woensdag 31 juli 2013

De vier liefdes


Tussen 20 en 29 juli 2013 begeleidde ik Geestelijke Oefeningen in ons Bezinningscentrum van Drongen. Op het feest van de H. Maria Magdalena op 22 juli gaf ik volgend commentaar op de lezingen.
 
 
Lezing uit het Hooglied 3,1-4:

Zij
[1]
’s Nachts op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.
 
[2]
Ik sta op, doorkruis de stad,
zoek op pleinen en in straten naar mijn zielsbeminde,
maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.
 
[3]
Ik kom de wachters tegen die de stad doorkruisen:
‘Hebben jullie mijn zielsbeminde gezien?’
 
[4]
Nauwelijks ben ik ze voorbij, of ik vind mijn zielsbeminde!
Ik pak hem vast en laat hem niet meer los
voor ik hem binnengeleid heb in het huis van mijn moeder,
in de kamer van haar die mij het leven schonk!

Achter elke sterke man staat een sterke vrouw (en dat is dan niet hun moeder), zegt men wel eens.
Obama: Michèle
Koning Filip: Mathilde
Koning Willem-Alexander: Maxima
Jezus: Maria-Magdalena

Het Hooglied werd in de traditie vooral spiritueel gezien, in de joodse traditie als beeld van de verhouding tussen God en Israël, in de christelijke traditie van Christus met de kerk. Pas sinds het einde van de 18° eeuw ging men het Hooglied lezen als wat ze overduidelijk is: pure liefdespoëzie. Gelukkig maar! Een puur spirituele lezing zou jammer zijn voor een godsdienst van de incarnatie, van het vlees, van de menswording – In het begin was het Woord…. En het Woord is vlees geworden. De band tussen spiritueel en lichamelijk/seksueel wel wat nauwer aangetrokken worden. En we staan nog steeds niet erg ver in de kerk op dat punt, vind ik.

Wat zijn we – de mannen vooral dan ? – blij dat er ronduit erotische poëzie in de Bijbel staat.

Anderzijds: er bestaat geen concretere taal en referentie over de verhouding God-mens als die van de mensenliefde. In de menselijke liefde gebeurt God. We willen komen tot eenheid, tot ver-een-iging.

Misschien moeten we wel ontferming vragen omdat we daarin te weinig geloven.


Uit het evangelie  volgens Johannes 20,11-18:
 
Maria stond buiten bij het graf te huilen. En terwijl ze zo huilde, wierp ze een blik in het graf [12] en zag daar twee in het wit geklede engelen zitten, de een aan het hoofdeinde, de ander aan het voeteneinde van de plaats waar Jezus had gelegen. [13] Ze spraken haar aan: ‘Waarom huilt u zo?’ Ze antwoordde: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd!’ [14] Na deze klacht keerde ze zich om en zag Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. [15] Jezus vroeg: ‘Waarom huilt u zo? Zoekt u iemand?’ In de mening dat het de tuinman* was zei ze: ‘Heer, als u het bent die Hem hebt weggenomen, zeg me dan waar u Hem hebt neergelegd; dan kan ik Hem laten halen.’ [16] Jezus zei: ‘Maria!’ Ze keerde zich nu naar Hem toe en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat is het Hebreeuws voor: meester.) [17] ‘Houd* Me niet vast’, zei Jezus. ‘Ik moet nog opstijgen naar de Vader. Ga liever naar mijn broeders en zeg hun: “Ik stijg op naar mijn Vader die ook jullie* Vader is, naar mijn God die ook jullie God is.” ’ [18] Daarop ging Maria van Magdala aan de leerlingen verkondigen: ‘Ik heb de Heer* gezien’, en ze vertelde hun wat Hij tegen haar gezegd had.

 

Homilie:

De Geestelijke Oefeningen zijn een methode om iets meer kans te hebben om te ontdekken/proeven wat je eigenlijk, maar toch niet echt weet : God is liefde. Vandaar dat de laatste – maar dan ook pas de laatste - Geestelijke Oefening heet: beschouwing om de liefde te verkrijgen. Daar zal ik bij uit komen langs een, vergeef mij, een al te lange in- en omleiding.

 De liturgie van het feest van Maria Magdalena plaatst de bekende ontmoeting van de verrezen Jezus met Maria Magdalena in verbinding met de vrouw die in het Hooglied haar lief zoekt en maar niet vindt, en dan toch vindt. Velen aanzien Maria Magdalena als het ‘lief’ van Jezus en hier en daar wordt zelfs gewaagd van kinderen en een afstamming van dit ‘koppel’. Of dat de code is die we moeten lezen in dit verhaal laat ik terzijde. Maar laat mij proberen te zien hoe deze tekst in de context van Geestelijke Oefeningen ons kan inspireren.

De drie sterke liefdes

Als het waar is dat God liefde is en dat het uiteindelijk om liefde, om iets moois gaat in ons geloof, dan is de mooiste referentie/metafoor de liefde en vriendschap tussen een man en een vrouw, althans voor een heterofiele persoon. Want is er wel iets mooiers in de ervaring dan liefde en/of vriendschap tussen man en vrouw? Ik denk het niet. Maar misschien is er ook niets fragielers dan dergelijke liefde/vriendschap (partnerliefde of in het grieks ‘eros’)

Anders dan de liefde tussen moeder/vader en kind, die ook prachtig is en zo diepgaand, maar zonder de gelijkwaardigheid van twee partners en in zekere zin meer onvoorwaardelijk dan de liefde tussen twee partners; Zoals de moeder van een pasgeboren kindje zei: ‘Je hebt dat kind onvoorwaardelijk lief’. (ouderliefde of ‘storgè’/zorg) Maar ouders lijden ook erg doordat ze kinderen liefhebben.

