram etc., en ook ongebreideld marktisme. Ze spreken niet van vrede en vergeving. De herschepping in Christus betreft geen totalitarisme, maar iets totaliter aliter. De kiem van dat nieuwe wordt verteld in een verhaal van Jezus die leerlingen onderweg vervoegt. Jezus’ geest is heel reëel en concreet, zo reëel en concreet als een gezel(lin).

In zekere zin ‘Kan ik alleen woorden ontmoeten, U niet meer…’, zoals we vaak hier zingen met Gerrit Achterberg. Hoe laten we dit Woord ons hier vervoegen? En hoe zullen wij het Woord vervolgens (als werk-woord) vervoegen? Vervoegen we het in de onvoltooid verleden tijd of maken we er voor bepaalde interpretaties een voltooid verleden tijd van? We kunnen het Woord vervoegen in de tegenwoordige tijd: met oog voor wat nu gegeven wordt, the present time, het geschenk van het ogenblik, de blik in de ogen van de ander. We moeten het ook vervoegen in de toekomstige tijd, in de futur pas si simple.

Zwaarte-kracht

Pas si simple….want  ‘Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?’ zegt Jezus aan de twee Emmaüsgangers, aanwezig in dit verhaal waar we opnieuw lezen: “Toen maakte Hij hun geest toegankelijk voor het begrijpen van de Schriften.” Blijkbaar moest Hij lijden en sterven. En wij zijn toch zijn volgelingen, tochtgenoten, aanhangers. Er is een onvermijdelijke  zwaarte in ons leven. Maar dat is tegelijk een/de zwaarte-kracht die ons aan de grond houdt, zodat we niet als een Icarus gaan opvliegen en neerstorten. De kracht die de leerlingen van Jezus, tot op vandaag, op wonderlijke wijze ervaren is een soort zwaarte-kracht: kracht ontstaan uit lijden en dood omwille van de liefde. We denken opnieuw aan onze bijna-huis-heilige: Romero.

Zwaartekracht doet me ook denken aan Simone Weil in ‘La pesanteur et la grâce . Ze zegt zoiets als: de wet van de zwaartekracht geldt niet alleen in fysica, maar ook analoog in psychologie en spiritualiteit. Alleen de genade onttrekt ons ‘soms even’ aan die zwaarte. ‘Alle natuurlijke bewegingen van de ziel worden gestuurd door wetten die analoog zijn aan die van de materiële zwaartekracht. Alleen de genade maakt de uitzondering.’ Met enige humor – een teken van verrijzenis – kunnen we ook zeggen dat de verliefdheid de uitzondering maakt. Op een affiche in een ziekenkamer las ik deze week een quote van Einstein: ‘Gravitation is not responsible for people falling in love’. Inderdaad, verliefdheid onttrekt ons aan de zwaarte, maar liefde kent zijn zwaarte. Wie die zwaarte(kracht) ontkent komt in de ‘ondraaglijke lichtheid van het bestaan’ terecht, zo hebben we in deze tijd (van Kundera) geleerd.

De eucharistie is de herinnering aan de zwaarte-kracht van Jezus Christus, ons zwaartepunt. De herijking op zijn genade houdt ons aan de grond.

 

Marc Desmet sj

zaterdag 14 maart 2015

De zweep van Jezus: woede een plaats geven



Beter laat dan nooit: mijn homilie van de voorbije derde vastenzondag (B-jaar 2015) voor de UP van Leuven op 8 maart 2015.

 

Lezingen: Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-25

Het evangelie van de tempelreiniging van vandaag vormt een sterk contrast met het evangelie van vorige week, dat van de gedaanteverandering bij Marcus. Hier een soort contra-transfiguratie: Jezus die woedend wordt in de tempel en de boel uitmest. Jezus’ kuiswoede als het ware. De Zoon is niet zo zen, bij momenten. Verbaal en ook fysiek geweld.

Het is niet moeilijk om enkele actuele associaties te laten opkomen.

