woensdag 23 april 2014

Bij het heengaan van Zander: een paasverhaal




In de Goede Week mocht ik de homilie doen bij de begrafenis van Zander Rutten te Hamont-Lo. Hij was nog net geen21 geworden en leed aan een zware familiaal-erfelijke ziekte, Sanfilippo genoemd. Er is vele, vele jaren enorm goed voor hem gezorgd door vele mensen. Ik kende Zander en zijn familie van de Familiedagen in Godsheide.

Matteüs 11, 25-30

(Dankgebed van Jezus)

[25] In die tijd nam Jezus het woord: ‘Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat U dit verborgen hebt voor wijzen en verstandigen en het onthuld hebt aan eenvoudigen. [26] Ja, Vader, zo hebt U het goedgevonden. [27] Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon behalve de Vader, en niemand kent de Vader behalve de Zoon, en ieder aan wie de Zoon Hem heeft willen onthullen.

[28] Kom allen naar Mij toe die afgemat en belast zijn, en Ik zal u rust geven. [29] Neem mijn juk op en kom bij Mij in de leer, omdat Ik zachtmoedig ben en eenvoudig van hart, en u zult rust vinden voor uw ziel. [30] Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.’

 

Beste Anita en Fons, Christien en Seppe, familie, vrienden, kennissen, lotgenoten,

We willen in deze christelijke viering het verhaal van Jezus plaatsen naast dat van Zander en zijn omgeving. Het verhaal van Jezus kan licht werpen op dat van Zander, en het verhaal van Zander kan ons het evangelie beter doen begrijpen. Ze horen samen, ze luisteren naar elkaar als het ware. Zoals God en mens naar elkaar luisteren. Immers, zoals de lezing uit de Openbaring van Johannes (eerste lezing) zei: ‘Gods woonplaats is onder de mensen, hij zal bij hen wonen.’

Dit stukje – “Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde…” - staat er plots, na een goed derde van het Matteüsevangelie, een beetje pardoes tussen totaal andere teksten. Een beetje zoals Zander die met zijn persoontje en aldra met zijn ziekte pardoes in het leven van dit gezin en van andere mensen viel. Als een ‘vreemd lichaam’, ein Fremdkörper, een speling van de natuur en de genen, een soort erfzonde waar niemand schuld aan heeft.

Het wordt nochtans een dankgebed van Jezus genoemd: “Ik prijs U… “ “Ik dank u…” En deze viering, deze eucharistie is dan ook in de eerste plaats een dankgebed want hoe vreemd het ook mag klinken – zo vreemd als Zander’s ziekte – er is heel wat om dankbaar voor te zijn. Maar daarvoor moet men eenvoudig genoeg, ‘klein’genoeg zijn, of zich maken. Iets heel bijzonder, iets heel ‘bij-Zander’.

Sanfilippo is de naam van een van dokters die de ziekte in 1963 ontrafelde. Filippus is ook de naam van een van de leerlingen/apostelen van Jezus. Hij vraagt aan Jezus ‘Jezus, toon ons de Vader, dat is ons genoeg’. Waarop Jezus: ‘Ik ben al zolang bij u en gij kent Mij nog niet, Filippus? Wie Mij ziet, ziet de Vader.’ Wie mij – Jezus - ziet, ziet de vader.  Wie ziet hoe met Zander is omgegaan, ziet de Vader. Ziet het beeld van God dat wij meedragen in onze traditie. Ziet wat menswording kan betekenen. Hoe God mens wordt.

Met Zander, die graag naar de varkensstal trok, hebben ze immers iets anders gedaan dan met een te broos geboren biggetje dat niet meekan met de rest, dat teveel gaat kosten en dat de boer laat sterven.  “Neen, voor het kind dat ge krijgt, moet ge zorgen…” zei Fons. Men heeft hem als een piepkuikentje verzorgd; na de eerste klap van de diagnose heeft men zijn de klappen van zijn ongecontroleerde bewegingen meer dan verdragen, men heeft hem gedragen.

Met Zander werd heel wat geopenbaard: een genetisch defect, zeker, maar zoveel meer. Een openbaring van een stroom van liefde bijvoorbeeld: liefde gaf u duizend namen: ‘schoon menneke’, ‘de flip’, ‘sjouke’, ‘zjulleke’, maat en zoveel meer. Zander maakte moederlijke gevoelens en zachte eigenschappen los bij broer en bij zus, die hem bovendien geheimpjes kon vertellen zonder de angst dat hij ze verder zou vertellen! Een beetje zoals bij bidden tot God.

Zander betekende openbaring van de broosheid van een leven en van hoe weinig vanzelfsprekend, hoe verwonderlijk het is dat de meeste mensen normaal ontwikkeld zijn. Er is maar één ontbrekend schakeltje, een missing link nodig om een ernstige afwijking te ontwikkelen. Liever zagen we niet zo’n afwijking. En toch. De jongen met het ontbrekend schakeltje werd de schakel tussen velen. Zoals Anita zei bij het begin: “Je was de spil van ons gezin. Je was als een schakel tussen ieder van ons.” Verbinding, verbindings-teken. Zieken willen in onze maatschappij niet tot last zijn, maar ze zijn het onvermijdelijk, en dat mag. Wat de wijzen en verstandigen van de wereld een ‘lastpost’ zouden noemen, werd een ‘laspost’: iemand die anderen aaneenlast – in zekere zin op een lastige manier, maar wel heel stevig verbonden.

Wonder van verbinding: verbinding van een gezin, de bredere familie, een verpleegkundig engagement dat veel verder ging dan wat normaal moet, de solidariteit met de andere Sanfilippo-gezinnen, artsen, het KITES- team, met de Familiedagen, met zoveel andere lieve mensen… Lijden kan weliswaar mensen uiteendrijven – maar het kan mensen ook aaneensmeden, aaneenlassen, verbinden. We zijn dankbaar dat dit hier zo gegaan is. Verzameld, bijeengebracht door degene die niets meer kan en kent.

Is dat niet kerk? Want begint kerk in zijn kiem niet telkens weer met enkele mensen die zich rond een lijdende mens, een lijdend mensje verzamelen – zoals we ook deze week gedenken rond de Gekruisigde? Hoe ‘passend’ in deze ‘Goede Week’, een samenvatting ‘in miniatuur’ van Jezus’ leven, lijden en verrijzen.

In de zorg voor Zander en in datgene wat de omgeving van hem vreemd genoeg ontving, kwam verlossing tot stand. Verlossing bijvoorbeeld van dingen die niet echt belangrijk zijn: zijn broer en zus leerden relativeren op een goede manier. Verlossing van bitterheid en rancune die merkwaardig genoeg niet de overhand kregen. Verlossing van het idee dat intelligentie en lichamelijke perfectie noodzakelijke voorwaarden zijn voor een gelukkig leven. Verlossing van jezelf en je eigen zorgen door het engagement dat er altijd iemand moest zijn voor Zander: Seppe en Christien werden ‘engelbewaarder’ van Zander. Fons had elke dag het gevoel iets nuttigs gedaan te hebben.