Er is nog een liefde: de ‘filia’. Ik ken met de jaren de affectie, de diepe vriendschap met enkele vrienden-medejezuïeten, en vind ik dat ook prachtig, enorm deugddoend, ik kom erin thuis, ja het kan mij ontroeren als ik er alleen maar aan denk, en toch kan dat niet de liefde tussen man en vrouw vervangen. Net zoals de affectie tussen Jezus en de geliefde leerling, de auteur van deze pericope overigens, niet die tov Maria Magdalena vervangt.

 De partnerliefde, de ouderliefde, de vriendschapsliefde: ze spreken ons sterker aan dan Gods liefde. Zo, wat zitten we hier dan te doen in deze retraite? Indien Gods liefde niet de menselijke liefde overtreft, althans ons niet op dezelfde sterke manier aanspreekt, wat zitten wij hier dan te oefenen? Waarom zitten we hier te kijken naar Jezus?


De vierde liefde

We zijn naar hier op retraite gekomen vanuit de begrensdheid van die op zich prachtige en soms sterk ervaren liefdes, vanuit nood aan verbreding: ofwel vanuit de positiviteit: diepe dankbaarheid en besef dat je goede dingen niet zelf kunt creëren, dat ze ook moeten gegeven worden; misschien vanuit de verwondering van ‘wat is de zin van al dat moois dat ik krijg’ of toch een ervaring van tekort – van nood aan ‘meer’ ondanks al dat moois; ofwel – vaker - vanuit de negativiteit en nood aan heling: het gekwetst worden in onze liefdes, in ons engagement, ofwel vanuit de gewoonte om retraite te doen maar misschien zonder liefde te ervaren. Wat is de ultieme zin van dit alles?

Wat leren ons de twee verhalen van vandaag, verenigd in de figuur van Maria –Magdalena? Wat leren ze over de verhouding tussen menselijke liefdes (partnerliefde, ouderliefde, vriendschapsliefde) en de liefde van en tot ‘God’?

Jezus is naar Jeruzalem gegaan. Waarom? Hij is daar gevangen  genomen, in een proces terecht gekomen en is gestorven op een vreselijke manier. Waarom? Waarom heeft Hij dat ‘om de liefde Gods’ gedaan – zoals we in Vlaanderen zeggen.  Wel, om de liefde Gods, is volgens mij het enige echte antwoord. Alleen: dat antwoord zegt niets. God is werkelijk liefde, dat heeft Jezus op een manier aangevoeld die weinigen – bijvoorbeeld Franciscus van Assisi - geschonken werd. Jezus merkte evenwel dat dit beeld van God als liefde volkomen verdwenen was in een religie van wetten en regels. Hij wou duidelijk maken dat God anders was, omdat Hij dit ervaren had. Dat was zo belangrijk voor Hem dat Hij er een proces en een kruisiging voor over had. Hij had immers ook NIET naar Jeruzalem kunnen gaan.

Die betekenis van Jezus’ leven, en vooral lijden en dood is echter maar langzaam doorgedrongen tot degenen die het hadden meegemaakt – zoals bij ons. Het duurde – het duurt nog steeds - tientallen jaren. Want was het niet absurd wat Hij gedaan had? En dan is iets doorgebroken van een besef en heeft dit – ook historisch – een enorme uitstraling gekend.

Het is niet van-zelf-sprekend, het is van-God-sprekend dat je begint te beseffen dat het werkelijk gaat om Liefde die ons draagt.

Maar hoe vertel je over zo’n omslag, over de doorbraak van die betekenis? Met een verhaal van de vrouw die het dichtst bij Jezus stond.

(1)   Vanuit haar verdriet: ze schreit bij het graf. Hij is dood en bovendien is het lichaam onvindbaar. Een verhaal van zoeken, niet vinden en toch vinden: zoals de vrouw in het Hooglied: Des nachts op mijn bed zoek ik mijn zielsbeminde, maar hoe ik ook zoek, ik vind hem niet.. (3 keer in het Hooglied!)  Zoals in een retraite (en in het leven): vaak een kwestie van zoeken en al dan niet vinden….

Is het niet prachtig dat de eerste getuige van de verrijzenis, eensluidend in de vier evangelies, een vrouw is die de Heer liefheeft als een lief. Neen, ze herkende Hem niet dadelijk, maar ze ging wel naar Hem op zoek vanuit haar liefde en de heling die Hij reeds had betekend, ook al was hij nu dood. ‘Waarom schreit ge?’ vragen eerst de engelen en ook de onherkenbare Jezus – een schimmig verhaal! Het klinkt als een stilaan groeiend besef: ‘Heb je eigenlijk wel redenen om te schreien? Ja, maar…’ Er beweegt, keert al iets.

(2) Ze ziet Jezus staan zonder te weten dat Hij het is. “Liefde is – elementair -het uiterst moeilijk besef dat iets of iemand anders echt bestaat, schrijft Iris Murdoch (hoewel die overduidelijk bestaat) – liefdeloosheid is toch ‘iemand niet zien staan’. Die kering naar de liefde wordt vertolkt in Jezus die haar aanspreekt bij haar voornaam: Maria! Een persoonlijk aangesproken worden. En haar spontane reactie: ‘Rabbouni’: niet alleen herkent ze daarmee Jezus, maar erkent ze hem ook als Meester, als Leraar die met zijn onderricht en leven, met handen en voeten – zij het doorboord – heeft proberen duidelijk te maken dat God liefde is en waarom Hij naar Jeruzalem ging. Dat vat ze nu echt.
(3) Dan volgt de bevestiging: ‘Houd mij niet vast want Ik ben nog niet opgestegen naar mijn Vader’. Het verhaal heeft het over de verhouding tussen de Zoon en de Vader, de Abba die liefde is. Maria – de in haar liefde gekwetste, zoekende – beseft nu dat de Liefde waarover Jezus sprak, echt bestaat. Jezus’ intuïtie klopt, zegt haar ervaring. ‘Houd Mij niet vast’: houd niet langer het beeld van mij vast als iemand die een absurde dood stierf. Loslaten gaat eigenlijk zo in tegen de liefde, dus: Hou mij anders vast.

