zaterdag 14 maart 2015

De zweep van Jezus: woede een plaats geven



Beter laat dan nooit: mijn homilie van de voorbije derde vastenzondag (B-jaar 2015) voor de UP van Leuven op 8 maart 2015.

 

Lezingen: Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-25

Het evangelie van de tempelreiniging van vandaag vormt een sterk contrast met het evangelie van vorige week, dat van de gedaanteverandering bij Marcus. Hier een soort contra-transfiguratie: Jezus die woedend wordt in de tempel en de boel uitmest. Jezus’ kuiswoede als het ware. De Zoon is niet zo zen, bij momenten. Verbaal en ook fysiek geweld.

Het is niet moeilijk om enkele actuele associaties te laten opkomen.

We denken aan de nieuwjaarsrede van de paus. Geen vrolijke bijeenkomst voor de Romeinse Curie. Franciscus confronteerde ze met 15 zonden: "roddelterreur", "pathologische drang om macht te veroveren", en natuurlijk "spirituele alzheimer", waardoor ze vergeten dat ze in de eerste plaats God moeten dienen.

Verbaal geweld. Maar ook fysiek. We denken aan de I.S. beeldenstorm van werelderfgoed, aan de Twin Towers, en de vele variaties op terroristische aanslagen.

Of misschien zult u - devoter – denken aan uw irritatie over de commercie in Lourdes. En de ‘tempel van zijn lichaam’ waarover ook sprake in de scène zal sommigen verwijzen naar de commercialisering van het lichaam, van organen, van seks, etc.

Woede is menselijk. De geboden en verboden van de eerste lezing stellen een ultieme grens: “Gij zult niet doden.” Maar ze lijken – slecht begrepen - het geweld ook uit te lokken: “Gij zult geen andere goden hebben ten koste van mij. Gij zult geen godenbeelden maken, geen afbeelding van enig wezen boven in de hemel. (…) want ik ben voor hen die Mij haten een jaloerse God die de schuld van de vaders wreekt tot het derde en vierde geslacht…”

Na het laten optrekken van deze stofwolk van associaties proberen we te bespeuren wat Johannes deed met dit gegeven.

Johannes doet twee literaire ingrepen die de tempelreiniging krachtiger maken dan bij Matteüs, Lucas, Marcus.

1. Hij plaatst ze helemaal vooraan in het evangelie (na de bruiloft te Kana, het eerste teken van Jezus en voor de nachtelijke ontmoeting met Nicodemus); daar waar de synoptici de tempelreiniging meer naar het einde van het evangelie, na de lijdensvoorspellingen, situeerden. Het is dus Jezus’ eerste optreden in de hoofdstad. Het is dadelijk ‘prijs’. Later volgen nog drie ‘feestreizen’. De laatste keer opnieuw voor een Pesachfeest. Je leest: “Jezus komt naar Jeruzalem”  ’t Zal weer wat zijn!

2. En Johannes voegt er een gesel, een zweep aan toe (niet zomaar een/het zweepje).  Hij heeft die zweep nodig om de offerdieren uit te drijven, ttz de brand- en slachtoffers van het Oude Testament.

Een krachtige boodschap van Johannes, namelijk: de Tempel heeft uitgediend, Jezus zal hem niet zuiveren, maar afbreken en door een andere vervangen. Het gaat niet meer om een gebouw dat men in 46 jaar heeft opgebouwd, en dat op kortere tijd door de Romeinen verwoest is geworden. Het echt huis van de Vader bestaat in zijn eigen persoon en de gemeenschap daarop gebouwd. Nieuwe wijn in nieuwe zakken. Johannes  radicaliseert het thema van de tempelreiniging. We lezen er een schreeuw om verinnerlijking van de eredienst in; een radicaal nieuwe opvatting over de plaats waar wij God ontmoeten. Die plaats is de persoon van de Verrezene, Jezus zelf. Zeg maar: de Mens met grote M, de mens in zijn of haar essentie. Een groot perspectief op weg naar Pasen. Maar ik zou misschien bij één aspect in dat perspectief willen stilstaan.

Deze passage heeft mij vooral doen stilstaan bij de uitdrukkingen heilige woede, ‘sainte colère’ (Lytta Basset). De heilige woede wordt hier letterlijk-literair op de voorgrond gebracht. De vastentocht naar Jeruzalem kan gelezen worden als een tocht van woede naar heilige woede.

Geen eenvoudig thema omdat Jezus zelf daar nogal ambivalent in verschijnt. Langs de ene kant lezen we heel wat Boze Boodschap in de Blijde Boodschap. Jezus maakt zich vaak boos. Langs de andere kant is Hij heel streng wat toorn en woede betreft, zoals blijkt uit zijn interpretatie van ‘Gij zult niet doden’ – verbod dat vandaag klinkt in de eerste lezing.

Beroepshalve ben ik daar nogal mee bezig en het is pas onlangs dat het me zo opviel dat Jezus in de Bergrede een link legt tussen doden en toorn: “Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: ‘Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.’ En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “nietsnut” zegt… Wie ‘Dwaas!’ zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan.” Interessant gezien de mediatieke toorn die we wel eens te horen krijgen rond euthanasie. Het klinkt paradoxaal uit de mond van iemand die vaak een Boze Boodschap heeft. Het zet nog meer aan om te zoeken naar het onderscheid tussen woede en heilige woede. Een uitzuivering, een vasten.

Taal leert al dat in woede ook iets positiefs, iets heilzaams kan zitten. ‘Hij was ver-woed bezig…’ ‘Met verwoede krachten zocht men naar een oplossing’. (Kuiswoede.) ‘Met nen godver en een dju’ (westvlaams). In woede zit kracht. Vandaar dat een vloek een ‘kracht-term’ is. Vloeken in de kerk – dat is wat Jezus in de tempel doet - kan kracht opwekken. En nog: we vinden dingen ‘geweld-ig’. We vonden iets verdomd goed.

Woede, verontwaardiging, ziedend zijn, kwaadheid, boosheid, wrevel, toorn, vertoornd, passie in de zin van lijden aan zijn hartstocht horen dus bij menszijn. Is incarnatie. Is Boze Boodschap. In Marriage Encounter is het een van de vier basisemoties die men probeert uit te schrijven over relaties: vreugde – verdriet – angst – én kwaadheid.