En zo wordt de wereld doorheen dit lijden  en de manier waarop het gedragen werd en wordt, verlost van zichzelf… Want jullie hebben dit niet beleefd als een krachttoer, als iets om mee te pronken – het verste van jullie gedachten – maar in zekere zin als iets’ gewoons’: in een andere taal: een genade, een kracht die jullie al die tijd geschonken werd.Zo openbaarde zich in iets wat ramp-zalig is ook iets zaligs. Zalig de ramp-zaligen.  In het mede-lijden ontdekten jullie een zo diepe vorm van menselijkheid. Vreemd genoeg immers kan de ervaring van samen iets moeilijks te dragen, dieper gaan dan de gedeelde ervaring van een ongestoord geluk. Al zouden we dat laatste verkiezen. Het blijft immers een last maar een lichte last, een juk maar een zacht juk. Je wil het eigenlijk niet van je afgooien. Hoe moeilijk was het, Anita, Zander uiteindelijk los te laten. Maar hoe kan je je kind, je broer ooit loslaten? Is dat geen onzin? Liever zou ik willen zeggen: probeer hem anders vast te houden.

Zijn hemel-vaart zal een leegte laten. Leegte doordat hij er niet meer is zoals hij was. Leegte allicht ook door alles wat Zander had kunnen zijn zonder dat defect: welk karakter zou eruit gekomen zijn? Leegte van de broer die nooit helemaal volwassen is kunnen komen… Indien… hoe zou hij dan geweest zijn? Leegte echter ook die nog meer zal openbaren wat al die jaren gegroeid is. Leegte waaruit een bron van verwondering en dankbaarheid kan opwellen.

Tien dagen geleden hebben we met het gezin Zander samen de handen opgelegd en hem gezalfd in het sacrament van de zieken bij het einde van zijn korte leven. Net geen 21. Symbolisch als het ware: nooit volwassen geworden. Dezelfde gebaren als bij zijn doopsel aan het begin.  Handenoplegging en zalving: krachtige symbolen waarin de vele handen en vele zorg samen-gebald worden. De herinnering aan dit niet vanzelfsprekende, maar misschien daardoor juist van Godsprekende leven van Zander moge jullie nu als het ware zalven en de handen opleggen.

 

Marc Desmet

--------------------------------------------------------------------

Op het kerkhof

We vertrouwen Zander nu toe aan het vierde van de elementen: op zijn kamertje bleef hij nog vier dagen aan de lucht - vuur was er onder de vorm van wierook – water bij de besprenkeling – nu vertrouwen we hem toe aan Moeder Aarde.


In het fictieve boekje Oscar en Oma Rozerood schrijft het kind Oscar dat gaat sterven, brieven naar God. Op het einde staat er : ‘De laatste drie dagen had Oscar een bordje op zijn nachtkastje neergezet. ‘Ik geloof, zegt oma Rozerood, dat het voor jou, God, was. Hij had erop geschreven: ‘Alleen God mag mij wekken.’ Wat een leuke en tegelijk zo diepe manier om over verrijzenis te schrijven. Simpel als een kinderleven. Zo passend bij Zander die meer en meer sliep. Zo passend in deze Goede Week. Alleen God mag/kan Zander nu nog wekken. Hij moge ieder helpen om op-gewekt verder te leven.

dinsdag 11 maart 2014

Veertig dagen dieper proeven en beproefd worden

Op de eerste zondag van de Vasten 2014 (8-9 maart) hield ik volgende homilie in de Universitaire Parochie van Leuven:



Matteüs 4,1-11

Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden. [2] Na veertig dagen en veertig nachten vasten kreeg Hij tenslotte honger. [3] De beproever kwam naar Hem toe en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, zeg dan dat deze stenen brood worden.’ [4] Hij antwoordde: ‘Er staat geschreven: De mens zal niet leven van brood alleen, maar van ieder woord dat uit de mond van God komt.’ [5] Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad, zette Hem op de rand van de tempel, [6] en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal Hij bevelen U op hun handen te dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.’ [7] Jezus zei hem: ‘Er staat ook geschreven: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’ [8] Weer nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg. Hij liet Hem alle koninkrijken van de wereld zien met al hun pracht, [9] en zei: ‘Dit alles zal ik U geven, als U voor mij in aanbidding neervalt.’ [10] Toen zei Jezus hem: ‘Ga weg, satan. Want er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen.’ [11] Toen liet de duivel Hem met rust, en er kwamen engelen om Hem van dienst te zijn.



“Mama, zullen we nog eens stilvallen”, vroeg een meisje van zes onlangs aan haar moeder, medeparochiaan. Ze hadden leren samen stilvallen. Stilte is blijkbaar nog zo onaangenaam niet.

Bij het begin van deze veertigdagen worden wij uitgenodigd om Jezus achterna de woestijn en haar stilte in te trekken. Er staat: Jezus werd door de Geest naar de woestijn gebracht om door de duivel op de proef gesteld te worden.  Dat klinkt best onaangenaam en onaantrekkelijk. Nochtans: de verleider, elders ‘de beproever’, treedt pas op na  veertig dagen.

Ik heb me vaak afgevraagd wat er in die veertig dagen voordien gebeurd is. Misschien was dat helemaal niet onaantrekkelijk – en misschien moeten we ons de veertigdagentijd ook niet voorstellen als een onaangename tijd. Wie van ons snakt niet eens naar rust en stilte? Naar geen emails, de gsm op ‘stil’, geen deadlines, geen agenda ? Wie de stilte intrekt en zich wil richten op het essentiële, op God,  wordt in zijn geest weliswaar eerst nog achtervolgd door zijn dagelijkse activiteiten, vervolgens kom je in een laag van allerlei gedachten en gevoelens, soms storend, soms verwarrend, soms heel inspirerend. Ik wil mij op God richten, maakte ruimte voor het diepere en daar komen plots mooie ideeën voor preken en conferenties, en soms moet je die even opschrijven om ze opzij te kunnen zetten, want je zocht eigenlijk rust en stilte voor iets/iemand Anders; of er duikt de ganse dag hetzelfde liedje in je geest op; of je voert twistgesprekken met een tegenstrever…

En zo allicht Jezus: na het ambachtelijk gevulde leven in een dorp, na zijn tijd in de massa die naar Johannes de Doper en zijn donderpreken ging luisteren en nadat hij als één tussen vele anderen zich heeft laten dopen in de Jordaan met de sterke ervaring de veelgeliefde zoon van God te zijn, wordt Hij dieper de woestijn ingetrokken door de Geest. En daar krijgt Hij misschien schitterende ideeën voor redevoeringen die we Hem in het vervolg van het Matteüs-evangelie overvloedig zien houden – om te beginnen de Bergrede -, of misschien voert hij inwendige twistgesprekken met de Farizeeën.