(4) Het wonderlijk effect van dat besef bij Maria Magdalena is dat ze zich inderdaad niet vastklampt aan het verleden maar zich naar de leerlingen wendt: dit besef van God als liefde wordt de motor van beweging om anderen hierover te spreken (zending heet dat dan); niet de juistheid van bepaalde religieuze of ethische principes.

Besluit:
Na (of onder) de partner-, de ouder-, de vriendschapsliefde is er de Christusliefde die een verbreding van de menselijke liefde inhoudt. Ze heeft vandoen met leven naar anderen toe vanuit het besef van een onderliggende liefde, van een liefde die het leven gunt aan iedereen – een liefde die dat wat in de partner-, ouder- en vriendschapsliefde aan verstikkends dreigt te zijn openbreekt, ruimte geeft en daardoor tot zijn recht laat komen. Mocht het zo zijn.

zondag 23 juni 2013

Euthanasie: zeg niet te vlug dat je weet hoe je Christus moet navolgen


HOMILIE 12° ZONDAG VAN HET C-JAAR 2013, 23 juni

Sint-Jan de Doper Kerk, Universitaire Parochie Leuven

 

Evangelie: Lucas 9, 18-24

[18] Eens was Hij aan het bidden, alleen zijn leerlingen waren bij Hem. Hij stelde hun de vraag: ‘Wie zeggen de mensen dat Ik ben?’ [19] Zij antwoordden Hem: ‘Johannes de Doper, volgens anderen Elia, en weer anderen zeggen dat een van de oude profeten is opgestaan.’ [20] Daarop zei Hij hun: ‘En jullie, wie zeggen jullie dat Ik ben?’ Petrus antwoordde: ‘De Messias (de Gezalfde) van God.’ [21] Hij verbood hun echter nadrukkelijk hierover met iemand te praten [22] en zei: ‘De* Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden worden verworpen en ter dood gebracht; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.’ [23] Met het oog op allen zei Hij: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, dagelijks zijn kruis opnemen en Mij volgen. [24] Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen, maar wie zijn leven om Mij verliest, die zal het redden. [25] Wat immers baat het de mens als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt?

 

“Gij zijt de Gezalfde van God”:

Hij verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen

 

(Inleiding) Werken met een bijbeltekst betekent toch vaak een partijtje worstelen, grieks-romeinse stijl voor zover ik altijd ook wel even naar de Griekse grondtekst kijk met daarnaast een Latijnse vertaling.  Zeker is het worstelen met de tekst van vandaag. Met Pasen en Pinksteren nog niet zo ver achter ons, en met de vakantie en wie weet een zomer  voor ons, krijgen we een zware tekst voorgeschoteld over lijden, verworpen worden, jezelf verloochenen, je kruis opnemen, je leven redden door het te verliezen en meer moois. Dat heet dan verlossing! Wat hiermee na een week vol euthanasie-actualiteit?

(Algemene stelling) Wel, misschien zit het bevrijdende, verlossende daarin dat we niet te vlug moeten zeggen dat we weten wat het betekent om de Mensenzoon te volgen. Niet dat dat ons ontslaat van enige radicaliteit, maar misschien bestaat die radicaliteit erin om radicaal in het niet definitief weten te gaan staan, op de kruising van tegengestelde waarheden en dynamieken die ons ahw kunnen ‘kruisigen’. Om in de dynamiek van de week te blijven: Wie meent bijvoorbeeld over euthanasie definitief te weten wat goed of slecht is? Een zeker ethische agnosticisme – ‘ik weet het niet’ - lijkt me soms juister al haal je daar geen pers mee. Wie zou durven beweren dat euthanasie in sommige gevallen geen verlossing betekent? Tegelijk: wie zou beweren dat de zelfgekozen dood als regel humaniserend is voor onze maatschappij als geheel?

Dat idee van niet weten halen we uit de tekst zelf, wat altijd een sterk argument schijnt te zijn. Op de vraag van Jezus: ‘Wie zegt gij dat Ik ben ?’ antwoordt Petrus: ‘Gij zijt de Gezalfde van God.’ En dan volgt: ‘Maar Jezus verbood hun nadrukkelijk dit aan iemand te zeggen.’ Waarom dit spreekverbod?  Omdat we niet te vlug zouden menen te weten wie de Gezalfde is, wat het betekent Hem na te volgen en zelf gezalfde te worden, en menen te weten wat daar verlossend in is, want daar komt veel meer lijden aan te pas dan we vermoeden op het ogenblik van een enthousiast begin: het vervolg van de tekst spreekt immers over Jezus’ toekomstig lijden en het lijden van degenen die hem daarin willen volgen op een of andere manier.

Maar het spreekverbod betekent misschien nog meer:  door de betekenis van de verlosser/verlossing al te vlug vast te pinnen op een bepaald kruis kunnen we daardoor onszelf de kans op verlossing ontnemen en ontmoedigd worden. En dat zou jammer zijn. Jezus zelf laat door zijn spreekverbod ivm met zijn identiteit als Gezalfde speling toe, vragen die opkomen – vanuit ons leven – bij Jezus’woorden. If Jesus is the answer, what’s the question? What are the questions ?

Ik heb er twee alvast: (1) Leidt de navolging van deze Jezus die blijkbaar ‘moet’ lijden, niet tot een zeker religieus fanatisme? (2) Hoe compatibel is de navolging van Jezus die zelfverloochening inhoudt, met zelfrealisatie en autonomie?