Maar wat is heilige woede, niet geile woede ? Heeft vasten daar een rol in? Is dat om de woede te kanaliseren tot iets vruchtbaars? Hoe van kuiswoede tot kuise woede?

  1. Woede kan ‘een ware factor van persoonlijke verandering, die onvermoede (en ver-woede) krachten mobiliseert in functie van een ander leven dan eerst voorzien’ (Lytta Basset p. 15). Heeft dit niet te maken met wat Schillebeeckx de ‘negatieve contrastervaring’ noemde?
     
  2. het gaat hier niet om het geheime, perverse plezier dat we allen kunnen hebben in een woede-uitbarsting of het zoeken van succes door een spectaculaire act of uitspraak, of door een enigszins gespeelde woede. Jezus weet immers ‘wat er in de mens steekt’, zoals de pericope fijntjes opmerkt op het einde. Hij weet namelijk dat degenen die vandaag ‘Hosanna’ roepen, morgen ‘kruisig hem’ roepen.
     
  3. Een heilige ‘colère’ verbindt ons meer met God. Ze sluit dus een breuk met God uit. Maar dit heeft ook een consequentie: als onze woede zo is dat de ander niet meer onze broer of zus is, dan kunnen we ook zijn/haar Vader in de hemel niet meer ontvangen….. De Mens is immers de nieuwe tempel. Efeziërs 4,25-27: Wordt toornig maar zondigt niet. De zon mag over uw toorn niet ondergaan, geef de duivel (de di-visor, de dia-ballein, de verdeeldheid zaaiende) geen kans.’ Geef de duivel geen kans, geef God een kans.
     
  4. Heilige woede zegt: «  Neem geen wraak maar geef een plaats aan de woede». Die ‘plaats’ kunnen we ‘God’ of goddelijk noemen. Het is niet aan ons om wraak te nemen… We schreeuwen die roep om wraak, om rechtvaardigheid naar God toe. We laten het aan de Ander over, zoeken daar ‘een plaats’ voor. Wetend dat God niet op de concrete manier tussenkomt zoals onze woede-fantasmes en heilige schriftteksten niet zelden suggereren.
    Exodus 22,23: Mijn toorn zal losbarsten en met het zwaard zal Ik u doden: uw vrouwen worden weduwen, uw kinderen wezen; of de  psalm waarin de wens wordt uitgedrukt dat de kinderen van de vijand worden verpletterd tegen de rotsen. Passage die men dan ten onrechte verwijdert uit de vrome lezing.
     
  5. Heilige woede neemt niet het recht in eigen handen maar zegt wel de waarheid. De ander heeft nood aan mijn waarheid net zoals wij nood hebben aan zijn waarheid. Het gaat erom dit te zeggen, zonder er welk resultaat ook van te verwachten of te forceren. De waarheid volstaat op zichzelf. Onze enige verantwoordelijkheid is ze te zeggen zoals ze is (de waarheid). We kunnen denken aan Jezus zelf die evolueert van de tempelgesel naar zijn houding tegenover Pilatus: Hiertoe ben  ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem.” Waarna Jezus de zweep over zich zal krijgen. En erger. Jezus wordt zelf slachtoffer van die waarheid.
     
  6. Dat brengt ons tenslotte bij de bijzondere band tussen heilige woede en slachtoffers.  Girard weet: “De meest efficiënte transformatie (van woede) is niet het revolutionair geweld maar de moderne bezorgdheid om de slachtoffers. Wat deze zorg inspireert en efficiënt maakt is het echte kennen van de onderdrukking en de vervolging ».  Jezus’woede dreef de dierlijke slacht-offers uit de tempel en haalde als het ware de menselijke slachtoffers binnen. De gevoeligheid voor allerlei soorten slachtoffers is allicht nooit zo hoog is geweest als in deze tijd. Denk aan de schrijfacties van Amnesty International. We kennen allemaal voorbeelden van dichtbij of verderaf, buiten en binnen onze parochiegemeenschap.

Vasten kan je zien als een tijd om een goede plaats, een juist kanaal te geven aan onze woede. Woede zonder macht. Machteloze woede. Heilige woede. Maar wel een kracht-term.

 
Marc Desmet sj

vrijdag 9 januari 2015

Euthanasie bij een geïnterneerde: een vergrootglas voor het hele euthanasiedossier


Dit artikel kreeg ik niet gepubliceerd in De Morgen. Teveel wendingen, teveel terreur in Parijs...

De euthanasievraag van een geïnterneerde, de kroniek van zijn aangekondigde dood, en de laatste wending in het dossier stellen een aantal evoluties van het hele euthanasiedossier op scherp. Deze zijn in de kiem altijd aanwezig geweest, maar komen nu helemaal aan de oppervlakte. Meteen plaatst dit ons nog duidelijker voor minstens drie uitdagingen en keuzes.

De eerste evolutie is de toenemende band tussen euthanasie en economische rationaliteit. Een grondreden voor de voorgestelde euthanasie was het gebrek aan gepaste opvang voor geïnterneerden, terwijl die luttele kilometers verder in Nederland wel voorzien is. Dat justitie aanvankelijk wel de toelating gaf om deze man te transfereren naar de ziekenboeg in Brugge voor een euthanasie maar onvoldoende initiatieven ontwikkelde om geïnterneerden buiten gevangenismuren op te vangen, is dubbelzinnig. In hoofde van de justitieverantwoordelijke en voor de lijdende kan het zeker een barmhartig gebaar zijn. Voor de maatschappij echter liet men door die mogelijke ‘vrijlating’ ook de gedachte ontsnappen dat economie en euthanasie nauw gelinkt zijn: je krijgt geen aangepaste zorg, wel euthanasie.

Deze bezorgdheid omtrent aangepaste zorg geldt mutatis mutandis voor veel grotere groepen, bijvoorbeeld de personen met dementie. Ook daar blijft marge voor verbetering. We beschikken in België weliswaar over een mondiaal bijna uniek palliatieve-zorgsysteem dat alle zorgsituaties covert. Toch zijn de Woon- en Zorgcentra met hun vele dementerenden juist de minst bedeelden op dit punt. In de volgende jaren zal het aantal dementerenden gevoelig stijgen en zo ook het kostenplaatje. In welke mate sluipt de goedkope euthanasieoplossing in het hoofd van beleidsmakers, en vooral: in het hoofd van de zieken zelf? Geen vrije keuze zonder goede zorgmogelijkheid: de casus van de geïnterneerde is er alleen een extreme uiting van.