Maar als je tijd en stilte genoeg krijgt kunnen er werkelijk heel sterke ervaringen komen, bijvoorbeeld verbondenheid met de natuur en iedereen. Zeker niet saai. Solozeilers, poolreizigers, eenzame pelgrims naar Compostella: allen zullen ze zeggen dat het ergens ‘onuitsprekelijk’ is. Daarom misschien dat er over die veertig dagen van Jezus niets gezegd wordt. Wat er ook van zij: in de stilte proef je alles beter, zoals de wijnproever pas wijn leert proeven door eerst geruime tijd enkel water gedronken te hebben. Maar dat dieper proeven, heeft ook zijn beproevende kanten. Je hoort allerlei stemmen en je komt in veel stemmingen.

Natuurlijk, weinigen onder ons trekken veertig dagen de absolute stilte in, maar we worden wel allen uitgenodigd het wat stiller en soberder te maken, in ons woestijntje te trekken, om dieper te proeven en … ons tegelijkertijd te laten beproeven. De stilte van de woestijn roept drie ervaringen op: (1) honger en dorst (2) monotonie (3) anonimiteit. Je eigen woestijntje creëren kan door jezelf  bewust wat op je honger te laten wat betreft: (1) het voedsel dat we in ons opnemen: materieel en geestelijk; (2) de avonturen waar we ons in storten; (3) de invloed die we willen hebben op anderen. Je op je honger laten met als enige bedoeling om werkelijk verzadigd te worden.

“Niet van brood alleen leeft de mens, maar van alles wat uit de mond van God voortkomt,” antwoordt Jezus op de beproever als die hem stenen in brood  wil laten veranderen. De mens leeft niet alleen van de fijne eetwaren, het zij nog bio-producten, of niet alleen van de fijne recepten die ons dagelijks op TV worden voorgeschoteld door Jeroen en Piet, kampioenen overigens van de Boekenbeurs; de mens leeft niet alleen van fitness en jogging, van de op zichzelf natuurlijk goede lichaamsaandacht, verlies van overtollig vet en cholesterol en wat je daarvoor eet en laat – ik ben ook tien kilo kwijt op enkele maanden. Minder eten hoort weliswaar tot de beproefde methodes om tot diepere spiritueel leven te komen maar dat is meetal niet de reden waarom we zo bezorgd zijn over wat we lichamelijk innemen en inoefenen. Misschien moeten we wat meer bezorgd zijn we over wat we in grote hoeveelheden geestelijk innemen en inoefenen via televisie, Internet, de blaadjes, sms-en, tweets, hot items en ook onze nochtans noodzakelijke vakliteratuur? Misschien moet de jogger eens slenteren en vooral horen, zien, ruiken, waar-nemen. Misschien moet de intellectueel eens bewust vijf minuten niet lezen en bewust in- en uitademen. Misschien moet degene die altijd zijn radio opzet, eens in stilte rijden. En zo de God item proeven en de wonderlijke ontdekking doen: ‘Onze God weet wel dat gij van alles nodig hebt, maar zoek eerst het Koninkrijk van God en alles wat ge werkelijk nodig hebt zal u erbij gegeven worden.’ Scherp je zintuigen door stiller te worden om dieper te varen en te er-varen.

In Jezus komt ten tweede een ander beeld op: hij staat op de bovenbouw van een tempelpoort en Hij hoort: ‘Als Gij de Zoon van God zijt, werp U dan naar beneden want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U een bevel geven, dat zij U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.’  De beproever nodigt uit om ons om ons maw in avonturen te storten.  Dat roept relationele avontuurtjes op, maar we kunnen denken aan veel basalere zaken: hoe vaak spreken we niet van ‘een nieuwe uitdaging’ (waarom hebben wij die altijd nodig?), of van multi-tasking (psychiater Theo Compernolle stelt sterk in vraag of wij, ja zelfs de vrouwen, dat eigenlijk wel kunnen zonder serieus kwaliteits- en inspiratieverlies?).

Is de ‘nieuwe uitdaging’ in de vastentijd niet om verveling, ja monotonie toe te laten? Het staat niet toevallig centraal in mindfulness en in christelijke contemplatieve oefeningen: het belang van de monotone repetitieve stimulus van mantra’s en aansprekingen. Misschien geldt dit niet alleen voor gebedsmethodes. Ik moet hierbij denken Jean Vanier. Hij was eerst marineofficier, studeerde nadien filosofie met een schitterend doctoraat over Aristoteles, maar paste voor een professorale carrière in Toronto om zich uiteindelijk rond zijn 35° te ‘begraven’ in een Frans dorp met 2 personen met een mentale handicap. Hij haalde ze uit een instelling en wou ze een familie, een ‘foyer’ geven. Uit die onooglijke kiem is een wereldwijde gemeenschap, de Ark, ontstaan. Hij schrijft: “Stranden tegenwoordig niet veel huwelijken omdat mensen bang zijn te sterven van verveling in het leven van alledag? Om in de Ark dat alledaagse leven niet een paar maanden of jaren maar een leven lang vol te houden, moet je je een spiritualiteit eigengemaakt hebben van liefde voor de kleine dingen: heel simpele, materiële dingen: goed koken, samen eten, de vaat doen, zorgen voor de was en de huishouding, (…) de foyer er mooi en gastvrij doen uitzien. Duizend kleine dingen die tijd vragen. Maar ook de zorg voor het lichamelijke welzijn van de zwakke mensen hoort daarbij, zoals hen wassen, hun nagels knippen, met hen kleren gaan kopen, (…). Die kleine dingen worden vaak als onbeduidend (…) beschouwd. We moeten beseffen dat het geringste wat we doen voor een broeder of zuster, wereldwijd van belang is.”

Dat laatste brengt me bij een derde beproeving: de angst om niet betekenisvol genoeg te zijn, om anoniem te zijn, geen invloed uit te kunnen oefenen op wat ik belangrijk vind. Dat komt in het beeld van de duivel die Jezus leidt naar een hoge berg vanwaar hij ‘alle koninkrijken’ toont in hun heerlijkheid: onze drang om gezien, geëerd, belangrijk te zijn. Maw ons ongeloof over de werkzaamheid van wat in stilte aan goeds gebeurt. Le bien ne fait pas de bruit. Ik word hier zelf mee sterk geconfronteerd in het euthanasiedebat. Als je genuanceerd probeert te denken, kom je niet aan de mediatieke bak. Je hebt de indruk dat steeds dezelfde stem die niet twijfelt en pompklaar is, klinkt in de grote media. Terwijl de realiteit van zorg en mens zo complex is. Niet alleen schipper ik dan tussen valse eer en valse bescheidenheid, ik bots vooral op mijn ongeloof over de efficiëntie van wat in stilte, anoniem, ‘in de woestijn van de noeste dagelijkse zorg en intimiteit’ gebeurt: de efficiëntie van het Rijk Gods. Ik bots op mijn ongeloof in het onderscheidingsvermogen van mensen van deze tijd om te zien waar het echt op aankomt. In die impasse mag ik niet blijven.

