zondag 8 mei 2011

Kritikeren? Opbouwen? Conserveren?

Weer een tijdje geleden dat ik iets van me liet horen langs deze weg, al blijf ik van plan dat te doen.

Het voorbije half jaar herinner ik me globaal als een donkere periode waar ik nu met deze warme lente wat uit te lijkt te komen. De organisatorische troubles die ik ondervonden heb in mijn ziekenhuis waren daar niet vreemd aan. Met Pasen gaf ik mezelf de opdracht om een streep te trekken onder die negativiteit en het positieve te zoeken. Maar een vrome gedachte volstaat natuurlijk niet; het moet ook ergens gegeven worden.

Ik ben de getuige van de schaalvergroting van mijn ziekenhuis en vraag me nog steeds af of die hele operatie verantwoord is als ik hoor wat de effecten zijn op mensen in de 'organisatie'(onzekerheid, spanningen, conflicten...). In mijn ogen is datgene wat zogezegd (economisch) efficiënt is op het eerst zicht helemaal niet humaan efficiënt. Menselijkheid is voor mij meer en meer het thema waar het om draait.

Bij Peter Tom Jones las ik iets over 'transitie': we moeten komen tot een andere cultuur. Bij hem gaat het om ecologie, geloof ik, over hoe wij ingrijpen in de natuur en het klimaat - analoog grijpen wij in in het werkklimaat. Praktisch gezien zegt Jones zoiets als: ik steek mijn energie momenteel in mensen die de cultuur willen veranderen, die positief willen meewerken, niet in degenen die we toch niet kunnen overtuigen van die noodzaak. Dat heeft me tot denken aangezet. Waar zal ik mijn energie insteken?

Soms denk ik ook: ben ik helemaal fout met mijn kritiek op het huidige management? Ben ik niet gewoon conservatief? What's in a word? 'Conservatief' klinkt pejoratief, en het is ook negatief als 'bewarend' of 'behoudend' betekent dat mijn weerstand tegen verandering het leven tegenhoudt. Zo ben ik bijvoorbeeld niet tegen contraceptiva of kunstmatige fertilisatietechnieken of niet tegen gehuwde of/en vrouwelijke priesters, omdat deze veranderingen mijns inziens wel degelijk het leven kunnen bevorderen. Maar 'behouden' of 'bewaren' kan ook levensbevorderend zijn. Een zekere kleinschaligheid zou ik willen bewaren. In die zin ben ik conservatief, ja. Maar allicht moeten we die kleinschaligheid op een andere manier herscheppen - binnen de schaalvergroting. Transitie. Wie doet mee?

zondag 27 maart 2011

Na de berg van de verleidingen, de berg van de heerlijkheid

Hier mijn homilie van de 2° vastenzondag van het A-jaar, 19 maart 2011

Matteüs 17,1-9

Wat doet het verhaal van de transfiguratie (normaal gevierd op 6 augustus - Hiroshimadag) in de veertigdaagse tijd? Deze tijd draagt in zich een uitnodiging tot naar binnen keren. Het is een tijd van inkeer, van meer alleen-zijn-met-God. Daar staat de berg symbool voor. Een tijd van meer komen tot het wezenlijke, tot ons wezen. En al lijkt zo'n inkeer in eerste instantie een droge ervaring, een woestijnervaring, we mogen niet vergeten dat het wezen van de mens is: heerlijkheid!

(1) Het wezen van de mens is heerlijkheid

Die gedaanteverandering betekent inderdaad meer dan een troostrijke ervaring tussen twee lijdensvoorspellingen in, meer dan een spirituele hoogtestage, meer dan een topervaring, berg-topervaring, meer dan alleen maar troost in een hard bestaan. Ik zou het willen zien als een van de antwoorden op de vraag die Jezus kort ervoor stelt (Mt 16,15) : wie zeggen jullie dat Ik ben? Petrus’ antwoord kennen we : de Messias van God, de Mensenzoon. Die geloofsbelijdenis klinkt allicht al even interessant als een op zondag gedachtenloos afgerammelde geloofsbelijdenis.
Maar als wij zeggen dat wij in Hem geloven, betekent dat: zoals Christus is, zo droomt God de mens, dus mezelf en de ander. Ik ben gemaakt naar het beeld en de gelijkenis van Christus, de Mensenzoon. Ha…Wie zeggen jullie dat ik ben, is vragen : wie zegt gij dat de mens eigenlijk is, wezenlijk, ten diepste ? Wie ben ik ?

In mijn wezen ben ik gelijk de Heer, ben ik heerlijk. Soms mogen we dat ervaren. Soms duikt ons wezen op in ons gelaat. Vandaar dat het zo mooi is dat bv. in het westvlaams het woord ‘wezen’ wordt gebruikt voor het gelaat. ‘Twoan mie joen wezen’. Toon me jouw gelaat, je ware gelaat.

“Zijn gelaat begon te stralen als de zon…”

In Jezus Christus, langs de beelden en woorden die we van Hem meedragen, licht het diepste in de mens op. De heerlijkheid. In Jezus Christus krijgt God een menselijk gelaat.

(2) Sinds Christus kunnen wij / mogen wij in een menselijk gezicht Gods heerlijkheid zien, zonder te sterven.