De tweede evolutie betreft het type persoon dat in toenemende mate euthanasie vraagt. Euthanasie verbinden de meesten onder ons met het typebeeld van de kankerpatiënt, die in een terminale fase is met hoofdzakelijk een ondragelijk lichamelijk lijden. Net zoals de geïnterneerde, ontmoeten we nu een toenemend aantal nieuwe euthanasievragers, met nog vrij lange levensverwachting, die ondraaglijk psychisch lijden en waarvan de medische uitzichtloosheid minder duidelijk is. De beslissende factor om euthanasie te vragen is bij hen niet zodanig lichamelijk maar wel geestelijk lijden: niet willen tot last zijn, toenemende afhankelijkheid, angst voor wat komt, de zin niet inzien van deze laatste maanden of jaren, therapeutische burn-out, en gewoon de vaste wil om te sterven. Dat iemand psychisch ondraaglijk lijdt omdat hij jaar in jaar uit 23 op 24 uur in een cel zit, is ‘enkel’ een exponent van die trend.

Maar dat artsen aarzelen om daarop in te gaan geeft even scherp de nieuwe ontwikkeling aan. Naast het subjectief criterium van het ‘ondraaglijk lijden’, dienen zij ook het noodzakelijk objectief criterium van medische uitzichtloosheid te bepalen. En die medische uitzichtloosheid wordt nu onduidelijker: wanneer is een psychiatrische ziekte, zoals o.a. bij een geïnterneerde, definitief medisch uitzichtloos (4% van alle euthanasies)? Dat is veel moeilijker te bepalen dan bij een kanker of bij een zenuwaftakeling zoals ALS en MS.

Dit voert naar een derde evolutie die de casus van de geïnterneerde uitvergroot: we gaan van euthanasie naar geassisteerde suïcide. Daarmee bedoel ik niet de wijze van levensbeëindiging (een drankje in plaats van een spuitje), maar wel het veranderend karakter van euthanasie. Een levensbeëindiging van een terminale kankerpatiënt die fysisch zwaar lijdt en bedlegerig is, is niet hetzelfde voor een arts als iemand doden die binnenwandelt met weerbarstige chronische niet-kankerpijn of met beginnende Alzheimer. Weer verschillend is het bij een psychiatrische zieke die nog tientallen jaren kan leven maar wel al negen suïcidepogingen achter de rug heeft, of die geïnterneerd is. Nog anders is de levensmoeë oude weduwe met artrose, slechte ogen en wat hartlijden, in een Woon- en Zorgcentrum. Levensbeëindiging krijgt meer het karakter van geassisteerde suïcide. Nu het verzoek van de geïnterneerde geweigerd werd, komt een andere weinig uitgesproken vraag naar boven: moet de maatschappij het mogelijk maken dat mensen op een propere manier uit het leven kunnen stappen wanneer zij dat willen, ook zonder ondraaglijk lijden en zonder medische uitzichtloosheid? Suïcide voorkomen en helpen uitvoeren zijn twee opdrachten die een nieuwe paradox vormen.

De euthanasievraag van een geïnterneerde legt voor mij minstens drie uitdagingen bloot: 1. Een financiële: euthanasie kan geen alternatief zijn voor zorg; mogelijkheid van goede zorg is een voorwaarde om eventueel van euthanasie te kunnen spreken. 2. Een therapeutische en educatieve: ondraaglijk psychisch lijden vraagt om geestelijke zorgmiddelen. Hoe goed beheersen vooral fysisch geschoolde zorgverleners die? Welke plaats krijgt lijden in de opvoeding? 3. Een maatschappelijke: beschouwen we de toename van euthanasie en daarin de tendens naar geassisteerde suïcide vooral als een overwinning van de zelfbeschikking of ook als een maatschappelijk probleem en een zorg-wekkende evolutie?

 

Marc Desmet

vrijdag 12 december 2014

Hij komt, hij komt, die goede lieve Heer!


Op zondag 7 december 2014 gaf ik in Lier voor de gemeenschap De Brug  de volgende adventshomilie:

Marcus 1, 1-8

[1] Begin van de goede boodschap van Jezus Christus, Zoon van God. [2] Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit,
om uw weg te banen;
[
3] een stem roept in de woestijn:
Bereid de weg van de Heer,
maak zijn paden recht,
[
4] zo trad Johannes op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering tot vergeving van zonden. [5] Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden. [6] Johannes ging gekleed in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing. [7] Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. [8] Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.

 

Hij komt, hij komt, die lieve, goede Sint!

Hij komt, Hij komt, die lieve, goede Heer! Zo lijkt het wel in de lezing(en): ‘Hier is de Heer God. Hij komt in kracht’, riep Jesaja reeds tot het volk in ballingschap (Jes 40,10). Ruim vijfhonderd jaar later laat Marcus Johannes de Doper roepen : ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik…’ Dat is onze toe-komst, ad-vent in het latijn: dat Iemand, de Heer, naar ons toe-komt. Heer-lijke toekomst. Als er perspectief komt in mijn leven, dan verandert het heden. Als ik alleen al maar weet dat er iets of iemand anders komt, kan ik nu toch al weer beter voort. Maar wat of wie biedt toekomst?

 

  1.  HET MASSALE SUCCES VAN JOHANNES DE DOPER

Die Johannes de Doper lijkt immers niet erg heerlijk of aanlokkelijk. Figuur van soberheid: kameelharen kleed – ruw denk ik dan, ik krijg al jeuk en rillingen als ik het me voorstel -  leren gordel, sprinkhanen en wilde honing als voedsel. Geen sinterklaassnoep. Hij zondert zich ook af: in de woestijn, wel bij water, de Jordaan. En hij preekt bovendien een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden.

Nog opvallend bij deze ascetische figuur is dat hij zichzelf niet predikt – een flinke vorm van ascese in onze cultuur van voor jezelf opkomen en narcisme. Hij verwijst naar een komende “die sterker is dan ik… Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest.” De ascese van de lerares die een leerlinge heeft waarvan ze voelt dat zij meer getalenteerd is, en die haar werkelijk die ruimte geeft en gunt.

