Ik ben al een week terug van een week begeleiding van Geestelijke Oefeningen, en dat lijkt alweer redelijk ver weg na vijf intense werkdagen in het ziekenhuis, enkele feestjes en de voorbereiding van powerpoints voor Québec. Toch houd ik de herinnering aan een fascinerende week Geestelijke Oefeningen. Dat is toch het woord dat ik wil gebruiken voor wat gebeurt tijdens die ondertussen bijna vijf eeuwen oude methode voor mensen die in het spoor van Jezus hun leven willen verdiepen en meer zicht willen krijgen op belangrijke keuzes.
Je biedt een kader: een twintigtal mensen die allen individueel de oefeningen doen en in principe enkel praten met hun begeleider; stilte dus, ook tijdens de maaltijden; alleen en toch samen, als mensen die dichter bij het centrum van hun wezen komen en daardoor ook dichter bij elkaar (net zoals twee punten op twee spaken van een wiel ook dichter bij elkaar komen als ze zich dichter naar de as toe bewegen, naar datgene 'waarrond het draait'; je biedt wat structuur in de dag: een korte ochtendwijding, een eucharistie 's middags, een avondwijding. En tussenin: drie of vier meditaties, zo lang als past voor deze individuele persoon, meestal met een bijbeltekst. En een keer per dag heb je een uur om met een begeleider te spreken over hoe je kan mediteren, en vooral over wat er dan gebeurt.
Als begeleider kan je alleen vaststellen: 'het werkt'. Je ziet mensen een stuk geheeld worden van diepe kwetsuren, je merkt hoe ze meer bij hun ware zelf komen, je hoort hoe ze meer zicht krijgen op de vragen die ze zich voordien stelden - ze gaan iets 'onderscheiden' in de wirwar van motivaties en obstakels - en hoe er tot je verbazing een antwoord komt op de verlangens die ze uiten in het gebed, zij het steeds op een andere, soms zo onverwachte manier dat je het niet dadelijk doorhebt. Je hoort dat alles, maar je ziet het ook aan de lichaamstaal, aan zich verdiepende stilte, aan meer eenvoud, aan in beweging komen, aan troostrijke tranen, aan een stralend gezicht.
Het geeft me het verlangen om over die ervaringen waarvan ik in de loop van de jaren mocht getuige zijn bij anderen, maar zeker ook bij mezelf,te schrijven. Tot nu toe heb ik vooral gepubliceerd ivm spiritualiteit in het dagelijks leven. Hier is iets wat gecentreerd is op de ervaring van een ‘retraite’: tijdelijk trek ik mij terug (re-trahere) uit de wereld om beter te zien hoe ik verder wil in deze wereld.
Misschien kan ik hier ook iets verwerken van mijn ervaring van 6 Loyola-staptochten in Spaans Baskenland en Navarra. Misschien. Si Dieu le veut. Wanneer het gunstige moment zich aandient.
Van gunstige momenten gesproken, gisterenavond mocht ik nog zo iets proeven. Een van de gunstige neveneffecten van die week Geestelijke Oefeningen is dat ik wat meer muziek heb gespeeld. Vooral heb ik het genoegen van het gitaarspel van teruggevonden. Gisterenagvond was ik op een afscheidsfeestje bij Urbain thuis, de verpleegkundige die sinds 1996 in het palliatief supportteam meewerkte. Ik had mijn gitaar bij omdat ik een liedje voor hem geschreven had op de melodie van 'Fifty ways to leave your lover' van Paul Simon. Had ik al gezongen in het ziekenhuis op een ander afscheidsmoment. Maar de hele avond had ik er echt geen zin in en kwam er geen goed moment. Ik ging, al moe, naar huis maar net toen ik wegging vroegen Urbains kinderen en schoonkinderen of ik dat liedje niet wilde zingen. Ik voelde: dit is het moment en er kwam terug energie in mij. De gitaar uit de Mégane, terug naar de tent in de tuin, en dan maar spelen: Fifty ways to leave... your team, Blackbird voor de kleine vijfjarige Merel die er met stralende oogjes bij zat, Summertime want dat is het nu toch, Stairway to heaven want op zo'n moment lijken we toch wat dichter bij de hemel te zijn, Sound of silence want het was zo mooi stil om me heen... Ik genoot van de nachtelijke stilte ondanks twintig mensen om me heen, van de gitaar-, mondtrompet- en nog wat andere klanken die je dan wel zelf verwekt en toch ook weer niet. En dat maakte die avond toch heel anders en veel voller voor mij, en ik denk ook voor de anderen, voor Urbain en heel zijn gezin, voor de andere teamleden en hun partners. Blij dat te mogen mee-maken.
zondag 8 augustus 2010
zondag 20 juni 2010
'Wie zegt gij dat ik ben?'
‘Wie zegt gij dat Ik ben?’ is de zin die naar voor springt in het evangelie van deze zondag (Lucas 9,18-24). Ik wil ernaar kijken vanuit de evangelie tekst van Lucas maar ook vanuit de tekst van ons levenboek.