(Eerste vraag) Leidt de navolging van deze Jezus die blijkbaar ‘moet’ lijden niet tot een zeker religieus fanatisme? Dat is een vraag naar de vorming van onze religieuze identiteit. ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben (geworden)?... En wie zegt gij – mijn intieme vrienden - dat ik ben (geworden)?’ Wie ik ben wordt sterk bepaald door de context waarin we leven, door de normen die daarin heersen.  Onze identiteit wordt bijvoorbeeld sterk bepaald wordt door economische, neoliberale normen. De normen in Jezus’ tijd waren sterk bepaald door de joodse religie, incluis de idee van een Messias. Jezus was overduidelijk een jood ‘die weliswaar geen jota aan de Wet wou veranderen’, maar dan toch wel een ‘marginale jood’ bleek te zijn, naar de titel van een bekend exegetisch werk – A Marginal Jew. De nochtans strenge en indringende normen van zijn tijd werden in Hem doorbroken door iets anders. Hij werd gedreven door een soort verplichting, een innerlijk moeten – misschien kennen we dat zelf wel. Een innerlijke drang/dwang waarmee in zekere zin niet te negociëren valt, die mij in een ongelijke positie zet; omdat ik alleen haar (stem) hoor gaat het om iets ‘ongehoords’ dat zich zo sterk kan opdringen dat er geen ‘spel’ meer zit op mijn interpretatie, mijn betekenisgeving. Deze ‘ethiek’ draagt – dat voelt u zo – steeds het risico van fanatisme in zich. En fanatisme is nooit goed, zeker niet als ze religieus is – onze tijd illustreert dat maar al te goed. Twee heel verschillende zaken kunnen ons verlossen van dit fanatische.

Er zijn enerzijds normen die de asymmetrie van de innerlijke, ‘ongehoorde’ verplichting terug corrigeert en mij in zekere zin bevrijden van de innerlijke verplichting die mij vasthoudt. Misschien verrassend. Zo kan ik fanatiek tegen euthanasie zijn, maar  schept de politieke norm – toch in ons land – ruimte voor die mogelijkheid, wat vreemd genoeg een tegenstander van euthanasie ook wat kan verlossen. Doordat ik mij niet langer kan verschuilen achter: ‘De (burgerlijke) wet verbiedt het’, word ik – als ik eerlijk in mijn hart kijk - verlost van het gevoel bepaalde mensen die zwaar lijden en dit werkelijk willen, te gijzelen en is er publieke ruimte voor een gesprek over het ongeoorloofde.

En toch  kan er tegelijk iets in je zijn van: “Hier ben ik, ik kan niet anders, ik moet hier tegen protesteren…’ En zo is er iets extreems in de figuur en de keuze van Jezus.: “De Mensenzoon moet – in het Grieks het fameuze goddelijke ‘dei’ - veel lijden en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden – maw mensen van de norm - verworpen worden…” Toch is dat extreme van een bepaald type. En dat brengt ons bij het andere aspect dat behoedt tegen fanatisme. Het extreme bij Jezus wordt door iets heel moois aangedreven, de intuïtie namelijk dat God radicaal liefde en barmhartigheid is, dat elke mens gered moet worden, en niet dat de ongelovige moet gedood worden bvb – een liefdevolle Vader, Abba, degene tot wie Hij aan het begin van de evangelietekst van vandaag is aan het bidden is. Hij merkt dat de religieuze normen van het toenmalig religieus instituut dat godsbeeld verduisteren en daaruit groeit in Hem de verplichting om dit aan het religieus instituut duidelijk te maken. Maar dit gaat ‘m zijn kop kosten, dit heeft in zekere zin iets suïcidaals. Maar hij kan niet anders, Hij gaat vanaf datzelfde hoofdstuk 9 in Lucas recht naar Jeruzalem.

Dat radicale blijft actueel. Ik lees op Internet deze week over Edward Snowden: ‘Een 29 jarige analist gaf zijn hele leven op– zijn vriendin, zijn baan, zijn huis – door de klok te luiden over het schokkende PRISM programma van de Amerikaanse overheid – dat zij de afgelopen jaren hebben gebruikt om onze Skype berichten, Facebook posts en telefoongesprekken af te tappen.’ Waarom doet een mens dat? Of ik dacht recent in Praag aan Jan Palach die zichzelf in brand stak als protest tegen de Russische bezetting van Tsjecho-slowakije. Je mag jezelf niet in brand steken, en toch. Een zeldzame keer moet het zo spectaculair voor iemand, in de overgrote meerderheid van de gevallen beleven mensen die verplichting tot radicale liefde veel discreter, daarom niet minder reëel. Maar steeds stelt zich de onderscheidende vraag: wanneer moet ik deze radicale stap zetten en de norm, het ‘normale’ inruilen voor het extreme? Jezus is niet dadelijk naar Jeruzalem getrokken, pas ‘na 9 hoofdstukken’!

(Tweede vraag) Hoe compatiebel is de navolging van Jezus, die zelfverloochening en het dagelijks opnemen van zijn kruis inhoudt, met zelfrealisatie en autonomie? Onze cultuur van zelfbepaling lijkt natuurlijk haaks te staan op zelfverloochening. Maar onze zelfbepaling brengt zelf  heel wat lijden en last mee: we kunnen maar moeten ook bijvoorbeeld veel meer zelf kiezen op alle mogelijke terreinen van het leven. We mogen zelf bepalen of we kinderen willen of niet, of we een job willen of niet, of we willen scheiden of niet, we kunnen kiezen met wie we willen omgaan, we kiezen in zekere mate voor een druk leven van keihard werken. En dat geprakkezeer en georganiseer kan zwaar wegen. We hebben soms nood aan verlossing van onszelf. Zou het kunnen dat Christus volgen ook kan betekenen dat we de consequenties, het kruis van onze autonomie – die we zo liefhebben en als een groot goed beschouwen – dagdagelijks proberen op ons te nemen, en dat Christus volgen niet noodzakelijk een afwijzen van een doorgedreven autonomie impliceert?