We denken aan de nieuwjaarsrede van de paus. Geen vrolijke bijeenkomst voor de Romeinse Curie. Franciscus confronteerde ze met 15 zonden: "roddelterreur", "pathologische drang om macht te veroveren", en natuurlijk "spirituele alzheimer", waardoor ze vergeten dat ze in de eerste plaats God moeten dienen.

Verbaal geweld. Maar ook fysiek. We denken aan de I.S. beeldenstorm van werelderfgoed, aan de Twin Towers, en de vele variaties op terroristische aanslagen.

Of misschien zult u - devoter – denken aan uw irritatie over de commercie in Lourdes. En de ‘tempel van zijn lichaam’ waarover ook sprake in de scène zal sommigen verwijzen naar de commercialisering van het lichaam, van organen, van seks, etc.

Woede is menselijk. De geboden en verboden van de eerste lezing stellen een ultieme grens: “Gij zult niet doden.” Maar ze lijken – slecht begrepen - het geweld ook uit te lokken: “Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel. (…) want ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt tot het derde en vierde geslacht…”

Na het laten optrekken van deze stofwolk van associaties proberen we te bespeuren wat Johannes deed met dit gegeven.

Johannes doet twee literaire ingrepen die de tempelreiniging krachtiger maken dan bij Matteüs, Lucas, Marcus.

1. Hij plaatst ze helemaal vooraan in het evangelie (na de bruiloft te Kana, het eerste teken van Jezus en voor de nachtelijke ontmoeting met Nicodemus); daar waar de synoptici de tempelreiniging meer naar het einde van het evangelie, na de lijdensvoorspellingen, situeerden. Het is dus Jezus’ eerste optreden in de hoofdstad. Het is dadelijk ‘prijs’. Later volgen nog drie ‘feestreizen’. De laatste keer opnieuw voor een Pesachfeest. Je leest: “Jezus komt naar Jeruzalem”  ’t Zal weer wat zijn!

2. En Johannes voegt er een gesel, een zweep aan toe (niet zomaar een/het zweepje).  Hij heeft die zweep nodig om de offerdieren uit te drijven, ttz de brand- en slachtoffers van het Oude Testament.

Een krachtige boodschap van Johannes, namelijk: de Tempel heeft uitgediend, Jezus zal hem niet zuiveren, maar afbreken en door een andere vervangen. Het gaat niet meer om een gebouw dat men in 46 jaar heeft opgebouwd, en dat op kortere tijd door de Romeinen verwoest is geworden. Het echt huis van de Vader bestaat in zijn eigen persoon en de gemeenschap daarop gebouwd. Nieuwe wijn in nieuwe zakken. Johannes  radicaliseert het thema van de tempelreiniging. We lezen er een schreeuw om verinnerlijking van de eredienst in; een radicaal nieuwe opvatting over de plaats waar wij God ontmoeten. Die plaats is de persoon van de Verrezene, Jezus zelf. Zeg maar: de Mens met grote M, de mens in zijn of haar essentie. Een groot perspectief op weg naar Pasen. Maar ik zou misschien bij één aspect in dat perspectief willen stilstaan.

Deze passage heeft mij vooral doen stilstaan bij de uitdrukkingen heilige woede, ‘sainte colère’ (Lytta Basset). De heilige woede wordt hier letterlijk-literair op de voorgrond gebracht. De vastentocht naar Jeruzalem kan gelezen worden als een tocht van woede naar heilige woede.

Geen eenvoudig thema omdat Jezus zelf daar nogal ambivalent in verschijnt. Langs de ene kant lezen we heel wat Boze Boodschap in de Blijde Boodschap. Jezus maakt zich vaak boos. Langs de andere kant is Hij heel streng wat toorn en woede betreft, zoals blijkt uit zijn interpretatie van ‘Gij zult niet doden’ – verbod dat vandaag klinkt in de eerste lezing.