‘Wie zegt gij dat ik ben?’ is een vraag naar identiteit. In een cultuur waarin er meer dan in vorige generaties oog is voor de eigenheid van een persoon – ‘wie ben ik?’ - is de vraag zelfs verrassend actueel. ‘Wie zegt gij dat ik ben?’ wijst op een zoeken naar een identiteit… vanuit een dialoog. Naar die dialoog wil ik kijken: de ander vertelt mij wie ik ben. Als ik zo naar de evangelietekst kijk, betekent dit dat het hier niet zomaar gaat om Jezus die de leerlingen ondervraagt en die wacht op het juiste antwoord dat hij eigenlijk al weet – zo zijn we nochtans geneigd het verhaal te lezen - maar misschien eerder als het zoeken naar een antwoord dat hijzelf nog moet ontdekken in dialoog met zijn leerlingen. Het is dan ook geen toeval voor mij dat iets verder in datzelfde negende hoofdstuk van Lucas een scharnierpunt komt, namelijk vers 9.51: ‘Toen de tijd naderde dat hij zou worden weggenomen, koos Hij (Jezus) vastberaden Jeruzalem als reisdoel.’ Alsof het Jezus in die dialoog duidelijk is geworden wie hij is en vervolgens wat hij te doen heeft. Het is dus, geloof ik, niet zomaar een retorische vraag waar het antwoord evident is maar een echte vraag waar naar het antwoord moet gezocht worden. De verschillende evangelies zijn immers een zoektocht naar de betekenis van Jezus van Nazaret, en daar worden wel gelijkaardige maar geen gelijke antwoorden gegeven. Er is openheid en diversiteit omtrent de identiteit, en dat is een rijkdom.
Het valt me op in de tekst dat de vraag van Jezus naar zijn identiteit lijkt voort te komen uit zijn gebed: ‘Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen stelde Hij hun de vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Zijn vraag komt als het ware uit de innerlijke dialoog met zijn Abba. Dan volgt de dialoog met de leerlingen: wat zeggen de mensen? Wat zeggen de media – wie is hij? ‘De mensen’ bepalen voor een stuk wie wij zijn, wat wij kunnen betekenen voor anderen: zo bij de verkiezingen - de nieuwe vlaamse leeuw. De mensen bepalen immers voor een stuk dat iemand een bepaalde rol dient te vervullen. Bij Lucas klinkt het: Johannes de Doper, Elia, een van de oude profeten… In onze identiteit worden we bepaald door modellen uit het verleden. Ook de evangelisten doen dat. Matteus bijvoorbeeld stelt Jezus voor als de nieuwe Mozes. En in het onmiddellijk hieropvolgend evangeliestukje, dat ook een antwoord is op de vraag ‘Wie ben ik?’, zal Jezus in de gedaanteverandering op de berg niet toevallig Mozes en Elia ontmoeten. Jezus staat in een traditie, komt niet zomaar uit de hemel gevallen.
‘Maar gij, die al een tijdje met mij meeloopt, wie zegt gij dat ik ben?’ Petrus: ‘De Gezalfde van God’, de door God gemasseerde, de Christus, de Messias. Mooi. Juist. Maar wat betekent dat? In de technische uitleg lees ik: ‘De messias is de door God gevolmachtigde redder en bevrijder’. In mijn woorden: degene waarop God stemt, die zijn stem krijgt en is. Degene die werkelijk verlossende waarde heeft. In elk geval wordt hier verwezen naar iets wat nog moet komen – in tegenstelling met de modellen uit het verleden - , in het verhaal: die betekenis moet zich nog ontvouwen. (Voor de joden bijvoorbeeld is de messias nog altijd niet gekomen.) Leg die betekenis dus niet zomaar vast: zwijg er voorlopig maar over; ‘de mensen zouden je niet willen geloven’; alsof de ‘st’ in het woord Christus tot stilte aanmaant: Chrisssssstus! (Messssias) Van het moment dat Petrus het zogenaamde juiste antwoord geeft (zonder natuurlijk te weten wat hij zegt, zoals het vaker gebeurt dat anderen ons de waarheid over ons zelf vertellen zonder het zelf te beseffen) verbiedt Jezus om erover te spreken. Des te meer daar Jezus vanuit zijn innerlijke dialoog het diepe vermoeden heeft dat zijn verlossende waarde te maken zal hebben met lijden, onbegrip en zelfs dood.
Te zijn wie Hij werkelijk is heeft te maken met lijden, afkeuring, dood en verrijzen. Hoe zo? ‘De Mensenzoon moet veel lijden…’ en degene die deze verlosser wil volgen, die dus ook verlossende waarde wil hebben voor anderen door te worden wie hij werkelijk is, ‘moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen’. Hier verschijnt een ‘moeten’ in de zoektocht naar identiteit en ik weet niet of u mij hier nog zult kunnen of willen volgen. Het lijkt alsof we hier het spoor van Jezus wel moeten bijster geraken. We kennen immers het vervolg van zijn verhaal. Het lijkt het verhaal van een held, enkel weggelegd voor uitzonderlijke mensen; bovendien een lot dat we absoluut zelf niet zouden willen delen. Maar hoe kunnen we hierin dan een blijde boodschap lezen? Want dat is nog altijd de bedoeling.