Tegen Mozes die aan God vroeg om zijn heerlijkheid te zien, was nog gezegd : ‘Mijn gelaat kunt u niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven.’ (Ex. 33,20) Mozes mocht de Heer alleen van achteren zien. En Elia bedekte zijn gezicht met zijn mantel als Hij de Heer hoorde komen in het suizen van de zachte bries. (1K,19) De leerlingen, de intimi van Jezus, daarentegen, zien ‘klaar wakker’ Gods heerlijkheid in een mens zonder te sterven. En dat is ons, christenen, misschien heel even in ons leven gegeven. In heel concrete ervaringen.
Als de diepte oplicht in de mens, als er diepe ontmoeting gebeurt, dan wordt hij/zij (goddelijk) mooi ; dan verandert ahw de fysiek. Is dat niet de basis van authentieke sexualiteit en erotiek?
Zelf krijg ik te horen, als ik er meer in slaag om te bidden of als ik eens enkele dagen naar een abdij ben getrokken, dat de kwaliteit van mijn ontmoeting met mensen anders wordt, dat ik meer vanuit een innerlijke rust en met echte aandacht voor de ander, minder zelfbetrokken reageer. De ontmoeting met de diepte van mijn leven, met mijn ‘wezen’, laat zich toch wel zien. Als we vanuit de verbinding met de Heer mensen ontmoeten, merken we dat het ‘heerlijk’ kan zijn. Het is er ergens aan te zien, ontmoetingen krijgen ‘een bijzondere glans’.

(3) We kunnen niet in de heerlijkheid blijven

Het zien van dergelijk gelaat vervult de leerlingen met vreugde. Het is er goed. Maar als een ‘lichtende wolk’ hen overschaduwt - goed bekend in het Eerste Testament als teken van Gods aanwezigheid - en een stem klinkt, komt er een schaduw over hun heerlijke ervaring en worden de leerlingen zeer bevreesd en werpen ze zich op de grond. Maar die stem van God verwijst hen juist naar de concrete Zoon: 'Luister naar Hem in wie Ik mijn welbehagen, mijn vreugde vind'. Met andere woorden, we kunnen niet in die heerlijkheid blijven – zo is het niet in dit aardse leven - anders ‘blijven we erin’. Maar die ervaringen van heerlijkheid vanuit de intimiteit met de Heer kunnen ons wel vertrouwen geven in het woord, als kompas in het dagelijkse, gewone doen en laten – zoals dat het geval kan zijn met een sterke retraite-ervaring: heerlijkheid; topervaring – nadien wel: ‘Spreek er niet over’ - ze zouden niet begrijpen waarover je het hebt

(4) God neemt het initiatief:

De mens is uiteindelijk gemaakt voor de heerlijkheid, daar wil deze veertigdaagse tijd ons aan herinneren en ons heen voeren. Maar kunnen wij dergelijke ervaring zelf bewerken?
Het valt op, in de lezingen van vandaag, hoe God het initiatief neemt.

We hoorden reeds hoe God initiatief neemt in het leven van Abraham: ‘‘Lèch lechà’ Ga, jij,…’ ‘Trek weg’. Zo neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en brengt hen op een hoge berg. Hij toont hen Gods heerlijkheid. Hij brengt hen in een andere tijd en ruimte, een andere aeon, een andere beleving van de realiteit: het Rijk Gods. Dit krijgt in de liturgie des te diepere betekenis als we ons het evangelie van vorige zondag herinneren. Daar hoorden we een ander initiatief, gelijkaardig en toch totaal verschillend: De duivel neemt Jezus mee, ook naar een heel hoge berg, vanwaar hij Hem alle koninkrijken der wereld toont in hun heerlijkheid.

(5) In ons leven concurreren twee externe initiatieven:

het ene biedt uitzicht op het Koninkrijk van de wereld, op de oude mens, op de dood. Het andere op het Rijk der hemelen, op de nieuwe mens, op het Leven.
Het ene initiatief wekt illusies, het andere wekt hoop.

Het ene initiatief wekt de illusie dat goed leven inhoudt dat lijden ons niet mag en niet zal overkomen, dat we er niet willen in betrokken worden - daartoe immers inspireert de duivel Petrus als Jezus zijn lijden voorspelt. 'Weg daar, achter mij, Satan…'
Het andere initiatief opent perspectief terwijl het ruimte laat voor lijden en dood - Jezus zegt tot zijn leerlingen: 'Vertel niemand van dit visioen voordat de Mensenzoon uit de doden is opgewekt'.

Het ene leidt uiteindelijk tot wanhoop, het andere houdt hoop, een belofte in zich.

Veertigdaagse: uitnodiging tot vast vertrouwen in een belofte van heerlijkheid, waarvan we hier soms reeds een glimp mogen ontvangen. Dit is een tijd om Gods initiatief in ons leven toe te laten: een belofte van echt leven die nooit de realiteit van lijden en dood ontkent, een belofte van leven daar waar lijden zich aankondigt.

donderdag 3 februari 2011

Die rampzalig zijn zullen zalig zijn

HOMILIE UP 29-30 JANUARI 2011

De nieuwe Mozes

De Bergrede is de aanvang van de eerste van vijf toespraken die Jezus houdt in het evangelie van Matteüs. Een plechtig moment. Matteüs laat Jezus de berg opgaan en stelt Hem daarmee opnieuw voor als de nieuwe Mozes. Jezus staat in de lijn van Mozes. Toch vormt Hij er ook een breuklijn mee. Hoezo?