Beroepshalve ben ik daar nogal mee bezig en het is pas onlangs dat het me zo opviel dat Jezus in de Bergrede een link legt tussen doden en toorn: “Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: ‘Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.’ En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “nietsnut” zegt… Wie ‘Dwaas!’ zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan.” Interessant gezien de mediatieke toorn die we wel eens te horen krijgen rond euthanasie. Het klinkt paradoxaal uit de mond van iemand die vaak een Boze Boodschap heeft. Het zet nog meer aan om te zoeken naar het onderscheid tussen woede en heilige woede. Een uitzuivering, een vasten.

Taal leert al dat in woede ook iets positiefs, iets heilzaams kan zitten. ‘Hij was ver-woed bezig…’ ‘Met verwoede krachten zocht men naar een oplossing’. (Kuiswoede.) ‘Met nen godver en een dju’ (westvlaams). In woede zit kracht. Vandaar dat een vloek een ‘kracht-term’ is. Vloeken in de kerk – dat is wat Jezus in de tempel doet - kan kracht opwekken. En nog: we vinden dingen ‘geweld-ig’. We vonden iets verdomd goed.

Woede, verontwaardiging, ziedend zijn, kwaadheid, boosheid, wrevel, toorn, vertoornd, passie in de zin van lijden aan zijn hartstocht horen dus bij menszijn. Is incarnatie. Is Boze Boodschap. In Marriage Encounter is het een van de vier basisemoties die men probeert uit te schrijven over relaties: vreugde – verdriet – angst – én kwaadheid.

Maar wat is heilige woede, niet geile woede ? Heeft vasten daar een rol in? Is dat om de woede te kanaliseren tot iets vruchtbaars? Hoe van kuiswoede tot kuise woede?

  1. Woede kan ‘een ware factor van persoonlijke verandering, die onvermoede (en ver-woede) krachten mobiliseert in functie van een ander leven dan eerst voorzien’ (Lytta Basset p. 15). Heeft dit niet te maken met wat Schillebeeckx de ‘negatieve contrastervaring’ noemde?
     
  2. het gaat hier niet om het geheime, perverse plezier dat we allen kunnen hebben in een woede-uitbarsting of het zoeken van succes door een spectaculaire act of uitspraak, of door een enigszins gespeelde woede. Jezus weet immers ‘wat er in de mens steekt’, zoals de pericope fijntjes opmerkt op het einde. Hij weet namelijk dat degenen die vandaag ‘Hosanna’ roepen, morgen ‘kruisig hem’ roepen.
     
  3. Een heilige ‘colère’ verbindt ons meer met God. Ze sluit dus een breuk met God uit. Maar dit heeft ook een consequentie: als onze woede zo is dat de ander niet meer onze broer of zus is, dan kunnen we ook zijn/haar Vader in de hemel niet meer ontvangen….. De Mens is immers de nieuwe tempel. Efeziërs 4,25-27: Wordt toornig maar zondigt niet. De zon mag over uw toorn niet ondergaan, geef de duivel (de di-visor, de dia-ballein, de verdeeldheid zaaiende) geen kans.’ Geef de duivel geen kans, geef God een kans.
     
  4. Heilige woede zegt: «  Neem geen wraak maar geef een plaats aan de woede». Die ‘plaats’ kunnen we ‘God’ of goddelijk noemen. Het is niet aan ons om wraak te nemen… We schreeuwen die roep om wraak, om rechtvaardigheid naar God toe. We laten het aan de Ander over, zoeken daar ‘een plaats’ voor. Wetend dat God niet op de concrete manier tussenkomt zoals onze woede-fantasmes en heilige schriftteksten niet zelden suggereren.
    Exodus 22,23: Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen; of de  psalm waarin de wens wordt uitgedrukt dat de kinderen van de vijand worden verpletterd tegen de rotsen. Passage die men dan ten onrechte verwijdert uit de vrome lezing.
     