‘De Mensenzoon moet veel lijden…’: ik denk dat je zou kunnen lezen: De Mens – met grote M – moet veel lijden. Hoezo? Lijdt hij omdat hij opkomt voor een grote zaak, zijn leven letterlijk geeft, op spectaculaire wijze, zoals Jezus van Nazaret? In de meeste gevallen niet. Neen, de Mens die werkelijk wil zijn wie hij au fond is, zal daar ook onder lijden. De Mens ontdekt immers dat hij of zij de eigen identiteit niet zelf bepaalt, dat hij of zij vaak iets of iemand anders blijkt te zijn / te worden dan hij of zij zou willen, dat de keuzes die innerlijke vrede geven niet evident zijn voor hem- of haar zelf. Het is alsof in mij Iemand Anders zegt wie ik ben, niet zelden tegen mijn spontane neigingen in.
Iemand kan een ander liefhebben maar ten koste van zoveel dat je er liever van af zou willen zijn – maar dan zou je jezelf niet zijn en daardoor ook niet verlossend voor anderen; iemand kan ontdekken homoseksueel te zijn en misschien willen zijn ‘zoals de meeste anderen’ maar dan zou ie zichzelf niet zijn en niet verlossend; iemand kan zich geroepen weten om celibatair te leven, niet omdat een Kerk dat vraagt maar omdat het vanbinnen zo moet en hij of zij zichzelf niet zou zijn; iemand kan een edele taak op zich nemen, niet ‘om een goed werk te doen’, maar omdat hij of zij daarin thuiskomt ondanks de zwaarte.
Christus lijkt me te zeggen: elke mens ontdekt in zichzelf als het ware iemand die je zegt wie je bent; je kan dit aanvaarden of niet aanvaarden. ‘Christus volgen’ betekent dan voor mij vanuit vertrouwdheid met beelden en woorden over Christus aanvaarden wie je ten diepste bent. En daardoor word je zelf een verlosser maar dat betekent dat je elke dag ‘jezelf te verloochenen’ hebt ttz dat je hebt af te wijzen wat je misschien wel zoudt willen zijn maar wat je niet bent; dat betekent dat je elke dag ’je kruis op te nemen hebt’, ttz het kruis van de persoon die je blijkt ten diepste te zijn. Ik ben niet zeker dat u mij hierin kunt of wilt volgen. Wel volgt volgens het evangelie nog een laatste woord in de reeks ‘lijden-verstoting-dood’, hoe hermetisch en ondraaglijk licht dat woord ook moge wezen: hij zei immers dat Hij zou verrijzen. Wordt dus vervolgd.
‘Wie zegt gij dat ik ben?’ is een vraag naar identiteit. In een cultuur waarin er meer dan in vorige generaties oog is voor de eigenheid van een persoon – ‘wie ben ik?’ - is de vraag zelfs verrassend actueel. ‘Wie zegt gij dat ik ben?’ wijst op een zoeken naar een identiteit… vanuit een dialoog. Naar die dialoog wil ik kijken: de ander vertelt mij wie ik ben. Als ik zo naar de evangelietekst kijk, betekent dit dat het hier niet zomaar gaat om Jezus die de leerlingen ondervraagt en die wacht op het juiste antwoord dat hij eigenlijk al weet – zo zijn we nochtans geneigd het verhaal te lezen - maar misschien eerder als het zoeken naar een antwoord dat hijzelf nog moet ontdekken in dialoog met zijn leerlingen. Het is dan ook geen toeval voor mij dat iets verder in datzelfde negende hoofdstuk van Lucas een scharnierpunt komt, namelijk vers 9.51: ‘Toen de tijd naderde dat hij zou worden weggenomen, koos Hij (Jezus) vastberaden Jeruzalem als reisdoel.’ Alsof het Jezus in die dialoog duidelijk is geworden wie hij is en vervolgens wat hij te doen heeft. Het is dus, geloof ik, niet zomaar een retorische vraag waar het antwoord evident is maar een echte vraag waar naar het antwoord moet gezocht worden. De verschillende evangelies zijn immers een zoektocht naar de betekenis van Jezus van Nazaret, en daar worden wel gelijkaardige maar geen gelijke antwoorden gegeven. Er is openheid en diversiteit omtrent de identiteit, en dat is een rijkdom.