Aan het einde van het negentiende hoofdstuk van het boek Exodus lezen we: 'Mozes daalde de berg (de Sinaï) af naar het volk en sprak het toe.' En onmiddellijk daarop, verrassend: 'Toen sprak God al de woorden die hier volgen.' Die woorden zijn de tien geboden die we misschien in de vorm van volgend kinderrijmpje ooit leerden: 'Bovenal bemin één God; zweer niet ijdel vloek noch spot; heilig steeds de dag des Heren; vader, moeder zult gij eren…' Dat gebeurt evenwel in een scenario van donderslagen, bliksemflitsen, bazuingeschal en een rokende berg die het hele volk doen beven van angst en het op afstand doen staan. Het beangstigde volk vraagt dat God zelf niet meer zou spreken, maar dat Mozes met God zou spreken, wat hij ook doet. En daarna brengt Mozes de hele Wet met de zovele wetsbepalingen over, gegrift in twee stenen platen: de mozaïsche wet, een groot 'mozaïek' van wetten. De platen van het verbond, van de relatie tussen Israël en God.

Deze heilsgeschiedenis trilt mee als Matteüs Jezus de berg laat opgaan om zijn leerlingen te onderrichten. Dit is zijn visie op de relatie tussen God en mens, op het verbond, op wat beiden mogen verwachten, op Jezus’ programma. Het is in de lijn van het Mozes-gebeuren en toch anders. Le nouveau Moïse est arrivé. Geen gedonder en gebliksem. Het klinkt rustiger. Geen wetten op platen gegrift, maar een wet gegrift in het hart, zoals Jeremias (hfst. 31) had voorspeld: ‘Dit is het nieuwe verbond dat Ik in de toekomst met Israël sluit: Ik schrijf mijn wet in hun binnenste, Ik grif ze in hun hart.’

De nieuwe lijn is richting hart, richting innerlijkheid. Straks gaat Jezus zeggen, bijna als in een politieke rede: 'Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult niet… Maar Ik zeg u: …' En telkens zal Hij wijzen naar de kern van de zaak, naar het hart. Ik ben niet gekomen om de Wet en de Profeten -- Mozes -- op te heffen, maar om ze te vervullen. Ik ben gekomen om de traditie die uitgehold is, om diegenen die uitgehold en leeggehold zijn, te vervullen.

Het eerste woord van de eerste rede: Zalig de armen van geest
Toch is Jezus' eerste woord bij zijn eerste ‘grote speech’ niet een woord over de Wet. Hij begint niet met voorwaarden en normen. Hij begint met gelukwensen oftewel zaligsprekingen. Dat treft me telkens weer. De achtergrond van deze zaligsprekingen wordt veeleer gevormd door de wijsheid van de psalmen dan door stevige profetische taal. De eerste zaligspreking is bekend: 'Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen.' In wezen geven alle zaligsprekingen één soort mentaliteit aan die zich in verschillende facetten laat zien: het zijn de armen van geest die steeds weer opbotsen tegen de complexe werkelijkheid, de complexe en harde wetten van de wereld waarin zij leven.

'De armen van geest': wie zijn zij? Matteüs verwijst ermee naar de am-ha-arets: het volk dat de Wet of Thora niet kent en dat daardoor uitgesloten wordt. Uit een rabbijns geschrift: 'Het is verboden een mens die geen kennis van de Thora bezit, barmhartigheid te bewijzen.' Het gaat niet noodzakelijkerwijs om materieel armen, het proletariaat, of de simpelen van geest. Maar het gaat er Matteüs om dat precies zij die uitgesloten worden omdat ze de wet niet kennen, komen tot de echte verbondsmentaliteit, tot een echte verhouding tot God – anders dan bij de farizeeën, sadduceeën en Schriftgeleerden.

Onder verschillende benamingen wordt dit botsen met de harde wetten van de werkelijkheid getypeerd. De armen van geest, de gebrokenen van hart noem ik (1) de treurenden die botsen met de wetten van het onbegrijpelijke lijden en de dood. Het zijn (2) de zachtmoedigen die botsen met het harde lawaai – niet het minst het medialawaai, de mediawetten, de communicatiewetten van deze wereld. De armen van geest zijn (3) zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en botsen met de soms kafkaiaanse complexiteit van maatschappelijke wetten, de anonimiteit en het keurslijf van grote structuren, met lobby's die ondoorzichtig en ontoegankelijk zijn. Het zijn (4) de barmhartigen die botsen op de genadeloosheid van het neoliberaal denken (‘het moet opbrengen’) en soms van kerkelijke wetten (‘het moet zo’); (5) de zuiveren van hart die botsen met de complexiteit van het onzuivere, van het bedrog; (6) de vredebrengers die botsen op de eindeloze spiralen van geweld en de wet van de sterkste (7) de geëngageerden die behandeld worden als de boosdoeners.
Het gaat om hen die telkens ervaren dat zij in de mentaliteit van deze tijd aan de verkeerde kant staan, in de hoek zitten, in de hoek waar de slagen en soms de ontslagen vallen, die hier niet passen, die storen, die treuren… zij die juist lijden onder het feit dat de echte verbondsmentaliteit niet wordt beleefd. Het gaat om hen die misschien cultisch, volgens de regels, niet zuiver zijn, maar wiens innerlijke ruimte – daar waar de beoordeling valt over iemands gehele doen en laten - zuiver en rein is. Het gaat om wie de eenvoudige, directe, pseudo-‘kinderlijke’ instelling heeft ten opzichte van het leven en van medemensen.