Maar het meest opvallende in dit stukje evangelie voor mij is het succes van deze onaantrekkelijke, zonderlinge figuur: ’Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden…’ Wat is er in godsnaam aantrekkelijk aan ‘een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden’? Je ziet de mensen in het Marcusverhaal als het ware met enig enthousiasme ‘hun zonden belijden’. Wat kan mensen daartoe in beweging brengen? Welk soort zondebesef zou mij stappen doen zetten, mij doen keren, be-keren? Toch niet het blijvend feit dat ik misschien al heel mijn leven tegen een aantal persoonlijke obstakels aanloop, tegen mijn libido, mijn karakter? Ik wil me misschien wel bekeren maar wat keert mij tot leven en maakt mij zo enthousiast of minstens nieuwsgierig dat ik ervoor door de woestijn wil trekken? Wat creëert toe-komst, ad-ventus? (Wat opent wegen voor mij – ook al weet ik nog niet hoe ik mij zal bewegen op die wegen?)

Het is dat massale, dat collectieve wat me treft in het beeld aan het begin van het Marcusevangelie, en dat ik gelovig niet zomaar wil reduceren tot  een fenomeen van massa-psychose. Is er zoiets in onze maatschappij waarin de massa zo ver van termen als ‘bekering’ lijkt?

 

  1. BEKERING EN SCHIJNBARE ONOMKEERBAARHEID

Wel, misschien spreekt ‘bekering’ ons vanuit de indruk van on-omkeer-baarheid, schijnbaar of niet, van een aantal fenomenen. (1) Is er niet een soort collectief bewustzijn van de onomkeerbaarheid van de opwarming van onze planeet? Met regimes kan je onderhandelen, maar niet met natuurrampen en smeltende gletsjers. Maar ondertussen rijd ik toch 50.000 km per jaar met een diesel. (2) Is er niet een collectief bewustzijn dat we verder moeten met minder – massale stakingen of niet - dat we inderdaad ‘meer met minder’ zullen moeten doen, maar dan niet in de orde van de economische efficiëntie, maar in een spirituele orde: meer leven met minder geld en materieel; we weten dat maar trekken we er praktische conclusies uit? (3) zijn we het er eigenlijk niet allemaal over eens dat er op alle terreinen overgereguleerd wordt maar dat we het gevoel hebben in dit spinnenweb vast te kleven - noem het maar een seculiere vorm van klerikalisme dat tegelijk met het kerkelijk neo-klerikalisme overhand toeneemt. En meer ‘lekkers’.

Kortom, we hebben het hier over fenomenen die de schaal van mijn allerindividueelst en interindividueel zielenheil overschrijden, maar die ons collectief heil betreffen en waar we willens nillens aan meedoen of in vastkleven; zaken die onze persoonlijke fysische en geestelijke gezondheid overschrijden en gaan over ons werkklimaat, ons sociaal klimaat en het wereldklimaat. Al die klimaten lijden onder roekeloze ingrepen – door managers, door politici, door industriëlen en door ons allen in de wagen of in het vliegtuig - waarvan men de gevolgen slechts op lange duur ziet. We zitten erin vast; al weten we dat dit belangrijk is.

 

  1. BEKERING ALS BEKERING VAN ONS ZONDEBESEF

We hebben het hier over be-kering als bekering van ons zondebesef. Misschien betekent bekering wel het hervinden van een vurig besef dat de K van Katholiek niet verwijst naar Klerikalisme maar naar katholicisme als wat het etymologisch hoort te zijn: kata holou, betrokken op het geheel, het heil van de kerkgemeenschap en de mensheid. Dat het de moeite waard is om duidelijk te maken dat de toekomst van het katholicisme niet ligt in een select groepje zuiveren maar in een groep van open kristenen die zich in hun bezorgdheid voor het heil van de wereld soms dichter voelen bij bepaalde atheïsten, agnosten, vrijdenkers met eenzelfde bezorgdheid - Bien étonnés de se retrouver - dan bij gelovigen die het plan van God lijken gelijk te stellen met een aantal morele en liturgische wetten. Zo suggereerde Anne Provoost in haar ‘Atheïstisch sermoen’.

Enkele jaren geleden ontmoette ik een briljante prof van de KU Leuven die zich ‘agnost’ noemt, maar ook de echte ‘pijn’ vertolkte niet meer tot die katholieke gemeenschap te horen. Eigenlijk stond hij – paradoxaal genoeg – achter de UP want “daar heb je een gemeenschap”. Opnieuw dat collectieve. En dat miste hij. Misschien lopen de scheidingslijnen tussen gelovigen en ongelovigen niet altijd waar we ze menen te moeten leggen. Bijvoorbeeld de scheidingslijn tussen een soberheid, een ascese die het geheel, de planeet, de massa toelaat te leven ten opzichte van een ascese die het individuele heil voor ogen heeft. Of de scheidingslijn tussen een beroep op de wil van God dat het behoud van onze schepping en van de menselijkheid voor ogen heeft ten opzichte van een beroep op de wil van God dat het behoud van macht en controle van bestaande structuren, hiërarchieën, verhoudingen maskeert  – is seksueel misbruik in de kerk ook niet een vorm (al dan niet geweest) van machtsmisbruik en van structuren?

Zonde heeft ook te maken met structuren, met de collectiviteit, zeker in een geglobaliseerde wereld. En zondebesef met het bewustzijn daarvan.

 

  1. NOOD AAN VUUR, AAN HEILIGE GEEST

We zijn akkoord dat we vastzitten in opwarming, overregulering, consumptie, vervuilende vervoermiddelen, financiële mechanismen en machinaties, M/V verhoudingen binnen de kerk. We kunnen onze eventuele zonden op dat punt wel belijden, het zijn zaken die ons wel kunnen mobiliseren, maar vaak ontbreekt het enthousiasme, de geest-drift om een belangrijke stap te zetten. Precies hier houdt het evangelie ons voor: ‘Hij zal u dopen met de heilige Geest’. Hij, de Christus, gaat komen, maar het moet nog groeien. De advent kan een tijd zijn waarin ons bewustzijn kan groeien tot een elan, een en-theo-siasme om een of andere concrete belangrijke stap te zetten. Maar dat kan niet groeien zonder dat er nu een kleine stap wordt gezet om in te gaan tegen de neiging om mij ontmoedigd neer te leggen bij de onomkeerbaarheid van een aantal fenomenen.