Het valt me op in de tekst dat de vraag van Jezus naar zijn identiteit lijkt voort te komen uit zijn gebed: ‘Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen stelde Hij hun de vraag: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben?” Zijn vraag komt als het ware uit de innerlijke dialoog met zijn Abba. Dan volgt de dialoog met de leerlingen: wat zeggen de mensen? Wat zeggen de media – wie is hij? ‘De mensen’ bepalen voor een stuk wie wij zijn, wat wij kunnen betekenen voor anderen: zo bij de verkiezingen - de nieuwe vlaamse leeuw. De mensen bepalen immers voor een stuk dat iemand een bepaalde rol dient te vervullen. Bij Lucas klinkt het: Johannes de Doper, Elia, een van de oude profeten… In onze identiteit worden we bepaald door modellen uit het verleden. Ook de evangelisten doen dat. Matteus bijvoorbeeld stelt Jezus voor als de nieuwe Mozes. En in het onmiddellijk hieropvolgend evangeliestukje, dat ook een antwoord is op de vraag ‘Wie ben ik?’, zal Jezus in de gedaanteverandering op de berg niet toevallig Mozes en Elia ontmoeten. Jezus staat in een traditie, komt niet zomaar uit de hemel gevallen.
‘Maar gij, die al een tijdje met mij meeloopt, wie zegt gij dat ik ben?’ Petrus: ‘De Gezalfde van God’, de door God gemasseerde, de Christus, de Messias. Mooi. Juist. Maar wat betekent dat? In de technische uitleg lees ik: ‘De messias is de door God gevolmachtigde redder en bevrijder’. In mijn woorden: degene waarop God stemt, die zijn stem krijgt en is. Degene die werkelijk verlossende waarde heeft. In elk geval wordt hier verwezen naar iets wat nog moet komen – in tegenstelling met de modellen uit het verleden - , in het verhaal: die betekenis moet zich nog ontvouwen. (Voor de joden bijvoorbeeld is de messias nog altijd niet gekomen.) Leg die betekenis dus niet zomaar vast: zwijg er voorlopig maar over; ‘de mensen zouden je niet willen geloven’; alsof de ‘st’ in het woord Christus tot stilte aanmaant: Chrisssssstus! (Messssias) Van het moment dat Petrus het zogenaamde juiste antwoord geeft (zonder natuurlijk te weten wat hij zegt, zoals het vaker gebeurt dat anderen ons de waarheid over ons zelf vertellen zonder het zelf te beseffen) verbiedt Jezus om erover te spreken. Des te meer daar Jezus vanuit zijn innerlijke dialoog het diepe vermoeden heeft dat zijn verlossende waarde te maken zal hebben met lijden, onbegrip en zelfs dood.
Te zijn wie Hij werkelijk is heeft te maken met lijden, afkeuring, dood en verrijzen. Hoe zo? ‘De Mensenzoon moet veel lijden…’ en degene die deze verlosser wil volgen, die dus ook verlossende waarde wil hebben voor anderen door te worden wie hij werkelijk is, ‘moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen’. Hier verschijnt een ‘moeten’ in de zoektocht naar identiteit en ik weet niet of u mij hier nog zult kunnen of willen volgen. Het lijkt alsof we hier het spoor van Jezus wel moeten bijster geraken. We kennen immers het vervolg van zijn verhaal. Het lijkt het verhaal van een held, enkel weggelegd voor uitzonderlijke mensen; bovendien een lot dat we absoluut zelf niet zouden willen delen. Maar hoe kunnen we hierin dan een blijde boodschap lezen? Want dat is nog altijd de bedoeling.
‘De Mensenzoon moet veel lijden…’: ik denk dat je zou kunnen lezen: De Mens – met grote M – moet veel lijden. Hoezo? Lijdt hij omdat hij opkomt voor een grote zaak, zijn leven letterlijk geeft, op spectaculaire wijze, zoals Jezus van Nazaret? In de meeste gevallen niet. Neen, de Mens die werkelijk wil zijn wie hij au fond is, zal daar ook onder lijden. De Mens ontdekt immers dat hij of zij de eigen identiteit niet zelf bepaalt, dat hij of zij vaak iets of iemand anders blijkt te zijn / te worden dan hij of zij zou willen, dat de keuzes die innerlijke vrede geven niet evident zijn voor hem- of haar zelf. Het is alsof in mij Iemand Anders zegt wie ik ben, niet zelden tegen mijn spontane neigingen in.
Iemand kan een ander liefhebben maar ten koste van zoveel dat je er liever van af zou willen zijn – maar dan zou je jezelf niet zijn en daardoor ook niet verlossend voor anderen; iemand kan ontdekken homoseksueel te zijn en misschien willen zijn ‘zoals de meeste anderen’ maar dan zou ie zichzelf niet zijn en niet verlossend; iemand kan zich geroepen weten om celibatair te leven, niet omdat een Kerk dat vraagt maar omdat het vanbinnen zo moet en hij of zij zichzelf niet zou zijn; iemand kan een edele taak op zich nemen, niet ‘om een goed werk te doen’, maar omdat hij of zij daarin thuiskomt ondanks de zwaarte.