 

In de stilte die we zelf opzoeken zal God ons komen opzoeken. Daartoe helpt: meer letten op wat we allemaal innemen, materieel en geestelijk; wat meer monotonie en verveling toelaten; en vooral geloven in wat in stilte groeit: Groeien de kinderen groeien niet zienderogen terwijl je niets hoort van die lichaamsprocessen? Verandert de natuur niet elke dag deze tijd en toch hoor je niets? Draait en suist de aarde aan een ontzaglijke snelheid door Gods kosmos zonder dat je duizelig wordt? In stilte groeit zoveel.

 

“Mama, zullen we nog eens stilvallen?”

zondag 26 januari 2014

Welke keuzes maakt Jezus? Dat intrigeert mij.


Lezing:

Mt 4,12-23


Toen Jezus hoorde dat Johannes gevangengenomen was, week hij uit naar Galilea. [13] Hij liet Nazaret achter zich en ging wonen in Kafarnaüm, aan het Meer van Galilea, in het gebied van Zebulon en Naftali. [14] Zo ging in vervulling wat gezegd is door de profeet Jesaja: [15] ‘Land van Zebulon en Naftali, gebied aan de weg naar zee en aan de overkant van de Jordaan, Galilea van de heidenen, luister: [16] Het volk dat in duisternis leefde, zag een schitterend licht, en zij die woonden in de schaduw van de dood werden door het licht beschenen.’ [17] Vanaf dat moment begon Jezus zijn verkondiging. ‘Kom tot inkeer,’ zei hij, ‘want het koninkrijk van de hemel is nabij!’
     [18] Toen hij langs het meer liep, zag hij twee broers, Simon, die Petrus genoemd wordt, en zijn broer Andreas. Ze wierpen hun net uit in het meer, het waren vissers. [19] Hij zei tegen hen: ‘Kom, volg mij, ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ [20] Ze lieten meteen hun netten achter en volgden hem. [21] Even verderop zag hij twee andere broers, Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader in hun boot bezig met het herstellen van de netten. Hij riep hen [22] en meteen lieten ze de boot en hun vader Zebedeüs achter en volgden hem.
     [23] Hij trok rond in heel Galilea; hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk.



Commentaar:


Jezus begint zijn openbaar leven. Het is zijn entrée dans le monde. We zien hoe Hij enkele beslissingen gaat nemen, en daar zou ik u willen in ‘meetrekken’, want ik proef zin/goesting bij deze tekst. Hoe beslist Hij, van waaruit? Eigenlijk staat er niets over wat Jezus daarbij beroerde en bewoog. En toch intrigeert het mij, en hoop ik dat het me ergens inspireert.

We staan aan het begin van zijn ‘openbaar leven’. Hij neemt beslissingen die telkens een nieuw begin betekenen:

  1. Hij beslist om uit te wijken van Judea naar Galilea. Daarmee keert hij weliswaar terug naar zijn geboortestreek, maar:
  2. Hij beslist niet terug te keren naar de stad waar Hij heeft geleefd tot Hij naar Johannes de Doper trok, namelijk Nazaret. Hij vestigt zich te Kafarnaüm.
  3. Hij beslist om te gaan prediken
  4. Hij beslist om volgelingen aan te trekken; Hij kiest ze zelf.
  5. Hij beslist rond te trekken als leraar in de synagogen, het Koninkrijk te verkondigen en te genezen; iets wat Hij voorheen niet deed.
     
    Ik wil toch proberen wat van binnenuit te begrijpen. Begrijpen wat Hem beweegt vanuit de grotere beweging van het verhaal, de dynamiek. Dan zie ik iemand die langzaam gerijpt is, langzaam meer tot zichzelf gekomen. Ik bedenk hoe hij dertig jaar, het grootste deel van zijn leven een onopvallend leven als ambachtsman heeft geleid, in een dorp ver van de wereldactualiteit. Hij is gerijpt en gelouterd door het gewone leven met zijn verveling, miserie, kleinheid, vormen van structurele onderdrukking – de Romeinse bezetter, het religieus establishment. Hij is vertrouwd met de vreugden, feesten en vieringen van de mensen. Ook met het leven van een vrome joodse familie. Hij kent niet alleen een praktische stiel, hij kent de Tora hartsgrondig.
     
    Er komt een scharniermoment waarin Jezus meer lijkt tot besef te komen van zijn identiteit. Zijn ‘noviciaat’. Een periode waarin Hij meer ‘ik’ gaat zeggen, juist vanuit een dieper besef van de relatie met God. Een scharnier bestaat uit twee delen. Het ene deel is de inschakeling in de vernieuwingsbeweging rond Johannes de Doper; Daarvoor rukt Jezus zich los uit zijn vertrouwde milieu. Die ervaring loopt uit op zijn doopsel met die sterke vertroosting en bevestiging de geliefde Zoon van God te zijn (Mt 3,13-17). Het fundament van zijn bestaan: Kind van God zijn.
     
    Het andere deel van dat scharniermoment is de beproeving in de woestijn (van Juda), zeg maar de spirituele strijd. ‘Wel, als gij de Zoon van God zijt, zo speciaal, dan kunt Gij toch van alles…’ Dat is ook zo. Het bewustzijn van Zijn kunnen voert tot een strijd, tot het besef dat Zijn kunnen ook tot impasses kan voeren, en tot het besluit dat Hij Zijn bijzondere capaciteiten niet ten dienste van materiële beveiliging, van imago of  begeerte wil stellen. Jezus komt hieruit met troost (‘engelen kwamen om hem van dienst te zijn’), maar vooral met grotere vrijheid, helderheid, radicaliteit en toch ook omzichtigheid. En vormen deze geen solide grondhoudingen van waaruit gezonde beslissingen kunnen genomen worden? (Mt 4,1-11)
     
    Hernemen wij dan zijn beslissingen:

  1. Jezus beslist uit te wijken, zeg maar ‘de wijk te nemen’ naar Galilea. Johannes de Doper – volgens het evangelie van Lucas dan toch een neef of kozijn - is gevangen genomen en overgeleverd. Dat Jezus de wijk neemt, zou kunnen wijzen op schrik, op een gebrek aan moed om het bijvoorbeeld op te nemen voor Johannes, of om Johannes’ leidersrol over te nemen. Maar het kan ook omzichtigheid zijn: dit is nog niet mijn moment om mij hier te tonen; ik moet iets kunnen opbouwen. Soms moet er gevlucht/ontweken worden om iets kostbaars te beschermen en te laten groeien. Het is voorlopig te dicht bij Jeruzalem, bij de gevestigde religieuze orde.
     