Een geestelijke regel zegt : Als het niet goed gaat, als je je ontmoedigd voelt, of machteloos en misschien verward, dan moet je wel ‘iets’ doen, iets symbolisch, een kleine stap te zetten – geen grote, want dat gaat nog niet – om de negatieve spiraal te vermijden en de positieve dynamiek terug te vinden. Wat is eucharistie anders in de kiem? Een man wiens project helemaal was mislukt, uitzichtloos, en die dan iets kleins, iets symbolisch doet: wat brood, wat wijn of een voeten wassen… en kijk, we doen het nog steeds, tweeduizend jaar later. Dat is sterk. Een beweging tot vandaag. Na Johannes kwam inderdaad iemand die ‘sterker was dan hij’.

‘Begin’, dat is het eerste woord van het evangelie van Marcus: ‘Begin van de blijde Boodschap.’ Het lijkt een beetje stom. Natuurlijk dat het begint bij het eerste woord. En toch, luister goed: je moet ergens beginnen, ergens een sober, ascetisch, disciplinair stapje zetten… om tot beweging, tot echt en-theo-siasme  te komen… tot een toe-komst voor deze dag, deze week, dit jaar. Het is zoals met het schrijven van een stuk: je moete eraan beginnen… en je moet ook kunnen eindigen.

Laat me dan eindigen zoals ik begonnen ben: met Sinterklaas, of liever zwarte piet. Bekering heeft bij wijze van onnozel voorbeeld misschien te maken met bewust worden dat de discussie rond de figuur van zwarte piet mogelijks toch niet zo onschuldig is, niet zonder schuld,  toch niet zo overdreven. Amerikaanse jezuïeten hebben me verteld dat de weerstand tegen Obama – ooit ‘hoop voor de wereld’ – fundamenteel een racistisch probleem is: veel US-citizens kunnen een zwarte president niet verdragen. Obama is de zwarte piet. Schande. Maw: veel bewustwordingen zijn begonnen als piete-peuterig, zwarte-pietepeuterig,  kleinzerig, negatief, niet terzake, overdreven… en toch…

Goed Sinterklaasweekend nog! Goede advent! Hij komt, hij komt die lieve, goede Heer.

 

Marc Desmet sj

maandag 17 november 2014

Women got talent!



Op zondag 16 november 2014 hield ik in een flink bezette Begijnhofkerk voor de aandachtige Universitaire  Parochie van Leuven de volgende homilie:


 

Spreuken 31,10-31

Matteüs 25, 14-30

 

  1. Spreuken: loflied op de sterke vrouw – wat heet een sterke vrouw?

 

Women got talent!

Dat zou de kernachtige samentrekking kunnen zijn van de twee lezingen van dit weekend: Het loflied op de sterke vrouw (eerste lezing) én de gelijkenis van de talenten (evangelie).

Aangezien de liturgist meestal een verband ziet tussen de eerste lezing en het evangelie vroeg ik mij wat dit verband hier zou mogen zijn. (1) Is het gewoon om te zeggen om te weten wat we allemaal weten in de UP: women got talent? (2) Zit het in het vormelijke feit dat de lezing over de sterke vrouw het einde betreft van het boek Spreuken, met name het 31° hoofdstuk, verzen 10-31 – net zoals de gelijkenis van de talenten gaat over de eindtijd én zich situeert naar het einde van het evangelie van Matteüs, net voor het lijdensverhaal? Als ik me niet vergis wordt de ‘sterke vrouw’ overigens wel eens vaker ‘opgevoerd’ bij een begrafenis, ook een eindtijdelijk gebeuren. (3) Of mogen we er ook een inhoudelijke reden voor zoeken?

Waar gaat dat loflied eigenlijk over en wat heet ‘een sterke vrouw’ in het voor de rest vrouwonvriendelijk boek Spreuken met zinnen als: ‘De mond van een lichtzinnige vrouw is als een diepe put’ (22:24) en ‘Verspil je krachten niet aan vrouwen’, en meer moois van dat. We hoorden er nog iets van in: ‘bevalligheid is bedrieglijk’, en al wordt een man natuurlijk graag op die manier bedrogen, toch heeft het boek iets goed te maken voor de vrouw op het einde, lijkt het wel. Men heeft er een stukje aan toegevoegd in een literair genre dat anders is dan de rest van het boek.

Wat hoorden we niet in de eerste lezing die die zinnen uitselecteerde die de wijze vrouw traditioneel voorstelde als trouwe echtgenote die haar man goed doet en ijverig de weefspoel in haar vingers houdt. Zo filterde men enkele zinnen uit die nochtans in het perspectief van het evangelie treffend waren.

Enerzijds is er haar zakelijke en zeer werkzame talent:

‘Zoals een koopmansschip naar verre streken vaart,

Zo haalt zij van verre wat ze nodig heeft.

Ze staat al op als het nog donker is,

Regelt het werk in huis, draagt haar slavinnen taken op.

Als zij haar zinnen op een akker zet, koopt ze hem,

Van wat ze heeft verdiend, plant ze een wijngaard.

Zij is vol daadkracht,

Onvermoeibaar is ze in de weer.

Zij vervaardigt kleding en gordels,

En levert die aan kooplui.

Handeldrijven gaat haar heel goed af,

’s nachts gaat haar lamp niet uit.’


Anderzijds is er haar sociale kant, talent:

 

Haar handen strekt zij uit naar de behoeftigen,

Ze geeft de armen hulp.

Niemand in haar huis hoeft sneeuw te vrezen,

Zij heeft hen allen warm gekleed. (de naakten!)

 

Uit haar verschijning spreken dus kracht en waardigheid. Talent!

 

  1. De gelijkenis van de talenten: Wat heeft de sterke vrouw  nu met het evangelie te maken?

Wel, laten die zakelijke kant en dat oog voor de arme nu juist sterk aan bod komen in de evangelielezingen van deze én komende zondag. Deze zondag horen we hoe in het perspectief van het Rijk der hemelen balansen worden gemaakt, hoe bij wijze van spreken de Raad van Bestuur (de Mensenzoon) het management (de mens die zich engageert voor het Rijk Gods) beoordeelt. Wat zijn de criteria?