Christus lijkt me te zeggen: elke mens ontdekt in zichzelf als het ware iemand die je zegt wie je bent; je kan dit aanvaarden of niet aanvaarden. ‘Christus volgen’ betekent dan voor mij vanuit vertrouwdheid met beelden en woorden over Christus aanvaarden wie je ten diepste bent. En daardoor word je zelf een verlosser maar dat betekent dat je elke dag ‘jezelf te verloochenen’ hebt ttz dat je hebt af te wijzen wat je misschien wel zoudt willen zijn maar wat je niet bent; dat betekent dat je elke dag ’je kruis op te nemen hebt’, ttz het kruis van de persoon die je blijkt ten diepste te zijn. Ik ben niet zeker dat u mij hierin kunt of wilt volgen. Wel volgt volgens het evangelie nog een laatste woord in de reeks ‘lijden-verstoting-dood’, hoe hermetisch en ondraaglijk licht dat woord ook moge wezen: hij zei immers dat Hij zou verrijzen. Wordt dus vervolgd.
zondag 13 juni 2010
Als je wil zien en horen hoe we communiceren in palliatieve zorg
Op zondag 13 juni kan je, als je helemaal verzadigd bent van het verkiezingsnieuws, op Nederland 2 om 23.15 uur een 'LUX'-uitzending zien over mijn werk op de palliatieve dienst van het Jessa Ziekenhuis.
Het is de derde van vier uitzendingen waarin een brede, open benadering van euthanasie en andere beslissingen bij het levenseinde de rode draad vormt.De focus van 'onze' aflevering is op de communicatie met patiënt en familieleden. Een IKON-team filmde gedurende vier dagen: drie dagen werd beeld- en klankmateriaal verzameld omtrent zorg en beslissingen bij het levenseinde, op dag 4 kwam een lang interview met mij waarvan stukjes in 'voice off' te horen zijn. Langere stukken uit het interview zullen op Internet verschijnen en in 'Volzin', een magazine.
Het is dus geen uitzending over beslissingen. Je ziet en hoort hoe er samen gesproken wordt.
Bij het resultaat, dat ik voordien kon zien,had ik helemaal niet het gevoel dat er gemanipuleerd. De uitzending geeft goed weer hoe het eraan toe gaat, al blijft er natuurlijk nog veel buiten beeld.
De uizending wordt hernomen op zondag 20 juni om 11.30 uur. Ned 2.
Je kan de uitzending ook zien op www.luxmagazine.nl (derde aflevering).
Het is de derde van vier uitzendingen waarin een brede, open benadering van euthanasie en andere beslissingen bij het levenseinde de rode draad vormt.De focus van 'onze' aflevering is op de communicatie met patiënt en familieleden. Een IKON-team filmde gedurende vier dagen: drie dagen werd beeld- en klankmateriaal verzameld omtrent zorg en beslissingen bij het levenseinde, op dag 4 kwam een lang interview met mij waarvan stukjes in 'voice off' te horen zijn. Langere stukken uit het interview zullen op Internet verschijnen en in 'Volzin', een magazine.
Het is dus geen uitzending over beslissingen. Je ziet en hoort hoe er samen gesproken wordt.
Bij het resultaat, dat ik voordien kon zien,had ik helemaal niet het gevoel dat er gemanipuleerd. De uitzending geeft goed weer hoe het eraan toe gaat, al blijft er natuurlijk nog veel buiten beeld.
De uizending wordt hernomen op zondag 20 juni om 11.30 uur. Ned 2.
Je kan de uitzending ook zien op www.luxmagazine.nl (derde aflevering).
vrijdag 21 mei 2010
Pinksteren: een dag vrij op maandag?
RADIO-CAUSERIE PINKSTEREN 2010
‘Pinksteren? Dat betekent een dag vrij op maandag’, zei een kind. Heel juist, maar laat me drie ervaringen vertellen die nog iets toevoegen aan de betekenis van Pinksteren.
Ik maak al twintig jaar deel uit van een groepje mensen dat sinds een pelgrimstocht maandelijks samenkomt. Wij zijn figuurlijk tochtgenoten geworden. Op een dag ontvingen we een mail van een van ons dat ze niet meer zou komen. Helemaal verrast waren we niet want ze was op de laatste vergaderingen om allerlei weinig overtuigende redenen weggebleven. Gevoelens van kwaadheid, maar ook van echte bezorgdheid om haar kwamen naar boven. Iemand kon haar overtuigen om toch nog eens te komen. Toen kwam het eruit: ze voelde zich niet meer beluisterd, ja zelfs soms gedomineerd, met name door mij. Deze keer werd er echt gesproken en geluisterd en vonden we een nieuw elan.
Eigenlijk is dat in het klein ook wat in de bredere Kerkgemeenschap veel is gebeurd en nog gebeurt: mensen verdwijnen geruisloos want ze herkennen zich niet in de gehanteerde taal. Laat dat nu net de kern zijn van de Pinksterervaring in het Boek van de Handelingen waar de mensen zeggen: ‘Hoe kan het dat wij de apostelen allemaal in onze eigen moedertaal horen spreken van Gods grote daden?’ Zij horen dus een taal die hen in hun hart aanspreekt juist omdat ze hun eigenheid herkent, een taal die niet als dominerend wordt ervaren maar die andere talen respecteert. Pinkstertaal koestert niet het foute idee: alles zal goed gaan als ieder dezelfde taal, en dan natuurlijk de onze, spreekt.