  2. Hij keert terug naar het vertrouwde Galilea, maar beslist toch niet helemaal naar hetzelfde terug te keren: na de intense doop- en woestijnervaringen in Juda die hem ahw losgerukt hebben uit de patronene van zijn gewone leven, als in een luchtballon van waaruit je grote zichten/visies krijgt, komt hij terug ‘op aarde’, een klein beetje verder – zo gaat het vaak na grote ervaringen en tijdelijke afstandnames in ons leven: Jezus vestigt zich dus in Kafarnaüm, gelegen aan het Meer van Gennezaret. Daar kan Hij zich vrijer bewegen: niet geremd door vooroordelen (‘Dat is toch (maar) de zoon van de timmerman…’), door familiale banden. Daar is meer verkeer, meer passage (een kruispunt), over land en over het meer; daar is meer volk, joden en heidenen. Het ‘Galilea van de heidenen’ zoals het reeds in de teksten van Jesaja – die de jood Jezus zeker kende – stond. Want dat besef draagt hem sterk: God nodigt iedereen uit, niet alleen een groepje bevoorrechten en zuiveren, ook degenen die zich ‘heiden’ weten, niet zelden juist omdat ze naar vernieuwing zoeken.
  3. Tot hen preekt Hij wat Hij heeft gehoord bij Johannes de Doper: ‘Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is ophanden.’ D.w.z. bekeert u: ziet toch dat God er is voor elk van u, en dat diegenen die menen God in pacht te hebben juist obstakel vormen – en Hij herinnert zich de harde woorden van zijn neef aan het adres van farizeeën en sadduceeën.
  4. In die lijn nodigt Jezus niet alleen de bevoorrechten uit. Ook vissers zijn welkom, tot in zijn kleine kring, zijn team, zijn int-team-e kring. Jezus kiest kleine mensen: Simon en zijn broer Andreas; Jacobus van Zebedeüs en zijn broer Johannes. Jezus begint kleinschalig ten aanzien van grootschalige duisternis. Na zijn eigen ‘revonversie’ van timmerman tot rabbi re-converteert Hij anderen – re-conversie kan een vorm van bekering zijn – met als motto: maak van vissers vissers van mensen. Maar misschien bekruipt je ook wat het gevoel dat een sterke persoonlijkheid, een goeroe, mensen meesleurt in een religieus, sectarisch avontuur – ze lieten hun boot, broodwinning en vader, familie achter? Zonder het voorgaande – doopsel en beproeving in de woestijn – zou de twijfel terecht zijn. Jezus heeft macht, uitstraling. Hij zegt ‘Volg Mij, kom achter Mij aan…’; en ze doen het. Hij heeft weet van zijn macht, maar ook van het mogelijk misbruik. De herinnering aan de woestijn kan ons geruststellen. Uitdrukkingen als ‘Terstond’ en ‘onmiddellijk lieten ze hun netten achter’ herinneren ons wel aan het bestaan van een deadline die in de agenda van elke christen moet staan: de deadline van het Koninkrijk Gods. Welke stap heb ik nu te zetten?
  5. Tenslotte zien we in de passage hoe Hij zijn macht gaat gebruiken om ‘elke ziekte en elke kwaal onder het volk’ te genezen. Met andere woorden, Jezus’presentie en actie zijn werkzaam en efficiënt, helend en heilzaam. Presentia realis als het ware. Misschien kan dit eenvoudig mediterend stilstaan bij Jezus ons zin/goesting geven om Hem ‘terstond’ achterna te gaan in ons dagelijks bestaan.

maandag 23 december 2013

Kerstmis: Hoe is't God's mogelijk?

Op zondag 22 december gaf ik volgende homilie voor de zondagsgemeenschap van de Universitaire Parochie van Leuven bij het evangelie van de vierde zondag van de advent (jaar A)

Matteüs 1,17-24:

[18] De herkomst van Jezus Christus was deze. Zijn moeder Maria was verloofd* met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek zij zwanger te zijn van de heilige Geest. [19] Jozef, haar man, was een rechtvaardige. Omdat hij haar niet in opspraak wilde brengen, kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te scheiden. [20] Terwijl hij dit overwoog, verscheen hem in een droom* een engel van de Heer, die zei: ‘Jozef, zoon van David, wees niet bang uw vrouw Maria bij u te nemen, want wat bij haar tot leven is gewekt, is van de heilige Geest. [21] Ze zal een zoon krijgen en u moet Hem de naam Jezus geven, want Hij is degene die zijn volk zal redden uit hun zonden.’ [22] Dit alles is gebeurd opdat vervuld* zou worden wat door de Heer bij monde van de profeet gezegd is: [23] Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren,
en ze zullen Hem de naam Immanuël geven,
wat betekent: God met ons.
[24] Toen Jozef uit zijn slaap wakker werd, deed hij zoals de engel van de Heer hem had opgedragen. Hij nam zijn vrouw bij zich

 
We zijn (in de laatste rechte lijn naar) Kerstmis. Dat is duidelijk. Met Kerstmis vieren we de menswording van God. Wat dit betekent is iets minder duidelijk. Het heeft allicht iets te maken met authentieke menswording: wat is meer mens worden in ‘christelijk’ perspectief; waar wordt de ware mens geboren?

 
De tekst van vandaag wil ons daarop voorbereiden. Wil ons helpen om te bespeuren waar God mens wordt. Een onmogelijk verhaal alweer dat ons helpt om de mogelijkheden van de realiteit te toetsen. Een vreemd verhaal dat toch onze ervaring kan verhelderen doordat er in haar dynamiek een aantal toetsstenen verscholen zitten.

Dat vreemd verhaal, het ‘kindsheidsevangelie’ van Matteüs is een reflectie – a posteriori, stroomopwaarts naar het onaanzienlijke begin - op het leven van Jezus van Nazaret. Een reflectie in miniatuurvorm, in pocketvorm, op het hele leven van Jezus en in die zin minder onschuldig, ‘naïef’, kinderachtig dan het lijkt. Een tweede naïeviteit.

Matteüs’ tekst begint met te spreken over ‘geboorte’: ‘De geboorte van Jezus Chistus vond plaats op deze wijze’: hier hadden we misschien de evangelielezing moeten stoppen, en het ieder zelf laten invullen….Het evangelie volgens mijzelf… Op welke wijze vindt de geboorte van Jezus Christus plaats… ‘door mij, met mij, in mij’, ‘door ons, met ons, in ons’?

Het Griekse woord dat in de liturgie vertaald werd als ‘geboorte’ maar elders als ‘herkomst/afkomst’, is‘génesis’: dit woord geeft meer het gevoel van een proces (een genese) en voert meer naar de oorsprong dan naar de ‘outcome’, geboorte; en zo is het ook. Inderdaad is er verderop in onze passage nog geen sprake van geboorte, maar wel van zwangerschap, wat ons voert naar de oorsprong en naar wat die zwangerschap teweeg brengt en betekent.

Daarin zien we hoe Jozef ziet (kort) , oordeelt (lang) en handelt (kort). Zien hoe Jozef hiermee omgaat.