Een voorbeeld uit mijn werk als palliatieve-zorgarts. Als arts, zorgverlener, familielid of vriend kom je tegenover mensen te staan met euthanasievragen die je misschien tegen de borst stoten. Kan jezelf verloochenen en je kruis opnemen ook betekenen dat je meegaat met mensen bij euthanasievragen tot en met de uitvoering daar waar je liever niet gebracht wordt, waarbij je soms zelf je eigen intuïties moet verloochenen? Of is de enige invulling van een evangelische moraal en van de zelfverloochening dat je je radicaal verzet tegen medewerking aan datgene wat in algemeen niet geoorloofd is, namelijk het moedwillig beëindigen van een leven/lijden? Misschien betekent je kruis opnemen en jezelf verloochenen je in de grijze zone begeven en ontdekken dat je daar humaniserend en verlossend aanwezig kunt zijn. Je openstellen voor de moeilijke vragen van zieken en als het dan toch moet, het zo goed en humaan  mogelijk helpen gebeuren, kan ook een radicale vorm van barmhartigheid inhouden. Toch blijft het zich uit protest radicaal terugtrekken van sommigen (‘Stop euthanasie’) – ook misschien vanuit het volgen van Jezus - juist mijn eigen houding van ‘collaboratie’blijven in vraag stellen, en het definitief antwoord , het ‘laatste oordeel’, opschorten.

(SV) Jezus Christus volgen kan verlossend zijn, dat geloven we. Maar misschien mogen we niet te vlug denken te weten wat dit inhoudt, of toelaten dat er meerdere invullingen zijn. En die speling kan reeds verlossend zijn.

Ik hoop dat ik onduidelijk genoeg was.

 

Marc Desmet sj

zondag 10 maart 2013

Terug keren naar de vader: vol-ledig leven


Commentaar bij Lc 15, 1-3.11-32: De parabel van de vader en de twee zonen

[1] Alle tollenaars en zondaars kwamen hem opzoeken om naar hem te luisteren. [2] Maar zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden zeiden morrend tegen elkaar: ‘Die man ontvangt zondaars en eet met hen.’ [3] Jezus vertelde hun toen deze gelijkenis: ‘Iemand had twee zonen. [12] De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. [13] Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. [14] Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. [15] Hij vroeg om werk bij een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden. [16] Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem. [17] Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger. [18] Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, [19] ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.” [20] Hij vertrok meteen en ging op weg naar zijn vader. Zijn vader zag hem in de verte al aankomen. Hij kreeg medelijden en rende op zijn zoon af, viel hem om de hals en kuste hem.
[21] “Vader,” zei zijn zoon tegen hem, “ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden.” [22] Maar de vader zei tegen zijn knechten: “Haal vlug het mooiste gewaad en trek het hem aan, doe hem een ring aan zijn vinger en geef hem sandalen. [23] Breng het gemeste kalf en slacht het. Laten we eten en feestvieren, [24] want deze zoon van mij was dood en is weer tot leven gekomen, hij was verloren en is teruggevonden.” En ze begonnen feest te vieren.
[25] De oudste zoon was op het veld. Toen hij naar huis ging en al dichtbij was, hoorde hij muziek en gedans. [26] Hij riep een van de knechten bij zich en vroeg wat dat te betekenen had. [27] De knecht zei tegen hem: “Uw broer is thuisgekomen, en uw vader heeft het gemeste kalf geslacht omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.” [28] Hij werd woedend en wilde niet naar binnen gaan, maar zijn vader kwam naar buiten en trachtte hem te bedaren. [29] Hij zei tegen zijn vader: “Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest als u mij iets opdroeg, en u hebt mij zelfs nooit een geitenbokje gegeven om met mijn vrienden feest te vieren. [30] Maar nu die zoon van u is thuisgekomen die uw vermogen heeft verkwanseld aan de hoeren, hebt u voor hem het gemeste kalf geslacht.” [31] Zijn vader zei tegen hem: “Mijn jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is van jou. [32] Maar we konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden.”’

Terugkeren naar de vader: vol-ledig leven

De voorbije jaren was ik bij dit al te bekende verhaal vooral gefascineerd door de twee zonen die elk een figuur voorstellen: de jongste als de figuur van de hedendaagse mens die zijn deel opeist, zijn eigen weg gaat, in de vervreemding terecht komt en dan node terugkeert; de oudste als de mens van de generatie van mijn ouders, gekenmerkt door de wet, de teksten, plichtsbewust; stilletjes jaloers op de jongere generatie die van alles mag ervaren wat vroeger verboden was. Nu ben ik meer gepassioneerd door de vader, de figuur die het leven gunt. Wat stelt hij voor?

Daarvoor even de context: drie parabels over hoe datgene wat verloren ging gevonden en gered werd (het schaap, de drachme, de zoon). Ze komen naar aanleiding van de vaststelling dat ‘alle tollenaars en zondaars’ (nieuwe, oecumenische vertaling) bij Jezus kwamen om naar Hem te luisteren. Hoe komt het dat ze naar Hem wilden toekomen? Wat proefden ze in deze figuur Jezus? De parabel van de Vader en de twee zonen geeft het allicht aan, met name in de figuur van de Vader. De jongere zoon lijkt te verwijzen naar de ‘zondaars’; de oudere zoon naar de Farizeeërs en Schriftgeleerden; de vader naar de houding die Jezus zelf voorstaat. En die wordt gekenmerkt door twee zaken: authentiek mede-lijden enerzijds en anderzijds vreugde om de hereniging. Dat is allicht wat die ‘zondaars’ proefden bij Jezus en daar wil ik proberen naar te kijken.