Dat is precies wat dat andere Bijbelverhaal, dat van Babel, aan de kaak stelt: ‘Alle mensen spraken één taal en gebruikten dezelfde woorden’. Die gevaarlijke illusie van Babel, dat is bijvoorbeeld het risico van een economische en wetenschappelijke wereld die voornamelijk Engels spreekt, van managers die allemaal dezelfde credo’s en slagzinnen verkondigen. Babel is het risico van één universele digi-taal, van één Katholieke Kerk die overal Latijn spreekt en overal dezelfde canonteksten hanteert, van globalisering. Heeft zo’n uniforme taal dan geen voordelen? Ongetwijfeld, zelfs ongehoorde. Maar er schuilt ook het gevaar in van een onvatbare macht die mensen niet respecteert in hun eigenheid en hen in een bepaald keurslijf wringt. Dat is hoogmoed, vindt de God van de Bijbel en daarom zaait Hij verwarring in Babel: babelse spraakverwarring. Gods Pinkstergeest daarentegen betekent juist de ontdekking van het vermogen om tot een spreken te komen in diep respect voor de eigen taal van elk persoon.
Een tweede pinksterervaring. Op een dag vertelde een medewerker dat zijn kleindochter geboren was met een zware handicap. Een collega die dit slechte nieuws gehoord had zei nadien: ‘Ik was er zo door aangedaan. Ik kwam thuis en wist niet wat doen; ik was sprakeloos. Ik ging maar het gras afrijden. Toen ik daarmee bezig was, wist ik het plots: ik wilde bidden, maar ik wist niet (meer) tot wie.’
Pinksteren ervaren heeft te maken met passen in een geheel, letterlijk, in een lichaam of figuurlijk in een gemeenschap. Lijdenservaringen, zoals daarnet verwoord, roepen juist het tegendeel op: ‘Dit past niet, dit kunnen we geen plaats geven in het geheel, in de zin van ons leven’. Paulus heeft hier ook weet van en verwoordt het plastisch en biologisch: ‘Wij weten dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door, en ook wijzelf zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam.’ Tegelijk heeft hij weet van de Geest die onze zwakheid te hulp komt ‘want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, - net zoals bij de aangeslagen collega na het slechte nieuws – maar, vervolgt Paulus, de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’ Het authentiek willen en niet kunnen bidden, dat vind ik al een echt bidden. Het verbindt ons met de anderen die ook lijden onder alle dingen die niet passen in het geheel. Om zo toch één lichaam te vormen, zij het nog een steeds ook gehandicapt lichaam.
Een derde pinksterervaring hoor ik in workshops spiritualiteit bij nogal wat zorgverleners, professioneel of vrijwilliger, die vanuit een eigen rouwervaring gedreven worden tot zorg verlenen. Ze hebben zelf iemand verloren, hebben daar iets bijzonders meegemaakt, of waren juist niet in staat om te doen wat ze hadden willen doen, en vanuit dat tekort ontstaat een bewogenheid. In een religieuze taal zou ik het een ‘zending’ noemen, niet door een persoon of een raad van bestuur, maar van binnenuit.
Het is niet anders in het Pinksterverhaal bij Johannes waarin de verrezen Heer verschijnt aan de leerlingen. Die zijn zo gekwetst door hun machteloosheid en zelfs verraad bij de dood van Jezus, dat ze zich zoals zoveel gekwetste mensen in zichzelf gekeerd hebben. Ze hebben zich opgesloten. En toch komt Jezus binnen, met zijn vrede en zijn zending. Kan natuurlijk niet, maar toch gebeurt het steeds weer dat diep gekwetste mensen zich gezonden weten om anderen te helen. Johannes laat het Jezus zo zeggen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven.’ Terug met onze woorden: gij kunt, juist vanuit uw kwetsuur, anderen geestelijk genezen. Ook dat is Pinksteren.
‘Pinksteren? Dat betekent een dag vrij op maandag’, zei een kind. Heel juist, maar laat me drie ervaringen vertellen die nog iets toevoegen aan de betekenis van Pinksteren.
Ik maak al twintig jaar deel uit van een groepje mensen dat sinds een pelgrimstocht maandelijks samenkomt. Wij zijn figuurlijk tochtgenoten geworden. Op een dag ontvingen we een mail van een van ons dat ze niet meer zou komen. Helemaal verrast waren we niet want ze was op de laatste vergaderingen om allerlei weinig overtuigende redenen weggebleven. Gevoelens van kwaadheid, maar ook van echte bezorgdheid om haar kwamen naar boven. Iemand kon haar overtuigen om toch nog eens te komen. Toen kwam het eruit: ze voelde zich niet meer beluisterd, ja zelfs soms gedomineerd, met name door mij. Deze keer werd er echt gesproken en geluisterd en vonden we een nieuw elan.