 

ZIEN


We beginnen bij een feit, of liever ‘een gegeven’: de onverwachte verwachting van Maria; een zwangerschap, een wonderlijke zwangerschap, een nieuw begin van leven, een ‘innovatie’. Waar zien we nieuw leven dat op een wonderlijke wijze ontstaat, of dat voorbereid wordt?  Een kunstwerk, wetenschappelijk innoverend onderzoek (M.S….), een nieuwe attitude, een nieuwe denkrichting of een nieuw begrip (‘resilience’), een nieuwe vorm van solidariteit of samenleven, een nieuwe vorm van financieren (destijds ‘Hefboom’: hoe armen, bepaalde initiatieven slagkracht geven…), een nieuwe aandacht bijvoorbeeld oog voor de slachtoffers van seksueel misbruik, een nieuwe paus, en ja natuurlijk: elk nieuw kind…

Bij dit alles willen we hier de aandacht op trekken:  ergens is er iets nieuws, iets ‘on-gehoords’, ‘on-geziens’, ‘on-tastbaars’ aan de hand (geweest) ‘Zij was zwanger van de heilige Geest’. Het staat er zo heel simpel. Vanwaar halen ze het? Ja, vanwaar halen ze het? Hoe is de kunstenaar, de wetenschapper, de groep, de oubollige kardinalencurie (wie had zo’n pausfiguur verwacht?) op dit idee gekomen? Het is hem of haar ergens gegeven… De eenvoud van het gegeven dat iets nieuws is ontstaan. De novo. Met niets van niets. Met ‘heilige Geest’. Genitum, non factum in het oude Credo: geboren, niet gemaakt.

Wel moet de Geest een gunstig terrein vinden: Jozef en Maria waren al verloofd, zij was al uitgehuwelijkt maar ze woonden nog niet samen. Ze waren al geëngageerd, wat hen openstelde voor iets nieuws. Er was al een beloftevol begin, ze waren vol van belofte. Op die manier kan iemand al een tijd aan een tekst werken, was hij of zij ermee bezig, maar is het lang pure transpiratie tot er een écht nieuw idee, een inspiratie binnenkwam. Je kan jarenlang timmeren aan de weg, naarstig maar zonder veel vrucht, en dan komt er plots schwung, een beweging; of jarenlang doe je onderzoek en dan komt er een doorbraak, vaak door een zogezegd ‘toevallige vondst’ of associatie… Vanwaar komt het?

Een uitnodiging om de zin ‘Hoe is het mogelijk?’ niet enkel te verstaan als ‘Hoe zit dat in elkaar?’ maar te beseffen dat we veel leven missen als we ‘Hoe is het mogelijk?’ niet ook verstaan als een kreet van verwondering dat aan elk van ons ideeën die reëel worden, worden gegeven, ze worden in ons geboren. Genitum non factum. Een uitnodiging om ons leven van mensen na de Verlichting niet alleen door oplosbare vragen te laten beheersen – hoe gaan we ons leven organiseren? Hoe gaan we onze deadlines respecteren? Hoe gaan we financieel rondgeraken? Tot en met: Hoe geraak ik letterlijk in verwachting?... – maar meer door onoplosbare vragen: wat is de oorsprong en betekenis van dit nieuwe leven, van dit nieuwe gegeven?

 Dat vraagt Jozef zich af. Hij probeert tot een beoordeling te komen.

 
OORDELEN:

In het ‘oordeel’ van Jozef  komen 3 existentiële ‘toetsstenen’ aan bod: de ervaring heeft iets schandaligs – het heeft iets van een droom – het ligt toch in de lijn van de verwachting.

 
Eerste toetssteen: Dat nieuwe heeft iets zo ongehoords dat het in eerste instantie shockeert, schandaliseert zodat de mens die trouw aan de traditie het goede zoekt, die ook gelovig zoekt, geneigd is om er discreet afstand van te nemen. ‘Jozef (verloofd, maar nog niet samenwonend) dacht erover in stilte van haar te scheiden om haar niet in opspraak te brengen - al heb ik dit laatste nooit goed begrepen want als Jozef zijn huwelijksengagement opzegt via een scheidingsbrief (wat zijn recht was als ‘bedrogen’ verloofde) loopt Maria nog steeds het gevaar gestenigd te worden en wordt zij geslachtofferd; Matteüs wringt zich in bochten, zoals hij wel eens meer doet om het verhaal te doen kloppen…’

 Ik denk aan Darwin, die gelovig was, en scrupules had omtrent zijn evolutie-ideeën. Maar ik denk ook aan de scrupules van kerkmensen om de goede aandacht voor seksueel misbruik in stilte, in de doofpot te smoren. ‘Heilige geest’ betekent niet noodzakelijk dat er niets shockerends in de lucht hangt.

 
Tweede toetssteen: Maar dat ongehoorde heeft ook iets van een droom. In de overweging, in de onthutsende gedachte, proeft de gelovig zoekende, degene die overweegt, ook iets van een droom. In een droom verscheen hem een engel – een boodschap(per) – van de Heer die sprak: ‘Wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen;…’ Aan de boodschap van de engel Gabriël aan Maria in het evangelie volgens Lucas beantwoordt de fameuze boodschap van de engel aan Jozef in het evangelie volgens Matteüs. Wees niet bang om je verder te verbinden met dat nieuwe en ongehoorde want hier rust (de) heilige Geest op, want dit zal mensen redden uit het kwaad. Dit komt van de goede geest, van Gods geest die juist strijdt met de slechte geest. “Je bent zwanger van de heilige geest” verwijst niet naar een gynaecolgisch probleem maar misschien veeleer naar het gegeven dat iets nieuws niet van de slechte geest komt.

 In de aandacht voor de slachtoffers van seksueel misbruik in de kerk schuilt bijvoorbeeld de droom dat in de kerkgemeenschap eindelijk een echte, positieve plaats wordt gegeven aan het geheel van affectiviteit, seksualiteit en gender in plaats van dit alles in de doofpot van de stilte te laten.

 
Derde toetssteen: Die onmogelijke verwachting, dat nieuwe, de innovatie ligt toch ergens in ‘de lijn van de verwachting’. Dit nieuw leven, deze vorm van menswording is, hoewel revolutionair en in die zin ‘onverwacht’, vervulling van wat vroeger reeds als een gezagvol woord, een Woord van God werd opgevat. Bijvoorbeeld dat van Jesaja: ‘Zie de maagd zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen, en men zal Hem de naam Immanuël geven: God met ons.’

Hoewel een nieuw zicht op lichamelijkheid en seksualiteit ‘nieuw’ zou zijn voor de kerkgemeenschap, ligt het toch in de lijn van de geschiedenis en de verwachting… Heeft kerstmis overigens niet alles te maken met lichamelijkheid?

 

ZIEN OORDELEN HANDELEN

 Eenvoudig overgaan tot de daad: zich verbinden met: ‘Ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich.’ Punt. Na een lange worsteling, een soort ‘mystieke nacht’ met tegengestelde innerlijke bewegingen tussen schandaal en droom, tussen eerste en tweede testament, zet Jozef de stap.

 
BESLUIT:
 
Waar zien we in ons persoonlijk, gemeenschaps- of maatschappelijk leven nieuwe vormen van menswording ontstaan? Kunnen we ons verwonderd afvragen: Hoe is het in Gods naam mogelijk? En waar helpt deze lezing (zijn toetsstenen: iets schandaligs – iets van de droom – iets van de traditie?) ons om daarin authentiek mensenleven, toekomst, maw ad-vent bespeuren?

 

vrijdag 1 november 2013

Elk mens is een onuitgegeven boek…


Op 1 november  2013 gaf ik voor de Universitaire Parochie Leuven volgende inleiding en homilie bij Allerheiligen.