De Raad van Bestuur geeft een opdracht, een richting, stelt een bepaald budget, een bezit ter beschikking. ‘Talent’ in de gelijkenis van de talenten moet immers in de eerste plaats verstaan worden als geld, en niet als een persoonlijke eigenschap, zoals wij het woord talent meestal direct verstaan. Neen, de drie dienaars kregen talent, dwz euro (500.000, 200.000, 100.000) volgens hun ‘bekwaamheid’/talent.  Daarna trekt de man op reis, zoals de Raad van Bestuur zich uit het huis terugtrekt, en op een bepaald moment de resultaten evalueert. En dan gaat tellen: hoeveel winst is er?

Matteüs - was hij traditioneel geen tollenaar? -  lijkt mij aan te geven: het Rijk Gods, het werken in de wereld met het Rijk Gods voor ogen, heeft een zakelijke kant. Zij het wel ingebed in een bepaalde aandacht, daarover straks nog meer. Maar hier geldt alvast: Het Rijk Gods heeft te maken met gebruik van middelen: het hele paradigma van beheer van geld, slimmigheid en lean management, materialiteit, concreetheid, concrete verantwoordelijkheid, inzet, bekwaamheid, competentie, vrij initiatief, goed management. Het gaat ook om meetbare resultaten, om cijfers, om tellen: vijf plus vijf talent, twee + twee talent, één + nul talent, waarna dat ene talent aan de tien van de bekwaamste wordt toegevoegd. 10 + 1 = 11. Zijn we niet allen op een of andere manier zo bezig?

De ‘zaak’ van Jezus vraagt ook zakelijkheid en inzet, initiatief. Allicht was dit in Matteüs des te meer nodig omdat men aanvankelijk dacht dat het einde van de wereld er snel aan kwam. Dat bleek steeds duidelijker niet het geval te zijn. Er was geen plaats voor apatisch afwachten. Het Rijk der Hemelen diende niet in de eerste plaats verwacht worden in een nabij hiernamaals maar in een concreet hiernumaals, en wel voor steeds meer mensen, voor een gemeenschap in uitbreiding.

Wat ik dus in dit stukje evangelie vooral hoor: een aansporing tot creativiteit, tot vrij initiatief, tot risico’s nemen, tot zelfstandigheid. Het doet me denken aan mijn broer die met 100.000 Bf begon en voor tientallen miljoen euros verkocht, nadat hij aan velen werk gaf ; we hielden ons hart vast bij de risico’s die hij nam. Het eindresultaat moet anders zijn dan het bezit dat ik kreeg. Wat wordt afgestraft, ook in he Rijk Gods, is een houding die zich door angst laat inspireren, door een bepaald conservatisme dat wil bewaren, denkt te moeten bewaren zoals men het gekregen heeft.

 

‘Uitstekend, goede en trouwe dienaar,  over weinig waart ge trouw, over veel zal ik u aanstellen…’ Wat we hierin nog anders gezegd kunnen horen is een dynamische opvatting over wat trouw is : de leerling die ‘woekerde’ met zijn bezit, er iets anders van maakte, die wordt trouw genoemd, niet degene die zogezegd trouw bewaarde, en onveranderd teruggaf. ‘Ge moe joe weirn’, ‘Plus est en vous…’ heb ik honderden keren gehoord.

 

  1. Maar klinkt die lezing toch niet onevangelisch, materialistisch, onchristelijk? En wat met die hardheid in deze evangelies? Over het middel (talenten) en het doel (de komst van de heer in de geringsten)

Tegen de arme man met het ene talent: gooi die in de uiterste duisternis… Net zoals met de niet voorzienige bruidsmeisjes vorige week op het einde: ‘Ik ken jullie niet…’ En volgende week tegen de bokken: de eeuwige bestraffing…. Wat met de barmhartigheid, wat met de aandacht voor de zwakke?

We moeten de beelden laten zeggen wat ze willen zeggen en ons niet vergapen op wat ze niet willen zeggen. Daartoe, denk ik, moeten we het geheel van de rede van de eindtijd zien. En het lijkt me daarom nodig om zowel het evangelie van de tien bruidsmeisjes van vorige week als het evangelie van het laatste oordeel met de scheiding van schapen en bokken erbij te halen. Vorige week hoorden we met de bruidsmeisjes: we moeten waakzaam zijn, mindful,  voor de komst van de Heer voldoende olie bewaren, voorzienig zijn. Volgende week zullen we horen: ‘Ik had honger en jullie hebben gaven mij te eten… Ik was naakt en jullie hebben mij gekleed…. Ik verzeker jullie: wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters dat hebben jullie voor mij gedaan.” De Heer komt met andere woorden via de onaanzienlijksten in ons leven. Dat is het laatste oordeel. De eindtoets zit juist in het resultaat van wat we doen voor de armsten. De echte aandeelhouders zijn de onaanzienlijksten in het Rijk Gods. Er kan dus geen sprake van zijn om in deze evangelies een verwerping van de zwaksten te zien.

Wat deze drie zondagen mij lijken te vertellen: het verhaal van de talenten is als het ware ingebed in dat van de bruidsmeisjes en het laatste oordeel die beiden gaan over ontmoeting, het doel, terwijl de omgang met de talenten ‘enkel’ het middel betreft:

  1. De tien bruidsmeisjes (Mt 25,1-13) – doel: Christenen leven van ontmoetingen; ze verwachten de komst van de Heer in hun leven want Hij is bron van echt leven: daartoe is waakzaamheid, mindfulness, voorzienigheid nodig. Dat lijkt misschien een innerlijke, geestelijke zaak maar menswording is tegelijk werken aan een rechtvaardiger, beter wereld om in te leven. En we nemen dat bijzonder ernstig, op het strenge af.
  2. De talenten (Mt 25,14-30) – Middel: Vandaar een zakelijke kant: wij zijn tegelijkertijd als mensen aan wie het ‘management’ van het Rijk Gods is toevertrouwd. Dat is in een geseculariseerde, postmoderne wereld met zijn eigen economische, politieke, medische, sociale, mediatieke enzovoort logica en wetmatigheden des te meer het geval. Een menselijker ruimte creëren vraagt om inzet en concrete resultaten, initiatief, risico, investeren…
  3. Het laatste oordeel(Mt 25,31-46) - Doel: maar de bedoeling, het resultaat zou moeten zijn: de ontmoeting – de ontmoeting met onze hoofdaandeelhouders: de arme, of met wat arm, gevangen, naakt, vreemd is in de ander. Maar er zijn niet alleen meetbare, constateerbare resultaten. Er zijn ook veel onmeetbare effecten. Van veel van het goede dat we doen in ons leven zijn we ons immers niet bewust – soms, heel even, horen we er iets van – maar we zullen het meestal niet weten. Maar goed, die beperking houdt ons nederig. Het grote effect is dat we, zonder het meestal te weten of bewust te zijn, de Heer ontmoeten. We zullen zeggen in die zin: ‘Wanneer hebben we u hongerig gezien? Als vreemdeling gezien?...’ En toch…