Eigenlijk is dat in het klein ook wat in de bredere Kerkgemeenschap veel is gebeurd en nog gebeurt: mensen verdwijnen geruisloos want ze herkennen zich niet in de gehanteerde taal. Laat dat nu net de kern zijn van de Pinksterervaring in het Boek van de Handelingen waar de mensen zeggen: ‘Hoe kan het dat wij de apostelen allemaal in onze eigen moedertaal horen spreken van Gods grote daden?’ Zij horen dus een taal die hen in hun hart aanspreekt juist omdat ze hun eigenheid herkent, een taal die niet als dominerend wordt ervaren maar die andere talen respecteert. Pinkstertaal koestert niet het foute idee: alles zal goed gaan als ieder dezelfde taal, en dan natuurlijk de onze, spreekt.
Dat is precies wat dat andere Bijbelverhaal, dat van Babel, aan de kaak stelt: ‘Alle mensen spraken één taal en gebruikten dezelfde woorden’. Die gevaarlijke illusie van Babel, dat is bijvoorbeeld het risico van een economische en wetenschappelijke wereld die voornamelijk Engels spreekt, van managers die allemaal dezelfde credo’s en slagzinnen verkondigen. Babel is het risico van één universele digi-taal, van één Katholieke Kerk die overal Latijn spreekt en overal dezelfde canonteksten hanteert, van globalisering. Heeft zo’n uniforme taal dan geen voordelen? Ongetwijfeld, zelfs ongehoorde. Maar er schuilt ook het gevaar in van een onvatbare macht die mensen niet respecteert in hun eigenheid en hen in een bepaald keurslijf wringt. Dat is hoogmoed, vindt de God van de Bijbel en daarom zaait Hij verwarring in Babel: babelse spraakverwarring. Gods Pinkstergeest daarentegen betekent juist de ontdekking van het vermogen om tot een spreken te komen in diep respect voor de eigen taal van elk persoon.
Een tweede pinksterervaring. Op een dag vertelde een medewerker dat zijn kleindochter geboren was met een zware handicap. Een collega die dit slechte nieuws gehoord had zei nadien: ‘Ik was er zo door aangedaan. Ik kwam thuis en wist niet wat doen; ik was sprakeloos. Ik ging maar het gras afrijden. Toen ik daarmee bezig was, wist ik het plots: ik wilde bidden, maar ik wist niet (meer) tot wie.’
Pinksteren ervaren heeft te maken met passen in een geheel, letterlijk, in een lichaam of figuurlijk in een gemeenschap. Lijdenservaringen, zoals daarnet verwoord, roepen juist het tegendeel op: ‘Dit past niet, dit kunnen we geen plaats geven in het geheel, in de zin van ons leven’. Paulus heeft hier ook weet van en verwoordt het plastisch en biologisch: ‘Wij weten dat de hele natuur kreunt en barensweeën lijdt, altijd door, en ook wijzelf zuchten over ons eigen lot, zolang wij nog wachten op de verlossing van ons lichaam.’ Tegelijk heeft hij weet van de Geest die onze zwakheid te hulp komt ‘want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, - net zoals bij de aangeslagen collega na het slechte nieuws – maar, vervolgt Paulus, de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.’ Het authentiek willen en niet kunnen bidden, dat vind ik al een echt bidden. Het verbindt ons met de anderen die ook lijden onder alle dingen die niet passen in het geheel. Om zo toch één lichaam te vormen, zij het nog een steeds ook gehandicapt lichaam.
Een derde pinksterervaring hoor ik in workshops spiritualiteit bij nogal wat zorgverleners, professioneel of vrijwilliger, die vanuit een eigen rouwervaring gedreven worden tot zorg verlenen. Ze hebben zelf iemand verloren, hebben daar iets bijzonders meegemaakt, of waren juist niet in staat om te doen wat ze hadden willen doen, en vanuit dat tekort ontstaat een bewogenheid. In een religieuze taal zou ik het een ‘zending’ noemen, niet door een persoon of een raad van bestuur, maar van binnenuit.
Het is niet anders in het Pinksterverhaal bij Johannes waarin de verrezen Heer verschijnt aan de leerlingen. Die zijn zo gekwetst door hun machteloosheid en zelfs verraad bij de dood van Jezus, dat ze zich zoals zoveel gekwetste mensen in zichzelf gekeerd hebben. Ze hebben zich opgesloten. En toch komt Jezus binnen, met zijn vrede en zijn zending. Kan natuurlijk niet, maar toch gebeurt het steeds weer dat diep gekwetste mensen zich gezonden weten om anderen te helen. Johannes laat het Jezus zo zeggen: ‘Ontvangt de Heilige Geest. Als gij iemand zonden vergeeft, dan zijn ze vergeven.’ Terug met onze woorden: gij kunt, juist vanuit uw kwetsuur, anderen geestelijk genezen. Ook dat is Pinksteren.
donderdag 13 mei 2010
Hemelvaart: geen lancering maar een afscheid
RADIO-CAUSERIE VOOR ONZE-LIEVE-HEER HEMELVAART
13 mei 2010
Waar zou het kunnen over gaan bij een hemelvaart ? Toch niet over de lancering van Christus naar de ster ‘Vader’ zoals van Frank De Winne naar een ruimtestation! Neen, over Hemelvaart kunnen we meer leren uit rouwprocessen.