  5. Heilige woede neemt niet het recht in eigen handen maar zegt wel de waarheid. De ander heeft nood aan mijn waarheid net zoals wij nood hebben aan zijn waarheid. Het gaat erom dit te zeggen, zonder er welk resultaat ook van te verwachten of te forceren. De waarheid volstaat op zichzelf. Onze enige verantwoordelijkheid is ze te zeggen zoals ze is (de waarheid). We kunnen denken aan Jezus zelf die evolueert van de tempelgesel naar zijn houding tegenover Pilatus: Hiertoe ben  ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.” Waarna Jezus de zweep over zich zal krijgen. En erger. Jezus wordt zelf slachtoffer van die waarheid.
     
  6. Dat brengt ons tenslotte bij de bijzondere band tussen heilige woede en slachtoffers.  Girard weet: “De meest efficiënte transformatie (van woede) is niet het revolutionair geweld maar de moderne bezorgdheid om de slachtoffers. Wat deze zorg inspireert en efficiënt maakt is het echte kennen van de onderdrukking en de vervolging ».  Jezus’woede dreef de dierlijke slacht-offers uit de tempel en haalde als het ware de menselijke slachtoffers binnen. De gevoeligheid voor allerlei soorten slachtoffers is allicht nooit zo hoog is geweest als in deze tijd. Denk aan de schrijfacties van Amnesty International. We kennen allemaal voorbeelden van dichtbij of verderaf, buiten en binnen onze parochiegemeenschap.

Vasten kan je zien als een tijd om een goede plaats, een juist kanaal te geven aan onze woede. Woede zonder macht. Machteloze woede. Heilige woede. Maar wel een kracht-term.

 
Marc Desmet sj

vrijdag 9 januari 2015

Euthanasie bij een geïnterneerde: een vergrootglas voor het hele euthanasiedossier


Dit artikel kreeg ik niet gepubliceerd in De Morgen. Teveel wendingen, teveel terreur in Parijs...

De euthanasievraag van een geïnterneerde, de kroniek van zijn aangekondigde dood, en de laatste wending in het dossier stellen een aantal evoluties van het hele euthanasiedossier op scherp. Deze zijn in de kiem altijd aanwezig geweest, maar komen nu helemaal aan de oppervlakte. Meteen plaatst dit ons nog duidelijker voor minstens drie uitdagingen en keuzes.

De eerste evolutie is de toenemende band tussen euthanasie en economische rationaliteit. Een grondreden voor de voorgestelde euthanasie was het gebrek aan gepaste opvang voor geïnterneerden, terwijl die luttele kilometers verder in Nederland wel voorzien is. Dat justitie aanvankelijk wel de toelating gaf om deze man te transfereren naar de ziekenboeg in Brugge voor een euthanasie maar onvoldoende initiatieven ontwikkelde om geïnterneerden buiten gevangenismuren op te vangen, is dubbelzinnig. In hoofde van de justitieverantwoordelijke en voor de lijdende kan het zeker een barmhartig gebaar zijn. Voor de maatschappij echter liet men door die mogelijke ‘vrijlating’ ook de gedachte ontsnappen dat economie en euthanasie nauw gelinkt zijn: je krijgt geen aangepaste zorg, wel euthanasie.

Deze bezorgdheid omtrent aangepaste zorg geldt mutatis mutandis voor veel grotere groepen, bijvoorbeeld de personen met dementie. Ook daar blijft marge voor verbetering. We beschikken in België weliswaar over een mondiaal bijna uniek palliatieve-zorgsysteem dat alle zorgsituaties covert. Toch zijn de Woon- en Zorgcentra met hun vele dementerenden juist de minst bedeelden op dit punt. In de volgende jaren zal het aantal dementerenden gevoelig stijgen en zo ook het kostenplaatje. In welke mate sluipt de goedkope euthanasieoplossing in het hoofd van beleidsmakers, en vooral: in het hoofd van de zieken zelf? Geen vrije keuze zonder goede zorgmogelijkheid: de casus van de geïnterneerde is er alleen een extreme uiting van.