Het gaat dus over wie door het leven vernederd is – wie niet ? – en daarin iets ontdekt, misschien in de orde van een gezonde nederigheid. Dit staat vooraan in het programma van Jezus: het ervarings-vertrekpunt om Jezus’ innerlijke radicaliteit gezond te kunnen beleven: Gij hebt gehoord: Ge zult niet doden… Maar ik zeg u: ieder die zijn broeder een kwaad hart toedraagt, zal uitgeleverd worden aan het gerecht…

Ergens las ik als vertaling voor ‘Zalig’, ‘Gelukkig’: 'U bent op de juiste plaats als…' Je bent op de juiste plaats als de complexiteit van het leven je lijkt uit te sluiten, want dan begin je het koninkrijk van God, Gods realiteit hier op aarde reeds te zien. Hoezo? Hun behoort het rijk der hemelen; zij zullen getroost worden; zij zullen het land bezitten; zij zullen verzadigd worden; zij zullen barmhartigheid ondervinden; zij zullen God zien; zij zullen kinderen van God genoemd worden; hun behoort het rijk der hemelen. Verheugt u en juicht want groot is uw loon in de hemel. Zij zullen, zullen…

We worden verwezen naar een toekomstperspectief. Dat is niet erg ‘in’. Alles moet hier-en-nu kunnen. Wat is de relevantie van de hemelgedachte voor hier-en-nu? Vergeef me de kinderlijke gedachte, maar ik moest denken aan dat meetkundig probleempje waarbij men vraagt negen bolletjes (drie op drie in een vierkant) te verbinden met vier rechte lijnen. Als je binnen het vierkant blijft, lukt het nooit. De truc bestaat erin de lijnen buiten het vierkant door te trekken zodat je inderdaad tot verbinding komt van alle bolletjes met slechts vier lijnen. Om de bolletjes van ons aardse leven te verbinden -- religie -- moeten we eraan denken de lijn soms door te trekken tot buiten het aardse vierkant. Verheft uw hart. Verruimt uw hart. Verruimt uw liefde.

zondag 2 januari 2011

A Dieu 2010

Van het laatste trimester van 2010 heb ik een donkere indruk,vooral door de spanningen in mijn ziekenhuis omtrent de toekomstige locatie van de palliatieve eenheid. Misschien zag u het in het Belang van Limburg van zaterdag 22 november: grote kop: Terminale patiënten in wooncontainers.Dat ging over onze dienst.Niet fijn voor het ziekenhuis, maar nog minder fijn voor patiënten en families indien dit ook realiteit zou worden. Hopelijk komen we in 2011 tot een betere oplossing.

Die zwarte periode zou me bijna doen vergeten dat er ook andere dingen gebeurd zijn in 2010. Vooreerst is er de quasi dagelijkse ervaring van 'troost' in de begeleiding van patiënten en families en de vele momenten van fijne samenwerking in het supportteam en het team van de palliatieve eenheid waar de laatste jaren een aantal nieuwe verpleegkundigen zijn gestart. Onze corebusiness redt ons.

Maar er is meer. Zo maakte ik via lezingen waarvoor ik uitgenodigd werd, kennis met twee landen die ik niet of nauwelijks kende: Libanon en Québec. Libanon: kruispunt van enorm veel culturen in het verleden, nu van een langdurig conflict tussen moslims en christenen waarin de laatsten vooral sinds de burgeroorlog een geplaagde minderheid is geworden. Québec: land met een gigantische natuur, en toch erg gelijkend op ons kleine landje met zijn katholieke verleden, sterke secularisatie en bioethische discussies. Telkens had ik het gevoel vanuit onze collectieve ervaring hier van palliatieve zorg en omgaan met ethische problemen bij het levenseinde te kunnen bijdragen daar. We hebben een verspreiding van de palliatieve zorgstructuren die maar zeer weinig landen in de wereld hebben en hoewel wij soms scheef bekeken worden als een van de weinige landen met een euthanasiewet denk ik dat in het onderscheiden van de ethische problemen en de zorgvuldigheid om ermee om te gaan wij een bijdrage te leveren hebben aan de reflectie in veel andere landen.

Daarnaast waren er natuurlijk de vele lezingen in Vlaanderen, Nederland, Parijs. Mijn recentste boek Liefde voor het werk van tijden in management oogst veel herkenning, niet alleen in ziekenhuizen en woon- en zorgcentra, maar zeker ook in de onderwijswereld. Mijn analyse helpt mensen, zeggen ze toch, zich te situeren. Enerzijds voel ik me door de kritische toon van het discours wel eens een 'zaag' - bovendien stel ik een probleem waarvoor ik niet zomaar een oplossing heb - maar anderzijds moedigen positieve reacties en verkoopcijfers (derde druk op een jaar) mij aan om door te gaan met dit bewustmakingswerk.