Als we nog even terugblikken op de sterke vrouw met haar zakelijke kant en haar oog voor de arme, twee essentiële elementen die in het eindtijdelijke oordeel bij Matteüs voorkomen, en bovendien het derde laatste vers in Spreuken 31 lezen: ‘Er zijn veel sterke vrouwen’, weten we nog beter: women got talent

 

Marc Desmet sj

zondag 12 oktober 2014

De verworpene als hoeksteen


Op zondag 5 oktober hield ik volgende homilie in de Universitaire Parochie van Leuven:

Matteüs 21,33-43

 

[33] Luister naar een andere gelijkenis. Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij zette hem met een omheining af, groef er een perskuil* in en bouwde er een wachttoren. Hij verpachtte* hem aan wijnbouwers en vertrok naar het buitenland. [34] Maar toen de tijd van de vruchten gekomen was, stuurde hij zijn slaven naar de wijnbouwers om de vruchten in ontvangst te nemen. [35] De wijnbouwers grepen zijn slaven vast; de een gaven ze een pak slaag, een ander doodden ze, een derde stenigden ze. [36] Hij stuurde toen andere slaven, meer dan de eerste keer, en ze deden met hen hetzelfde. [37] Later stuurde hij zijn zoon naar hen toe, met de gedachte: mijn zoon zullen ze ontzien. [38] Maar toen de wijnbouwers de zoon zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden en zijn erfdeel in bezit nemen.” [39] Ze grepen hem vast, gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. [40] Welnu, wanneer de eigenaar van de wijngaard komt, wat zal hij dan met die wijnbouwers doen?’ [41] Ze gaven Hem ten antwoord: ‘Hij zal die ellendelingen een ellendige dood bezorgen, en de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers geven, die vruchten aan hem afdragen wanneer het er de tijd voor is.’ [42] Jezus zei tegen hen: ‘Hebt u nooit in de Schriften gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, die is de hoeksteen geworden. De Heer heeft dit gedaan; het is een wonder in onze ogen? [43] Daarom zeg Ik u: Het koninkrijk van God zal u ontnomen worden en gegeven worden aan een volk dat de vruchten van het koninkrijk voortbrengt.

 

Blijde Boodschap is voor een stuk ook Boze Boodschap. Dat merken we bij Jesaja en Matteüs. Zij ventileren niet alleen maar proberen ook de betekenis van de geschiedenis, van de gebeurtenissen proberen te herlezen. Zoals wij. Telkens in andere omstandigheden ; maar toch vanuit een gemeenschappelijk verhaal.

 

  1. Matteüs.

 

Matteüs blikt terug op de geschiedenis van Israël vanuit de activiteit van Jezus van Nazaret, en vanuit de manier waarop hij en zijn boodschap werden ontvangen, met name niet ontvangen door de geestelijke leiders van Israël (en uiteindelijk ook niet door het Joodse volk). Die Jezus was sterk geïnspireerd door Jesaja. En Matteüs blikt ook terug vanuit de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus.

 

Matteüs ‘doet het’ op zijn geliefde manier: met een allegorie: al de figuren hebben een bepaalde betekenis – er wordt weinig aan de verbeelding overgelaten, toch in een eerste lezing. In een tweede lezing kunnen de verbeelding meer aan de macht laten.

 

De landeigenaar is God, de vader.

Die legt een wijngaard aan, met veel zorg : opnieuw is er sprake van een omheining, een wijnpers, een wachttoren – zoals bij Jesaja. Zorg voor zijn geliefde, Israël, het volk Gods.

De wijngaard wordt toevertrouwd aan wijnbouwers wanneer de landeigenaar vertrekt. Die wijnbouwers zijn de geestelijke leiders van Israël.

 

Als het tijd is voor de oogst, zendt de landeigenaar dienaars. Dat zijn de profeten.

Een eerste generatie wordt mishandeld, gestenigd, gedood. Allicht zijn het de profeten van voor de ballingschap. In het begin van zijn evangelie geeft Matteüs immers aan dat hij de geschiedenis denkt in 3 x 14 generaties : van Abraham tot David, van David tot Ballingschap, van Ballingschap tot de Messias.

Er komt een tweede, nog talrijker generatie dienaars, maar zij ondergaan hetzelfde lot. Allicht de profeten van na de ballingschap.

En dan komt de zoon van de landeigenaar, de Messias, de Christus ; voor Matteüs het hoogtepunt van de geschiedenis. Hij wordt ook vermoord, vanuit de vreemd klinkende redenering dat als de zoon dood is, zij de erfenis krijgen.

 

Zoals Jesaja tegenover Jeruzalem vraagt Matteüs nu aan de hogepriesters en de oudsten van het volk: wat denkt gij daar zelf van ? Beoordeel eens (u)zelf ! Matteüs laat ze hun eigen veroordeling uitspreken hun: ‘Als de eigenaar komt, zal hij die misdadigers een ellendige (recente vertaling: ‘mensonwaardige’) dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan anderen verpachten die wel zullen de vruchten afdragen.’

 

Het beeld van God dus dat Matteüs in de geschiedenis leest is dat van de landeigenaar die zijn dienaars zendt om de vruchten van zijn eigendom in ontvangst te nemen. Maar deze profeten worden vermoord. Dan zendt hij zijn eigen zoon. Hoe zoudt ge zelf zijn? Wel…toch niet zo, want hij wordt vermoord. En wel buiten de omheining van de wijngaard, ‘buiten de muren’ – een allusie op Golgotha buiten de muren van Jeruzalem.