MEDE-LIJDEN
Authentiek mede-lijden is niet de projectie van onze afschuw bij het zien van iets triestigs, het is een bepaald delen in een lijden. Elke figuur heeft hier zijn lijden, en misschien kunnen we ons in elk van die figuren tegelijk herkennen.
De jongere zoon lijdt aan zijn eigen vrijheid. Hij heeft zich kunnen/durven vrijmaken maar heeft nog geen nieuwe heelheid gevonden, heeft zich nog niet herenigd. De oudere zoon lijdt aan het gewicht van de wet, aan de plichtsgetrouwheid. Hij heeft zich niet kunnen/durven vrijmaken ten opzichte van de Wet en beleeft geen vreugde aan de Wet, blijft erin steken want kan het leven niet gunnen aan wie de Wet overtreedt. De vader lijdt ook: hij weet dat hij noch de ene noch de andere zoon kan tegenhouden te lijden, ik zou zeggen aan zichzelf. Hij beseft dat ze hun eigen weg moeten gaan om tot een diepere hereniging te komen: ‘Ik kan niet in hun plaats leven. Ik laat hen leven….’ Ver weg (v 13), wat de jongere zoon betreft. Het valt bijvoorbeeld op dat de Vader geen weerstand biedt aan het verzoek van de jongere zoon wanneer deze zijn deel opeist en verzilvert en wegtrekt. De afstand is eigenlijk niet alleen uitwendig, ook inwendig doet de scheiding haar werk. Hij had zich kunnen laten verdrinken in zijn pijn om wat hij noemt de ‘dood’ van zijn jongste zoon (v 24 en 32), maar hij lijkt te beseffen dat dit eigenlijk ‘moet’ gebeuren.

Bij zijn terugkomst ziet de vader hem al ‘in de verte aankomen’ – blijkbaar stond hij aandachtig uit te kijken - en dan ontstaat zijn medelijden, als iets nieuws, als een inval, geen sympathie maar medelijden. “De vader is in zijn darmen geraakt, alsof hij hem nooit gezien had… er is geen schuldige meer, geen onschuldige, maar enkel een lichaam dat stil nadert, met een schreeuw om relatie, en een ander lichaam dat zich laat ‘openen’ en vervoegen in het meest intieme, gevoelige, meest gekwetste…” (Lytta Basset). Je zou dat medelijden kunnen wegduwen, door iets te gaan doen, maar dat doet de vader niet. Door zijn mede-lijdende omhelzing communiceert de vader met het lijden van de ander.  Vandaar komt het gevoel van toebehoren, voornaamste ingrediënt van de vreugde om te zijn.
Mede-lijden maakt dus herstel mogelijk zodat we uit de kwestie van schuld en onschuld geraken en tot vreugde kunnen komen. Vreugde: in de drie parabels primeert de vreugde, maar is die er wel, wat moeten we er ons bij voorstellen en hoe kunnen wij daartoe komen?

VREUGDE
Het valt me op dat het in de eerste plaatst gaat om de vreugde van de vader. En eigenlijk alleen van de vader. Het is dus zeker geen ‘volkomen vreugde’. ‘We konden toch niet anders dan feestvieren en blij zijn, want je broer was dood en is weer tot leven gekomen. Hij was verloren en is teruggevonden,’ zegt de vader tegen de woeste oudere zoon die er helemaal niet in kan delen en buiten blijft. Het is ook niet duidelijk of de verloren zoon zelf al echt kan delen in die vreugde. Het lijkt erop dat enkel de vader echt vreugde beleeft. De zonen proeven nog geen vreugde; ze beleven zich nog niet terug als ‘broers’ - de oudste zegt: ‘die zoon van u’, als de vader spreekt van ‘uw broer’, de vader wel.

Wat moeten we ons voorstellen bij die vreugde? Waarom kan de vader vreugde beleven? Enerzijds omdat zijn zoon terug is, maar anderzijds ook omdat voor Hem niets perfect moet zijn: de jongere zoon is er, maar nog niet ten volle; de oudere zoon is er, maar is boos. De vader proeft vreugde omdat hij ‘ja’ kan zeggen op het hele leven, ik zou zeggen op het vol-ledige leven. Er is iets merkwaardigs met het woord vol-ledig.  Het spreekt van een volheid die inherent verbonden is met een ledigheid. Vol-ledig. Zoals de in-  en de uitademing samenhangen, onlosmakelijk. De volheid van het leven hangt samen met toelaten van ledigheid. Volheid is niet hetzelfde als 100 % kwaliteit, niet hetzelfde als ‘voltooid’. God kan volheid zijn (bij de Vader), maar God is ook de ontlediging, de kenosis, de lediging van de kelk in Jezus toen, in de Christus nu. Zo is ons leven volheid en tegelijk leegte.

BIDDEN EN LEVEN ALS TELKENS NAAR DE VADER TERUGKEREN

Is de tijd van vasten niet een tijd van uitnodiging om naar de Vader terug te keren, om iets te proeven van die vol-ledigheid?
Ik heb dat gedaan door te schrappen in mijn agenda en mij een week terug te trekken om in stilte te bidden, in groep, op een tegelijk zeer eenvoudige maar ook niet zo evidente manier. Daar wil ik toch iets van zeggen om te zeggen wat terugkeren naar de Vader, maar ook de afwisseling van volheid en leegte concreet voor mij kan betekenen.