Van bewustmaking gesproken: natuurlijk was het voor mij ook het jaar van het seksueel misbruikschandaal. Ongetwijfeld is in het eerste instantie de collectieve bewustwording van de impact van het misbruik door priesters en religieuzen op de slachtoffers het belangrijkste aspect. Het is helemaal niet evident om een probleem echt te zien, maar het is het fundamentele vertrekpunt om tot een levengevende dynamiek te komen - iets wat ik vooral uit de Geestelijke Oefeningen geleerd heb overigens. In tweede instantie echter vind ik persoonlijk dat de kerk zich bewust moet worden van de vele andere doofpotten die alle met seksualiteit en gender te maken hebben: de vrije celibaatskeuze, de vrouwelijke priester, het principeel toelaten van contraceptie en van kunstmatige fertiliteitstechnieken zijn in feite evenveel taboes in de katholieke kerk, ik bedoel dat er op hoog niveau geen open gesprek over gebeurt, terwijl aan de basis zeer veel mensen hier open voor staan en vragende partij zijn. De gemeenschappelijkheid van deze problemen met dat van het seksueel misbruik ligt niet alleen in het thema van de seksualiteit zelf maar ook in dat van de macht. Seksueel misbruik heeft te maken met machtsverhoudingen, bijvoorbeeld tussen religieus/priester en kind, maar ook het weigeren van het priesterschap aan de vrouw heeft met macht te maken: op die manier blijft de controle over de kerk bij celibataire, oudere mannen. Dat gebrek aan openheid en innerlijke vrijheid vind ik ongezond en onevangelisch.

De pauselijke keuze van de nieuwe aartsbisschop, tegen de voorkeur van de bisschoppenconferentie in, maakt duidelijk wat in Rome nog duidelijker is: er is een poging tot een restauratie aan de gang. Symptomen van een fin de régime? Gaat de Kerk van Jezus die de onzuiveren opzocht en zelf onzuiver werd, zichzelf isoleren tot een kerk van zuiveren/'katharoi'? In het donker straalt het vlammetje meest. Zo straalt de nieuwe bisschop van Brugge, ja juist Brugge, een open geest uit. Het zal zijn zoals in het ziekenhuis: vergeet niet te kijken naar de core-business, bijvoorbeeld de geestelijke begeleiding, en put daar bemoediging uit, ook voor de structurele strijd.

Kruipen we uit het dal in 2011 ?

vrijdag 24 december 2010

Een witte kerst

CAUSERIE MARC DESMET VOOR BRAAMBOS BIJ KERSTDAG 2010

Sneeuw. Het duurt misschien maar even. En toch. Je wordt ’s morgens wakker, en je weet dat er iets ongewoons in de lucht hangt. Je weet nog niet direct wat het is, of toch, ergens zit het wel in je geheugen, maar het gebeurt niet zo vaak. En dan dringt het tot je door, je herinnert het je: het heeft gesneeuwd. Het lawaai van de wereld is even gedempt. Er heerst een soort ongewone rust, vrede, tussen de vele bedrijven en de bedrijvigheid en het gedreven zijn van het leven. Je herinnert je dat dit ook in de wereld is. Je ziet de wereld even anders, sneeuwwit. Een openbaring. Een feest.

Het kerstfeest luidt dit jaar de kerstvakantie in. Die zal lopen tot het feest van Driekoningen. Daardoor valt de liturgische kersttijd samen met de kerstvakantie. Die kersttijd loopt met andere woorden van het feest van de baring van Jezus tot aan het feest van de open-baring zoals het feest van de Driekoningen ook nog heet: Jezus openbaart zich als goed nieuws voor alle mensen van goede wil, en niet alleen voor gelovigen. Op dat feest van de Openbaring, Driekoningen, zou ik willen focussen, en de weersomstandigheden inspireren mij om dat te doen aan de hand van een strofe uit een kerstlied van Anton van Duinkerken:

Nu zal het gauw gaan sneeuwen,
Dan worden de wegen wit.
Dan rijden de drie kamelen,
Waarop elk een koning zit
Door een woestijn van eeuwen
Vol boosheid en gevit.


Eeuwen vol boosheid en gevit. Ja, de wereld is zwart van ellende en er loopt een zwarte draad door het leven. Zo ook door de Blijde Boodschap heen. Dat is van meetaf aan duidelijk, ook in de naïeve kindsheidsevangelies. Er is de geslachtslijst van Jezus waarmee Matteüs zijn evangelie begint: van Abraham tot David (koning, maar ook zondaar), van David tot de ballingschap (ellende!), van de ballingschap tot de Messias (die vermoord zal worden). En in die geslachtslijst verder veel figuren die echt geen doetjes waren. En aan het wat duistere eind van de lijst Jozef, adoptievader ondanks zichzelf, die bijna Maria in stilte had laten stikken. Straks de vlucht naar Egypte, want Herodes is uit op kindermoord. Ellende en moord alom.

En toch dit levende kind dat ‘krijt’: In Jezus is God voor altijd met ons en alle anderen. Als sneeuw die het lelijke van de wereld even zacht bedekt. Als een maagdelijke ongeschondenheid die – hoe is het mogelijk - toch bestaat ondanks de vele verkrachtingen, misbruiken en pijn. Als witte sneeuw die even bedekt maar die onschuldig bloed ook feller rood kleurt..