 

Matteüs legt in Jezus’ mond een verpletterende verantwoordelijkheid bij de leiders van het joodse volk, niet zodanig bij het volk zelf (Het vers dat onmiddellijk op onze lezing volgt, luidt: ‘Wie over deze steen valt, valt te pletter en als hij op je valt, word je vermorzeld.’ Mt 21,44).

 

Toch zult ge merken, zegt Matteüs tenslotte, dat die verworpen zoon de hoeksteen wordt van een nieuw volk en daarmee alludeert hij op de christenen. Het schijnt dat in het hebreeuws het woord ‘zoon’ en ‘steen’ dicht bijeen liggen : zoon = ‘ben’ ; steen ‘eben’.

 

  1.  Onze tijd: onze kerkleiders
     
    Wat zouden wij uit Matteüs’ allegorie kunnen leren?
     
    Uiteraard kan de kritiek van Jesaja op Jeruzalem, en van Matteüs op de joodse leiders gemakkelijk getransponeerd worden op de huidige ‘wijnbouwers’, kerkleiders. Nadat vele theologen ook in een recent verleden kritiek hebben uitgebracht op onrechtvaardige structuren en godsbeelden, en daarvoor niet zelden werden mond-dood gemaakt, niet in het minst door de vorige paus in zijn functie als prefect van de Congregatie voor de geloofsleer, merken we dat nu de paus zelf, deze toch wel een speciale zoon van de Kerk en van God die ons tot onze verbazing werd gezonden, de kerkleiding probeert te hervormen. Hij doet dat  resoluut maar zo kwetsbaar.  We mogen wel merken dat de bisschop van Antwerpen een toch wel ongewoon vrijmoedig woord heeft gesproken met het oog op de gezinssynode die vandaag start. Maar we merken dat dit op veel interne weerstand stuit en dat succes alles behalve verzekerd is, en dat verwerping buiten de Romeinse muren niet onwaarschijnlijk is.
     
    Het is maar een associatie, maar misschien toch een ‘sprekende, namelijk dat Johannes Paulus XXXIII, toch wet de soul mate van Franciscus, het zo hoopgevende tweede Vaticaans Concilie aankondigde in de kerk van Sint Paulus buiten de (Romeinse) muren. De hoeksteen van de Kerk is te vinden buiten de Romeinse muren. Heel zeker. Het is overigens ook daar dat Franciscus ons roept, vooral bij hen die buiten de muren worden geworpen.
     
  2. Onze tijd: wij
     
    Maar misschien is die transpositie naar kerkleiders te gemakkelijk en moeten we dit evangelie nog meer naar onszelf en onze lokale cultuur toehalen want er zit nog meer in dan een kritiek op leiders. Zoals Matteüs aan de joodse leiders: wat denkt gij daar zelf van ? Beoordeel eens (u)zelf !
     
    Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat in onze Europese realiteit van elke dag de landeigenaar weg is. God de Vader is verdwenen (ver weg of gewoon onbestaand), uit een maatschappij die heel rijk is. Een maatschappij die voordien erg ‘omheind’ was met veel religieuze wetten, met een bepaalde zorg en solidariteit, met een bepaald Godsbeeld (de Vader). De secularisering. De wijngaard, de mensen, Gods volk, is/lijkt volledig in mensenhanden. Zelfbeschikking. Het beheer van het goed is volledig in mensenhanden. Om het met het beeld van het evangelie te zeggen: wij beschouwen ons in onze cultuur eerder als eigenaars dan als pachters: van ons lichaam, van ons werk, van ons huis, van de vruchten van ons werk, ook van onze kerk, kortom van ons leven. ‘Het is toch mijn leven’.
     
    Misschien zeggen we dit ook, zonder het te zeggen, als Europese gemeenschap: ‘Het is toch ons leven.’ Europa tracht zich af te schermen, te omheinen. Fort Europa. Munt-unie. Hoe delen we onze vruchten met de verworpenen die ons eraan herinneren dat we slechts pachters zijn van dit, ja op vele terreinen zo rijke en verdienstelijke continent, maar geen eigenaars: de Afrikanen zonder toekomst die proberen aan te spoelen of aan te vliegen, de ‘verworpenen der aarde’ – hoe lezen we de aanwezigheid van vele niet-christelijke gelovigen: zoveel niet fundamentalistische moslims, zonen en dochters van God; Sikhs..?
     
    Of wat leren we van de vele, verschillende verhalen en types van psychisch ondraaglijk lijden die we ‘ontdekken’ in ons Europees landje – die verworpenen der aarde, gevangen in mentale dwangbuizen en soms in stenen gevangenissen? Welke (bittere) vruchten van onze levenswijze plukken we daar? Makkelijke oplossingen bestaan hier niet maar het is toch een bittere vrucht dat we soms geen betere oplossing kunnen bieden dan sommigen ‘buiten de gevangenismuren’ te brengen en hen een weliswaar milde dood te bezorgen, in plaats van aangepaste om-kadering en zorg. De geïnterneerden vormen hierbij enkel een spectaculair topje van een grote ijsberg van geestelijk lijden. Enige spirituele klimaatopwarming zou daar welkom zijn.
     
    En wat leren we tenslotte van de ecologische onheilsprofeten die duidelijk maken dat we geen eigenaar maar pachter zijn van onze schepping die verantwoording af te leggen hebben, is het niet aan een God dan toch aan de Toekomstige generaties?
     
    Besluit
     
    Je kan in onze geseculariseerde cultuur lang erover nadenken of er nu ‘iets’ is of ‘iemand’ of ‘niets’ of ‘niemand’ buiten ons. En dat mag. Maar wat belangrijker is, zo lees ik Jesaja’s en Matteüs’ verhaal: wat zijn de vruchten wanneer ik leef alsof ik de eigenaar ben van mijn leven zonder iemand boven/in mij? En wat zijn de vruchten wanneer ik leef alsof ik de pachter ben?
     
    Ik denk dat wij in het christendom zeggen: kijk naar Christus. Hij was geen doetje, maar leefde toch niet als iemand die eigenaar was van zijn leven. En ja, hij werd verworpen. En ja, hij bracht veel goede vruchten voort.
     
    Marc Desmet sj