Ik heb vroeger heel vaak met bijbelteksten gebeden, en dat blijft natuurlijk waardevol maar er kan een tijd komen dat je aan iets anders behoefte hebt, aan stilte. We waren met zestien personen en wie wilde meebidden zat in een kring, een kring van stilte. Telkens baden we gedurende 2 x 25 minuten, met vijf minuten ontspanningspauze tussenin. Tot vijf keer per dag. Na de gongslag baden we een Onzevader – het gebed dat Jezus zelf aan de leerlingen gaf toen ze vroegen hoe ze moesten bidden - om onze intentie duidelijk te maken: ons richten op de Vader en op zijn Koninkrijk (17,20): ‘De komst van het koninkrijk  van God laat zich niet aanwijzen, en men kan niet zeggen: “Kijk, hier is het!” of “Daar is het!” Maar weet wel: het koninkrijk van God ligt binnen uw bereik.’ ‘Binnen uw bereik’: hier en nu. Na het Onzevader niets anders dan zich innerlijk richten op God, zonder bijbel- of andere ‘interessante’ tekst, enkel gedragen door één woord (bijvoorbeeld vol-ledig) en natuurlijk komt dan van alles op wat je gewoon laat voorbijgaan zonder er op in te gaan: voorbijgaan aan mijn mooie gedachten (ja, speeches, preken etc…), voorbijgaan aan mijn gevoelens tot en met seksuele, aan ergernissen over mensen of de kerk, mijn lichamelijke ongemakken of signalen, botsen op een bolster in mij tot er misschien een barst ontstaat…, zonder allerlei interpretaties en reflecties te maken,… je gewoon proberen te richten op God en geduldig waarnemen wat gebeurt. ‘Zen’, inderdaad, maar christelijk ingebed. In zekere zin steeds terugkeren naar de Vader, naar de bron, zonder te blijven stilstaan bij de obstakels die ik waarneem rondom mij en vooral in mezelf.
Het lijkt niets, leegte, vasten, maar het vreemde is dat het opening geeft, dat we niet zot werden, dat het zinvol en zen-vol is. Dat het een perspectief biedt over onze eigen reflecties en pogingen heen waarin we kunnen vastlopen. Dat het helpt om hier en nu te leven in het gewone leven, in onze job en onze relaties. Met woorden van Franciscus van Sales:

“Als je hart zwerft of pijn lijdt
Breng het dan behoedzaam naar zijn plaats

Breng het zacht voor het aangezicht van de Heer
En zelfs als je je hele leven niets anders hebt gedaan

dan je hart steeds maar terugbrengen
en het weer voor het aangezicht van onze God plaatsen

hoewel het telkens weer wegliep nadat je het had teruggebracht,
toch heb je dan je leven vervuld.”

zondag 27 januari 2013

Lucas' Sondergut: bijzonder goed! Hoezo?


Lucas 1,1-4; 4,14-21.

[1] Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken, [2] en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden, [3] leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen, [4] om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent

Optreden van Jezus in Nazaret
[
14] Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek. [15] Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen. [16] Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen, [17] werd hem de boekrol van de profeet Jesaja overhandigd, en hij rolde hem af tot de plaats waar geschreven staat:

[18]
‘De Geest van de Heer rust op mij,
want hij heeft mij gezalfd.
Om aan armen het goede nieuws te brengen
heeft hij mij gezonden,
om aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden het herstel van hun zicht,
om onderdrukten hun vrijheid te geven,
[19]
om een genadejaar van de Heer uit te roepen.’


[
20] Hij rolde de boekrol op, gaf hem terug aan de dienaar en ging weer zitten; de ogen van alle aanwezigen in de synagoge waren op hem gericht. [21] Hij zei tegen hen: ‘Vandaag hebben jullie deze schrifttekst in vervulling horen gaan.’

Beste ‘teo-fili’, vrienden van God,
De liturgist heeft een wat eigenaardig evangelie samengesteld voor deze zondag. Het bestaat uit twee stukjes waar drie hoofdstukken tussen zitten. Het evangelie begint vandaag met verzen 1 tot 4 van het eerste hoofdstuk, gevolgd door verzen 14 tot 21 uit het vierde hoofdstuk. Tussenin: het kindsheidsevangelie, het optreden van Johannes de Doper, evenals Jezus’ grote retraite in de woestijn en zijn eerste optredens in Galilea buiten Nazaret over om zich uiteindelijk te richten op Jezus’ optreden in Nazaret dat we hoorden.

Die eerste vier verzen zijn een soort voorwoord of verantwoording van de schrijver - zoals we die niet zien bij de drie andere evangelisten. We hoorden dus die verantwoording en vervolgens Jezus’ optreden in Nazaret. De liturgist doet dit niet toevallig: hij geeft aan dat we in het C-jaar vanaf nu vooral Lucas  zullen volgen. Maar daarmee richt hij ook onze, in elk geval mijn, aandacht op het perspectief van dat evangelie. Daar wil ik wat bij stilstaan.

Lucas richt zich tot een zekere Teofilus – ons onbekend, maar niet toevallig betekent die naam ‘vriend(in) van God’ – en zijn wij dat niet? Hij zegt dat velen reeds getracht hebben de gebeurtenissen te vertellen die gebeurd zijn. Lucas zegt dat ook hij  besloot ‘voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien, hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.’ Dat is zijn bedoeling: een ordelijk verslag. Moeten we daar een chronologisch historisch precies verslag onder verstaan, zoals een verslag van een vergadering? Deden anderen dat niet nauwkeurig genoeg? Veeleer zal blijken dat Lucas een literaire constructie maakt, een eigen perspectief ontwikkelt, het bestaande literair materiaal op zijn manier herschikt en aanvult. Hij schrijft geschiedenis, maar ook blijde boodschap. En zo wil hij ons de betrouwbaarheid van de leer doen inzien.

Inderdaad, zijn constructie is betrouwbaar. Er zit structuur, lijn, perspectief in. Maar welk perspectief? Dat van iemand die Jezus niet persoonlijk heeft gekend, enkel ‘van horen zeggen van iemand die het heeft zien doen’, iemand die Paulus’ reisgezel was, iemand die daarover een ander ons bekend boek schreef, de Handelingen, iemand die de verwoesting van Jeruzalem in 70 na Christus kent, en volgens de traditie ook een arts.

Laten we naar de passage in Nazaret kijken en Lucas’ perspectief en ordenend principe proberen te bespeuren.

Lucas geeft het Nazaret-verhaal een prominente plaats
Vooreerst valt op dat Lucas het verhaal van de terugkomst van Jezus als rabbi in Nazaret een letterlijk en figuurlijk prominente plaats geeft. Het komt vooraan in het publieke optreden van Jezus. Bij Matteüs daarentegen komt het Nazaret-verhaal midden in zijn evangelie, aan het einde van de parabelrede. Bij Marcus komt het ‘ongelovige Nazaret’ pas in het zesde hoofdstuk (dus na ongeveer een derde) als er al heel wat expliciete wonderhalen aan bod zijn gekomen.