Sneeuw. Het heeft iets magisch, iets vertragends en rustgevends zoals de bewegingen van de kamelen die door de woestijn trekken. De kamelen van de magiërs uit het Oosten. Mooie figuren, die magiërs. Mooie, kleurrijke kleren, zo stellen we ze ons voor. Ook figuurlijk mooi. Ze komen uit het oosten. Daar ligt de toekomst, naar het schijnt. Economisch, maar misschien ook geestelijk, ik denk aan het succes van Mindfulness. Die magiërs, wijzen of koningen, zijn heidenen, lieve heidenen, Gods heidenen. Het blijven wel magiërs: mensen van de wereld van de magie – het etherische, de new age; niet de echte, zuivere, orthodoxe religie. Niet katholiek.

Niettemin willen die wijzen ‘de koning van de joden eer bewijzen’. ‘Ze hebben zijn ster zien opkomen’. Dat geeft vaag de richting aan. Ze gaan aandachtig op stap ‘met iets in hun hoofd dat stroomt en licht geeft’, zoals een lied zingt. Door de woestijn. De wijzen gaan ook te rade bij de wetenschap, bij de theologie en de geschiedenis, bij de kenners van de geloofstraditie die hun vermoeden wetenschappelijk bevestigen: er bestaan woorden voor het vermoeden van de magiërs; wat zij zoeken, staat op tekst, is reeds verwoord. Een beetje zoals mindfulness ontmoeting is tussen oosterse boeddhistische wijsheid en westerse wetenschap. De wijzen bewegen zich daarbij vol goede wil en onschuld voort in een milieu van politiek, intriges, van schijnbare belangeloosheid en interesse – getekend: Herodes. En toch is het ook via die perverse wereld dat ze naar Betlehem, plaats van nieuw, echt leven, worden verwezen.

En dan pas duikt de ster terug op die ze hebben zien opkomen. Tot waar ze stilstaat. Dat terugvinden van die ster, van die beginintuïtie – zo’n lange zoektocht geleden – : dat vervult hen met vreugde, en dat is het kenmerk dat zij echt en nieuw Leven gevonden hebben. Welk leven? Iets heel eenvoudigs, als een moeder en een kind.
Ze voelen intuïtief aan – als in een droom - dat dit zo mooi is dat ze deze parel niet voor de zwijnen mogen gooien. Dus niet terug naar Herodes. De drie wijzen gaan dus langs een andere weg terug naar huis. Er wordt niet gezegd dat ze joods-christen worden. Maar ze hebben gevonden wie het mensenkind is. En dat verbindt hen, die uit een andere traditie en religie stammen, met het Mensenkind. Er is een verbond over die grenzen heen. En in bedekte termen – zoals sneeuw de aarde bedekt - worden zij vreugdezaaiers en verkondigers.

Door een woestijn van eeuwen
Vol boosheid en gevit
Rijden de drie kamelen
Waarop elk een koning zit,
Nu zal het gauw gaan sneeuwen
En dan wordt de wereld wit

Uit: Kerstlied, Anton van Duinkerken (laatste strofe)

maandag 1 november 2010

Halloween, Allerheiligen, Allerzielen: de kinderen 'Vanderdood'

ALLERHEILIGEN 2010

1 en 2 november: Allerheiligen en Allerzielen vormen als het ware een kerkelijke tweeëiige tweeling; de laatste jaren heeft hun niet kerkelijk broertje Halloween uit Noord-Amerika de Plas overgestoken. Halloween wordt er op 31 oktober gevierd en is daar nadrukkelijk in het straatbeeld aanwezig onder vorm van vele pompoenen, schedels, grappige en macabere figuren en spoken, aan de ingang van de huizen en in de tuinen, ons ondertussen ook wat bekend.

Halloween, Allerheiligen, Allerzielen: het is een soort drievuldige benadering van de dood, midden in het seizoen van het afsterven, de herfst. Drie manieren om met de dood om te gaan, om ermee te kunnen leven. Drie kinderen van het gezin ‘Vanderdood’ die elk hun eigenheid hebben, die elk hun eigen weg gaan, de een niet kerkelijk de andere twee wel.

Halloween gaat er lachend mee om. Laten we er een grap van maken, iets karnavalesks, de dood bezweren met ironie, ja bijna cynisme. ‘Dood. Levend begraven op 31 oktober’ lees je dan op een vuilniszak langs de weg in Noord-Amerika. 31 oktober is op sommige plaatsen de ‘bad night’ waarin kinderen voor een keer de toelating krijgen om mensen die het hen moeilijk gemaakt hebben in de maling te nemen: bordjes verplaatsen en hun huis te koop zetten bijvoorbeeld. Een beetje chaos maken, want is dood niet een vorm van chaos, iets wat de goede orde van zaken en de agenda’s stevig verstoort? Of laat ons een feestje bouwen, een party waarop we ons als freaks verkleden. Een grap, een party, een snuifje cynisme; vertier: we amuseren ons als het ware dood. Het is een manier van omgaan met de dood die past bij deze tijd, en waarop de kerkelijke tweeling Allerheiligen en Allerzielen misschien wel eens heimelijk wat jaloers zijn, want die zijn zo ernstig, maar toch ook weer niet gelijk.