 
 Allerheiligen en Allerzielen vormen als het ware een kerkelijke tweeling; de laatste jaren heeft hun niet kerkelijk broertje Halloween uit Noord-Amerika de Plas overgestoken. Halloween, Allerheiligen, Allerzielen: het is een soort drievuldige benadering van de dood, midden in het seizoen van het afsterven, de herfst.
Halloween gaat er lachend mee om. Laten we er een grap van maken, iets karnavalesks, de dood bezweren met ironie, ja bijna cynisme.

Allerheiligen gaat om met lijden en dood vanuit het perspectief van de zaligsprekingen, dat is dan ook de evangelielezing op die dag. Allerheiligen is  niet zozeer het feest van alle officiële heiligen maar veeleer van alle mensen als potentieel heilig en soms ook in stilte effectief heilig, als in staat om zaligheid, soms ramp-zaligheid te beleven.
En dan is er zusje Allerzielen: na de ironie van Halloween en de zaligspreking van Allerheiligen, de herdenking van Allerzielen. Herdenking als bemoediging.

Op 1 november ligt het accent op Allerheiligen .
Elk van ons kent wel iemand waarvan hij of zij zegt: ‘Dat is een heilige’.. We zouden even aan die persoon kunnen denken en ons afvragen wat ons aanspreekt. Ik ken zo iemand. Hij heeft iets koppigs, irritants zoals vele heiligen. Zet door, maar steeds op een zachte, diepe manier – niet omwille van zichzelf, maar omwille van ‘de zaak’, van het heil van de mensen…  ik denk dat hij al veel afgezien heeft.

In de eerste lezing, uit de Apokalyps, horen we de fameuze zin: ‘Wie zijn dat in die witte kleren?’  De Heer antwoordt: ‘Dat zijn degenen die komen uit de grote verdrukking, die hun gewaden hebben wit gewassen in het bloed van het Lam.’
‘Wie zijn dat in die witte kleren?’ Kard. Danneels schreef ooit een brochure met die titel naar aanleiding van de vermoorde kinderen. Maar het gaat ook over om minder spectaculaire ‘heiligenlevens’.

Zij die standhouden in hun relatie, soms vooral omwille van de kinderen. En zij die alleenstaand proberen recht te blijven, soms ook omwille van de kinderen.
Zij die blijven proberen om gemeenschap te vormen, te hebben, te beleven.

Zij die proberen genuanceerd te blijven te midden van de mediatieke of grootschalige pletwals. 
Enzovoort… Allen die prevelen: Geef ons gehoor en ga ons voor.


Lezing uit Apokalyps 7,2-4.9-14
[2] En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang van de zon, met het zegel* van de levende God. Hij riep met luide stem tot de vier engelen, aan wie macht gegeven was om schade toe te brengen aan land of zee: [3] ‘Breng geen schade toe aan land of zee of aan de bomen voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben.’
     [
4] Daarop vernam ik het aantal getekenden*: honderdvierenveertigduizend* uit alle stammen van de Israëlieten    

 [9] Daarna zag ik een grote menigte*, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het lam, in witte kleren* en met palmtakken* in de hand, [10] en luid riepen zij: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zetelt, en van het lam!’
     [
11] Alle engelen stonden rondom de troon, samen met de oudsten en de vier dieren, en zij wierpen zich neer voor de troon en aanbaden God: [12] ‘Amen! Lof en heerlijkheid en wijsheid en dank en eer en macht en sterkte aan onze God tot in alle eeuwigheid, amen!’
     [
13] Toen* richtte zich een van de oudsten tot mij en zei: ‘Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen zij vandaan?’ [14] Ik antwoordde hem: ‘Heer, dat weet ú.’ Toen zei hij: ‘Dat zijn degenen die uit de grote* verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het lam.


Elk mens is een onuitgegeven boek… geschreven in de palm van Gods hand

 
Het is weer Boekenbeurs: de hoogmis van het Nederlandstalige boek. Een grote menigte van boeken is er te zien: vele tienduizenden. Het kunnen er misschien 144.000 zijn zoals de 12 x12.000 uit de stammen van Israël in het visioen van Johannes in de Apokalyps.

Een mens is als een boek, maar niet elk boek wordt uitgegeven. Een officiële heilige is als een boek dat af  lijkt, uitgegeven wordt …en soms uitgelezen.

 Een boek heeft iets ‘afs’. Het sluit iets af, zoals iemand ook maar officieel heilig verklaard wordt als zijn of haar leven ‘af’ is. Door dat ‘affe karakter’ heeft het ook iets aantrekkelijks, of kan men het zelfs benijden. Iemand heeft ‘iets’ verwezenlijkt en dat kan je zien, lezen, met naam en toenaam. Die indruk van ‘afheid’, dat is natuurlijk schijn, schijn-heiligheid. De auteur weet maar al te goed dat de weg naar dat propere eindresultaat vaak niet zo proper was. Elk boek is ‘onaf’; het drukt nooit alles uit wat men wil zeggen.

De meeste mensen schrijven geen boek of over hun leven wordt geen boek geschreven. Maar de meeste mensen zeggen wel eens: ‘Ik zou er een boek kunnen over schrijven’, hoewel ze dat dan meestal niet doen. ‘Ik zou er een boek kunnen over schrijven’: meestal bedoelt men dan dat er heel moeilijke dingen gebeurd zijn – de tragiek van de zaligsprekingen - en hoe men dat overleefd heeft. En het meeste daarvan wordt niet geschreven, en zelfs niet verteld. De meeste mensenlevens zijn zoals we dat zeggen ‘onuitgegeven’. ‘Dit is “onuitgegeven” – het Franse c’est inédit laat nog beter aanvoelen wat ik hier wil evoceren. Met het woord ‘onuitgegeven’ drukken we ook uit dat er iets speciaals, iets ongelooflijks, iets totaal nieuws, kortom iets heiligs is.

Die onuitgegeven boeken vormen – in mijn lezing van het visioen van de Johannes – ‘die grote menigte die niemand tellen kan uit alle rassen en stammen en volken en talen.’ Dat zijn zij in witte gewaden: de witte bladzijden, de massa van ongeschreven boeken als het ware.

Boeken bieden ook perspectief. Perspectief: ik zal kunnen lezen; ik zal deze avond voor het slapen gaan iets kunnen lezen. Het perspectief ’s avonds te zullen verwijlen in de wereld die opgeroepen wordt in een goed boek – of het nu om een heiligenleven, een thriller of een roman enz. gaat – geeft uitzicht aan de soms zware of kleurloze dag. Zo kan ook het vooruitzicht van het verwijlen bij een inspirerend figuur, een heilige – wie weet -, bij Jezus in een meditatief moment perspectief bieden. Daarom misschien heet bidden in het Westvlaams soms ‘lezen’: we gaan een beetje ‘lezen’… lezen over, over-lezen met Jezus.