Bij Lucas dus vooraan. Bovendien werkt hij het verhaal uit en vergroot de contrasten. Marcus en Matteüs zullen enkel vermelden dat Jezus ‘daar niet veel wonderen kon verrichten’. Dat valt nog mee ten opzichte van wat we volgende week bij Lucas bij  het vervolg horen: na aanvankelijk applaus proberen ze om Hem in een afgrond te storten. Lucas zet eigenlijk de verwerping van de profeet door de eigen stad en het succes daarbuiten in de verf.

Jesaja’s citaat: programma en verwijzing naar het nieuwe Jeruzalem
Bovendien laat Lucas Jezus een boekenrol openen en een citaat uit Jesaja vinden en voorlezen. Nergens elders bij de evangelisten staat dit citaat vermeld.  Men noemde dat in de exegese Lucas’ Sondergut. Men verwees daar mee niet naar zijn “Lucas’ ondergoed” maar naar zinnen die enkel bij Lucas voorkomen: Sondergut von Lukas -  zo was exegese toch ook een beetje leuk…

Maar terzake: wat doet dit citaat hier? Vooreerst kan je zeggen dat Jezus, terwijl Hij de boekenrol van Jesaja openrolt, hier ook zijn programma ‘uitrolt’ zoals het tegenwoordig heet.

(1)   De Geest des Heren is over mij gekomen omdat Hij mij gezalfd heeft….

(2)   Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen -  Aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken En aan blinden, dat zij zullen zien: Om verdrukten te laten gaan in vrijheid

(3)   Om een genadejaar af te kondigen van de Heer:

Bij de arts Lucas zijn de armen, gevangenen, blinden letterlijke, concrete mensen. Bovendien is Lucas’ evangelie zoals dit citaat doordrongen van barmhartigheid; denk aan het fameuze hoofdstuk 15 met de ‘verloren zoon’… en het verhaal van Zacheüs in Lc 19 – allemaal Lucas’ Sondergut.… Dat Jesaja-citaat klinkt dan ook anders, meer menselijk en minder strak/streng, dan het citaat dat in de mond van Johannes de Doper in het voorafgaand hoofdstuk, uit Jesaja 40:  ‘Een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; De kronkelpaden moeten recht, De ruwe wegen effen worden..’ Dat strenge valt helemaal weg bij Jezus.
En dan volgt de verrassende, uiterst korte commentaar van Jezus: “Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.” Hoezo?

Het klinkt pretentieus als we het zo uit Jezus’ mond horen. Maar misschien moeten we dit veeleer horen als een vertolking van het perspectief van Lucas die opnieuw de enige is die Jezus deze commentaar laat geven. Lucas was weliswaar geen getuige van Jezus maar wel van de Handelingen van de apostelen die in zekere zin – zoals een exegeet me leerde – de Handelingen van Jezus zijn. Hij is getuige geweest van de ongelooflijk snelle verspreiding van de christengemeenten gedurende de eerste eeuw: buiten Nazaret, buiten Jeruzalem en Palestina, in klein-Azië, naar Griekenland en Rome toe. In die christengemeenten is Jesaja’s Schriftwoord als het ware in vervulling gegaan, heeft Lucas op zijn reizen vastgesteld.

En er is meer. Niet toevallig allicht komt het Jesaja-citaat uit het laatste, derde deel van Jesaja, met name hoofdstuk 60-61. Welnu, hoofdstuk 60 handelt  over het Nieuwe Jeruzalem – bijvoorbeeld: vreemdelingen zullen je muren herbouwen…. Dan volgen de woorden van de profetie die hernomen wordt door Lucas: De geest van de Heer rust op mij… om aan armen het goede nieuws te brengen…’ En enkele verzen verder staat weer: ‘Wat eertijds vernield is, zullen zij heropbouwen, de lang verlaten streken weer bevolken.’ Het Jesaja-citaat voert ons naar Jeruzalem.

Jeruzalem als  structurerend, ordenend ‘principe’
Jeruzalem, zijn vernietiging waarvan Lucas weet had en het ‘nieuwe Jeruzalem’ zijn – meer dan bij de andere evangelisten – wat zijn ‘ordelijk verslag’ structureert.

Immers, zijn kindsheidsevangelie eindigt met het verhaal van de twaalfjarige Jezus in Jeruzalem, waar Hij moest zijn ‘in het huis van zijn Vader’. En Lucas’ groot evangelieverhaal eindigt (na hemelvaart in Betanië) – anders dan bij de andere evangelisten - met leerlingen die naar Jeruzalem terugkeren, zoals de Emmaüsgangers zich ook naar Jeruzalem terughaasten. Vervolgens beginnen de Handelingen in Jeruzalem vanwaar men de hele wereld zal intrekken naar het ‘nieuwe Jeruzalem’.

De motor: verwerping in eigen land, verspreiding elders
De motor van het gebeuren lijkt paradoxaal genoeg de verwerping door het eigen volk te zijn.

Jezus krijgt eerst instemming en applaus in Nazaret maar aldra proberen ze hem te vermoorden. Het is in miniatuur wat in Jeruzalem gebeurt: halleluja bij Palmzondag, lijden en dood wat later.

In Paulus, Lucas’ gezel waarover de Handelingen grotendeels gaan, zien we dan de omgekeerde beweging: verwerping van Jezus en vervolgens verkondiging van Christus, en wel naar de hele heidense wereld toe.

De vraag is: waar zien we deze Lucas-dynamiek van verwerping en verspreiding van de goede boodschap in onze maatschappij, in onze kerk, in ons eigen leven? Een heel programma voor een heel liturgisch jaar….