De naam van Halloween’s broer ‘Allerheiligen’ verwijst naar het geheel van de heiligen. Dat zijn er nogal wat, zeker sinds de vorige paus, en heel zeker als je die aanvult met al de niet officiële, maar effectief heilige mannen en vrouwen. Een officiële heilige is iemand die overal in de wereld, en niet enkel op een bepaalde plaats, vereerd mag worden, en uiteraard pas na zijn dood. Iemand wordt ook pas heilig verklaard als een onverklaarbare heling, een miraculeuze genezing aan hem of haar toegeschreven kan worden. Akkoord, bij heiligverklaringen kunnen soms serieuze vraagtekens gesteld worden: waarom het zowat honderd jaar heeft geduurd voordat Damiaan heilig verklaard werd, terwijl andere minder evangelisch ogende personen op een minimum van tijd heilig verklaard worden, ja, dat heeft blijkbaar niet alleen met de heiligheidscoëfficiënt van de persoon te maken maar ook met kerkpolitiek en geld, en mag met enige Halloween-ironie bekeken worden; maar in elk geval is de verering omwille van de evangelische en van-god-sprekende kwaliteit van een leven, en omwille van zijn helende-genezende invloed zelfs over de grens van de dood heen, een heel andere manier om met de dood om te gaan dan de ironie van Halloween. Die verering van een heilige en de poging om te leven naar zijn of haar concreet model geven ons een manier om onze vrees voor de dood enigszins te overstijgen. De verbinding met iemand in het hiernamaals werpt een ander licht op de duistere dood van het hiernumaals.

En dan is er zus Allerzielen: na de ironie van Halloween en de verering van Allerheiligen, is er de herdenking van Allerzielen. Na de pompoen aan de huisdeur, en na de afbeelding van de heiligen in kapel of kerk, is er de chrysant op het kerkhof. Zeg het met bloemen als je niet meer kunt praten met elkaar. Na het pompoeneuse vertier van Halloween thuis en op party, na de wat pompeuse loftrompet van Allerheiligen in de kerk, is er de bescheiden ingetogenheid van Allerzielen op de laatste rustplaats. Eigenlijk de meest vertrouwde/bekende, de BV onder de drie kinderen ‘Vanderdood’. De herinnering koesteren, niet willen vergeten, is nog een wijze van omgaan met sterven en dood. ‘We zullen je nooit vergeten’, wordt geschreven bij zoveel uitvaarten. Maar geheugenverlies loert niettemin om het hoekje. Een laatste rustplaats voor de overledene helpt om hem of haar een plaats te kunnen geven in ons geheugenpaleis.

Erkennen, niet vergeten dat iemand gestorven is, dat hij of zij een van ons was, gewoon daar willen bij stilstaan, en dat met velen, ja met z’n allen, kan aller-zieligst lijken, maar het kan ook bemoedigend werken, juist doordat we het met velen doen. Morgen hierover meer.


ALLERZIELEN 2010

Allerzielen: een groot bemoedigingsmoment?

Op de palliatieve dienst waar ik werk organiseren wij vijf keer per jaar een bemoedigingsmoment. Dan worden families van bij ons overleden patiënten uitgenodigd om samen met een aantal mensen van ons team hun dierbaren te gedenken. Het gaat telkens om een 25-tal overledenen van de voorbije maanden. Er komen tot honderd personen naartoe. Wat doen we? Heel eenvoudige dingen. Over elke overledene wordt door iemand van het team een korte, bemoedigende tekst geschreven over hoe we de persoon in de tijd dat hij of zij bij ons was hebben ervaren. Telkens wordt bij het lezen van de tekst ook een kaarsje aangestoken, en volgt een korte stilte. Er wordt muziek gedraaid of gespeeld; iemand vertelt een zelf geschreven echt of fictief verhaal ; er wordt aan elke familie een roos uitgedeeld met daaraan gehecht de tekst over de overledene; de dokter mag, naar goede gewoonte, het laatste woordje voeren. En nadien is er koffie en taart, en ontmoeting. We doen het al meer dan tien jaar. Het valt ons op hoe bemoedigend dit eenvoudig ritueel werkt. Ik vraag me altijd af: wie bemoedigt hier wie? Zijn wij, de zorgverleners, degenen die de familieleden bemoedigen of is het omgekeerd? Of is het de overledene die ons op een heel andere wijze vanuit zijn of haar verte bemoedigt? Het is merkwaardig dat je door iets samen te delen, ook al is dat een triestig gegeven, toch bemoediging kunt ondervinden. ‘Ik wist niet dat we met zovelen waren die in die periode iemand verloren hebben’, horen we dan vaak zeggen.

Samen de overledenen herdenken, dat is toch ook Allerzielen. Dan bedenk ik, vanuit het bemoedigingsmoment van onze kleine dienst, hoe Allerzielen - op het eerste zicht toch een ‘aller-zieligst’ gebeuren - ook bekeken kan worden als een groot bemoedigingsmoment van de bredere gemeenschap.