De Heilige bij uitstek, schreef zelf nooit een boek maar zijn perspectief was wel: ik ben geschreven in de palm van Gods hand. Elk mens is een onuitgegeven boek, geschreven in de palm van Gods hand. Dat is een fundamenteel bemoedigende boodschap en dat is precies wat dat vreemde laatste bijbelboek, de Apokalyps, dat deze dagen gelezen wordt, wil diets maken.

Apokalyps werd geschreven voor christenen in bange dagen, vervolgd in klein-Azië. Het slot spreekt van ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’. Maar in wat voorafgaat staat het vol met schrikbarende beelden die bovendien erg symbolisch-cryptisch overkomen. Er wordt in code-taal over Christus gesproken. De drie kenmerken van de tekst - schrikbarend, cryptisch, bemoedigend – beschrijven ook goed onze cultuur.

Apokalyps: een schrik-barende tekst

Schrik-barend is de Apokalypstekst soms: zo is er bijvoorbeeld de draak die het pasgeboren kind van de Maagd bedreigt. En zo zijn bepaalde beelden van de dood in onze maatschappij. Een sterk gemedicaliseerde dood waarbij men niet zelden sterft in een geur van therapeutische hardnekkigheid, en niet van heiligheid of waardigheid; dood door dementering in onderbevrouwde rusthuizen, zelfdoding, geassisteerde zelfdoding, gezinsdrama’s; dood door natuurrampen en klimaatopwarming; … U kent de beelden in documentaires en films die je wel eens doen vragen: “Waar gaat dat…tja…‘eindigen’?”: Apocalypse now?

Apokalyps: een symbolisch-cryptische tekst: code-taal

Apokalyps is niet alleen schrik-barend, de tekst staat ook bol van hermetische visioenen en symbolen (‘het zevende zegel’). Onze tijd staat in zekere zin ook bol van visioenen en symbolen – is er ooit een tijd geweest met meer van dat, gezien alles wat bijvoorbeeld gebeurt op vlak van films en media… En hoe vreemd het ook lijkt, je kan, zoals in de tijd dat Apokalyps werd geschreven, publiek nauwelijks over Christus spreken, maar toch kan je bepaalde fenomenen, symbolen en visioenen lezen, ‘de-coderen’ met een eigenzinnige religieuze-christelijke bril en daar inzicht, bemoediging en troost uit putten.

Ik denk ondermeer toch dat in de palliatieve zorgbeweging en in de vernieuwde aandacht voor rouw meer ruimte is voor het ‘visioen’ en de beleving van de zaligsprekingen, ook al wordt daar zelden of nooit Jezus Christus vernoemd.

Ook helpt het om fenomenen vanuit de diepe behoefte van de mens aan rituelen en religie – ver-binding – te bekijken. De mens is een ‘dier’ (er treden overigens veel dieren op in de Apokalyps) dat symbolen en rituelen nodig heeft ook als de klassieke het vaak niet meer doen.  Er zijn ‘rituelen’ waar je ze niet verwacht: medische technologie bijvoorbeeld heeft een rituele betekenis. Een aantal chemotherapieën, veel infuzen en sondes, kunstmatige voedingen en stamcellen hebben (ook) een diep symbolische betekenis, want die ‘levenslijnen’ kanaliseren letterlijk onze angst voor eindigheid en lijden. Het helpt me om milder te kijken naar het fenomeen van therapeutische hardnekkigheid en technologische inzet.

 
Apokalyps: een bemoedigende tekst:

De Apokalypstekst klinkt tenslotte niet alleen schrikbarend en symbolisch-cryptisch maar soms ook expliciet bemoedigend.  De tekst spreekt in hoofdstuk 21van ‘God-met-ons’, ‘Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’, van: ‘Zie, ik maak alles nieuw’, van ‘En de dood zal niet meer zijn’. God-met-ons: God is opgedoken waar je hem nooit had verwacht: in Nazaret en Betlehem, in een stal. Dat verhaal van Jozef, Maria en het kind Jezus, God-met-ons zie je opduiken waar je ’t niet verwacht: niet meer in een heilig boek dus, maar in een film, bijvoorbeeld in ‘The Broken circle… breakdown’. Misschien zal je ‘m.

Hard, theatraal-overdreven die film, en toch hangt er een zweem van positiviteit, met veel geluid en instrumenten die nooit ver weg zijn, zoals in de Apokalyps. Je ziet een soort postmoderne Jozef en Maria – een koppel waar letterlijk en figuurlijk muziek in zit, en allerlei standjes, wonend aan de rand van de maatschappij.

Ze krijgen een onverwacht, zelfs ongewenst maar liefdevol bejegend dochtertje dat uiteindelijk een vreselijke dood sterft aan een leukemie – waar we ook de grote medisch-technologische ‘rituelen’ zien. De mama ligt als een piëta in bed met haar dode dochtertje  – hart dat doorboord wordt zoals voorspeld door Simeon aan Maria. Het rouwproces trekt de beide ouders uiteen - hoe komt het overigens dat we in het evangelie nooit meer iets horen van Jozef? Het lijden lijkt in de film de liefde te ‘breken’ (The broken circle…breakdown), doordat men elkaar beschuldigt, wat de moeder zelfs tot suïcide drijft.

Is alles kommer en kwel? De film eindigt toch op een positieve-optimistische noot (letterlijk dan) wanneer de vader met zijn muzikale maten onder tranen vrolijke blue grass muziek speelt wanneer het beademingsapparaat van de jonge moeder wiens hersenen door de suïcidepoging al te zeer beschadigd zijn, wordt stilgezet.

De film is doorspekt met de nu zo populaire tattoos op het lichaam van de vrouw: ook ‘schrikbarende’ beelden met op het einde toch een ‘blijde boodschap’ zelfs midden de suïcide: ‘Maria’ heeft de nieuwe namen voor haarzelf en haar man op haar lichaam getatoeëerd: Monroe & Alabama: het doet me denken aan Apokalyps 21 (eerste lezing van Allerzielen): ‘Ik zal hem een wit steentje geven en op dat steentje staat een nieuwe naam geschreven, die niemand kent’, een ‘nieuwe hemel en de nieuwe aarde’ ‘zie ik maak alles nieuw’… Uitdrukkingen van de onverwoestbare neiging tot geloof, hoop en liefde in de mens, over de grens van de dood heen. Het ‘kleine meisje hoop’ tussen de grote zussen geloof en liefde (zoals Charles Péguy het uitdrukt), letterlijk en figuurlijk in deze film.

En als u het een beetje overdreven vindt om die film met het evangelie te verbinden: lees dan het evangelie van Allerzielen waarin Jezus stervend als een foute mens op het kruis een luide kreet geeft… en de Geest. En ‘Toen scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot onder in tweeën’: dwz God ontsnapt als het ware uit het heiligdom van de tempel, uit het instituut, voorgoed. God is van iedereen – de Heilige is van iedereen, Allerheiligen - ook van deze ‘goddeloze’ wereld en daar is Hij/Zij met ons voor wie het waagt te lezen en te decoderen. En dat vind ik fundamenteel bemoedigend.