De tweede evolutie betreft het type persoon dat in toenemende mate euthanasie vraagt. Euthanasie verbinden de meesten onder ons met het typebeeld van de kankerpatiënt, die in een terminale fase is met hoofdzakelijk een ondragelijk lichamelijk lijden. Net zoals de geïnterneerde, ontmoeten we nu een toenemend aantal nieuwe euthanasievragers, met nog vrij lange levensverwachting, die ondraaglijk psychisch lijden en waarvan de medische uitzichtloosheid minder duidelijk is. De beslissende factor om euthanasie te vragen is bij hen niet zodanig lichamelijk maar wel geestelijk lijden: niet willen tot last zijn, toenemende afhankelijkheid, angst voor wat komt, de zin niet inzien van deze laatste maanden of jaren, therapeutische burn-out, en gewoon de vaste wil om te sterven. Dat iemand psychisch ondraaglijk lijdt omdat hij jaar in jaar uit 23 op 24 uur in een cel zit, is ‘enkel’ een exponent van die trend.

Maar dat artsen aarzelen om daarop in te gaan geeft even scherp de nieuwe ontwikkeling aan. Naast het subjectief criterium van het ‘ondraaglijk lijden’, dienen zij ook het noodzakelijk objectief criterium van medische uitzichtloosheid te bepalen. En die medische uitzichtloosheid wordt nu onduidelijker: wanneer is een psychiatrische ziekte, zoals o.a. bij een geïnterneerde, definitief medisch uitzichtloos (4% van alle euthanasies)? Dat is veel moeilijker te bepalen dan bij een kanker of bij een zenuwaftakeling zoals ALS en MS.

Dit voert naar een derde evolutie die de casus van de geïnterneerde uitvergroot: we gaan van euthanasie naar geassisteerde suïcide. Daarmee bedoel ik niet de wijze van levensbeëindiging (een drankje in plaats van een spuitje), maar wel het veranderend karakter van euthanasie. Een levensbeëindiging van een terminale kankerpatiënt die fysisch zwaar lijdt en bedlegerig is, is niet hetzelfde voor een arts als iemand doden die binnenwandelt met weerbarstige chronische niet-kankerpijn of met beginnende Alzheimer. Weer verschillend is het bij een psychiatrische zieke die nog tientallen jaren kan leven maar wel al negen suïcidepogingen achter de rug heeft, of die geïnterneerd is. Nog anders is de levensmoeë oude weduwe met artrose, slechte ogen en wat hartlijden, in een Woon- en Zorgcentrum. Levensbeëindiging krijgt meer het karakter van geassisteerde suïcide. Nu het verzoek van de geïnterneerde geweigerd werd, komt een andere weinig uitgesproken vraag naar boven: moet de maatschappij het mogelijk maken dat mensen op een propere manier uit het leven kunnen stappen wanneer zij dat willen, ook zonder ondraaglijk lijden en zonder medische uitzichtloosheid? Suïcide voorkomen en helpen uitvoeren zijn twee opdrachten die een nieuwe paradox vormen.

De euthanasievraag van een geïnterneerde legt voor mij minstens drie uitdagingen bloot: 1. Een financiële: euthanasie kan geen alternatief zijn voor zorg; mogelijkheid van goede zorg is een voorwaarde om eventueel van euthanasie te kunnen spreken. 2. Een therapeutische en educatieve: ondraaglijk psychisch lijden vraagt om geestelijke zorgmiddelen. Hoe goed beheersen vooral fysisch geschoolde zorgverleners die? Welke plaats krijgt lijden in de opvoeding? 3. Een maatschappelijke: beschouwen we de toename van euthanasie en daarin de tendens naar geassisteerde suïcide vooral als een overwinning van de zelfbeschikking of ook als een maatschappelijk probleem en een zorg-wekkende evolutie?

 

Marc Desmet