Toch is daar de steenharde, zeg maar grafsteen-harde, koude realiteit van het overlijden, van de definitieve lichamelijke afwezigheid van onze geliefde. Het lichaam werd toevertrouwd aan de vier klassieke elementen: grond, vuur, water, lucht. Het lichaam verdwijnt in de grond, begraven in een kist, of uitgestrooid als as in een weide of een urne. Het lichaam wordt overgeleverd aan het water in de grafkelder of als as aan de zee. Of het gaat op als rook van een crematorium, verpulverd door hitte. De elementen daarentegen waar de mens van deze tijd zich in beweegt en zich in zijn element voelt, zijn helemaal anders dan de klassieke elementen, het zijn de zogezegde media, met name: de beelden en geluiden van televisie en radio in schier eindeloze variaties, de vele blaadjes en kranten, en natuurlijk het onuitputtelijke Internet via computer en andere iphones. Al deze middelen maken dat we van onze overledenen nu ontzettend veel beelden, ja geluiden, opnames, Internetreferenties en andere achtergelaten boodschappen kunnen bewaren, en niet alleen die ene foto op een grafsteen, en dat ze daarin op een bepaalde wijze onsterfelijk worden. Objectieve onsterfelijkheid noemt men dat wel eens, en die is blijkbaar erg vergroot.

De mens van de radio en TV wereld, van de blaadjes en van Internet wordt teruggeschonken aan grond, water, vuur, lucht. Er blijven weliswaar objectieve sporen onder vorm van beelden en geluiden, maar hoe zit het met de subjectieve onsterfelijkheid, met verder leven over de dood heen, en met onze vereniging met hen over de dood heen als het lichaam verdwijnt? En dan beginnen we tastend te spreken van ‘de ziel’. Hoe zit het met onze ziel? Met ons aller ziel? Met wie we eigenlijk zijn, met – nog een ander woord - onze essentie?

Om de ziel, de essentie op het spoor te komen helpen foto’s en geluiden niet altijd, integendeel. Als je op reis bent (zoals ik in Québec), en je neemt veel foto’s omdat je wil vasthouden wat je allemaal ziet aan moois en merkwaardigs, dan kan je wel eens de ervaring opdoen dat terwijl je al die foto’s neemt en de beelden nadien bekijkt, je ergens de smaak van het mooie zelf voor een stuk mist. Tijdens onze reis op aarde kunnen tegenwoordig veel beelden en geluiden opgenomen worden, en we zijn nadien wel blij dat we ze hebben, maar ze helpen niet altijd om de essentie van de geliefde, van het leven te proeven. De essentie van een mens is immers intiem en ondoorgrondelijk, ze is als een parfum van een bloem – aanwezig maar ongrijpbaar en vluchtig – ze is als benzine (‘essence’ in het Frans) wat ‘brandstof’ betekent en ook een goed oplosmiddel van vieze plekken. Wanneer we dus de essentie raken, raken we iets ondoorgrondelijks, ruiken we als het ware een parfum, ontvangen we energie en lijken vele van onze problemen zich op te lossen. Misschien dat we soms juist in de afwezigheid iemands essentie, zijn of haar diepere betekenis duidelijker, meer voelbaar, aanwezig weten. Iets vibreert, zij het dan nog onder de modus van het gemis. En misschien helpt Allerzielen daarbij.

Aller-zielen, samen herdenken van de overledenen. We doen het samen, dat is het punt; dat is het verschil met het misschien vaak of dagelijks denken aan een of andere dierbare overledene. We denken aan hen, we willen ons verbonden weten over die onvoorstelbare grens van leven en dood heen… Iets vibreert in elk van ons. We vibreren samen. Sommigen zullen het bidden voor/tot de overledenen noemen.
Aller-zielen is met velen zonder veel woorden, en eerder door de wat ingehouden gang naar de laatste rustplaats, uitdrukken en erkennen: de dood hoort bij het leven, we zeggen ‘ja’ tegen het geheel van het leven, dat wil zeggen: leven én sterven, en we putten daar vreemd genoeg bemoediging uit. Daar moet je een mens voor zijn, dat doen dieren niet. Sterven hoort tot ons leven, of dat nu heilig was of niet, en zo behoren wij elkaar toe.

Allerzielen, het is de hoogmis van het gemis, indien u wilt, en door het samen te doen scheppen we een breed bemoedigingsmoment, een ritueel waarlangs de essentie, de ziel van de overleden geliefde de onze kan raken. Die ervaring is u in elk geval toegewenst.

zondag 3 oktober 2010

Naar Québec

Ik vertrek binnen enkele uren naar Québec. Eerst volg ik het congres over palliatieve zorgen in Montréal (5-8 oktober), nadien doe ik een korte retraite (9-12 oktober), dan volgt een trip van vijf dagen met een gehuurde auto langs de Saint-Laurent (slapen in 'gîtes'). De laatste week breng ik door in de stad Québec, met op het einde vier conferenties, één aan de Université Laval en drie op een congres voor geestelijke zorgverleners, en ook een radio-intervieuw van een uur, allemaal over euthanasie. De Benelux is een unicum op het vlak van euthanasie in de wereld, tot nu toe. Alleen hier bestaat een echte euthanasiewet en daardoor vormt ons land een soort ethisch laboratorium, en mag ik verslag uitbrengen over de resultaten van onze 'ethische experimenten'. Benieuwd.

Flink gevuld maar met tussenin toch negen dagen van stilvallen.

Tot over enkele weken, allicht met een impressie uit het land van de Indian Summer.