In elk rouwproces komt het moment waarop de overleden geliefde werkelijk verdwijnt. Dat is niet op het moment van het overlijden zelf. In de periode die daarop volgt kan degene die achterblijft nog heel sterk de aanwezigheid van de geliefde ervaren. ‘Het is precies alsof hij ieder moment zo gewoonweg zal binnen stappen’; ‘Ik hoor zijn stem soms’; ‘Ik zag iemand op straat en ik dacht : Hij is het…’; of: ‘Ik denk eigenlijk : hij komt nog terug’. Dat zogezegd ‘tijdelijk’ afscheid blijkt stilaan definitief te worden. De herinneringen geraken op de achtergrond, verdwijnen in een diepte , wat zich kan manifesteren in het verschijnen van dromen waarin de geliefde overledene bijvoorbeeld op vriendelijke wijze duidelijk maakt dat hij niet terug wil keren. ‘Het is goed zoals ik nu ben…’ Dat kan best moeilijk zijn voor degene die achterblijft. En toch, het laat voor jezelf toe om je stilaan terug te oriënteren op het leven zelf, en niet meer naar de hemel te staren. Hij is definitief weg, en toch ben je met hem verbonden.
Zien we niet iets heel gelijkaardigs in het rouwproces van de leerlingen na de dood van Jezus? Het definitieve afscheid van Jezus gebeurt niet op Goede Vrijdag. Dan kunnen de leerlingen nog helemaal niet zeggen : ‘Het is goed dat Hij gaat.’ Neen, het is niet goed dat Hij op die manier moet gaan ! Met Pasen ervaren de leerlingen echter dat Hij leeft, dat het Hem goed gaat. De Heer is geheeld : zijn wonden zijn zichtbaar, maar deren Hem niet meer. Hij, de dode, verschijnt aan de leerlingen – vreemd, maar wel heel vergelijkbaar met de ervaringen die ik nu hoor van mensen in rouwprocessen. Hij spreekt met hen, eet met hen, is intens aanwezig. Maar dat blijft niet duren. Zo lezen we in het begin van de Handelingen: ‘Hij verscheen hun gedurende veertig dagen…’; ‘gedurende veertig dagen…’, lees: Hij verscheen hun gedurende een beperkte tijd. Dan verdwijnt Hij. Zoals ze Hem kenden, zo zullen ze Hem nooit meer zien. Haart ten hemel maar verwijst hen naar de toekomst, naar een nieuwe verbondenheid met de Heer, afwezig en toch verbonden.
Het paasgebeuren en hemelvaart gebeuren steeds weer aan de Kerk. Dit betekent voor mij dat ook steeds weer momenten komen waarin de Kerk rouwt maar daarin tot een punt komt van: het is goed dat bepaalde vormen, beelden van Christus, wetten, gestalten ten hemel varen, ook al zullen sommigen die missen, maar het is goed en nodig opdat de Geest van Christus werkelijk ruimte zou krijgen. Misschien beleeft de kerk momenteel wel een hemelvaart-moment, al lijkt het op het eerste zicht meer op een Goede Vrijdag.
De Kerk is in de rouw. In de huidige schandaalsfeer lijkt het dat ze haar Goede Vrijdag meemaakt, dat het proces gemaakt wordt van de Kerk, vooral van haar bisschoppen en haar priesters. Dat juridisch proces moet allicht gemaakt worden, omwille van de slachtoffers, maar misschien stimuleert dit proces de Kerk ook om een veel breder rouwproces bewust door te maken, want eigenlijk is die Kerk al decennia in de rouw, en niet enkele weken.
Veel goede maar tijdgebonden structuren en werken zijn immers afgestorven, of aan het afsterven. Zoveel authentieke christenen zijn al ver in dat rouwproces, zijn niet aan Goede Vrijdag maar aan Hemelvaart toe, aan iets definitief anders en nieuws. Ze zetten lokale, kleine passen in de vernieuwing en wachten op meer openheid, niet in het minst op vlak van seksualiteit. Het lichaam van Christus is inderdaad ook een seksueel lichaam. En dan gaat het om zoveel meer dan het voorkomen, bestraffen en begeleiden van pedofilie. Want er zijn zoveel andere thema’s omtrent seksualiteit die feitelijk in de kerkelijke doofpot zitten.
Veel authentieke christenen immers wachten op een positieve visie van hun kerkleiders op wat die christenen al lang doen in contraceptie en vruchtbaarheidsbehandelingen. Zo velen willen een open gesprek over vrouwelijke priesters in die nu uitsluitend mannelijke wereld van de kerkelijke hiërarchie – waarom zou niet van de goede geest zijn wat in alle andere geledingen van onze maatschappij wel kan? Zo velen verlangen een echte dialoog over een priestercelibaat dat niet verplicht maar vrij gekozen is, zodat het inderdaad een rijkdom kan zijn. Zo velen wachten op kerkelijke waardering niet alleen voor het zieke lichaam – want die is er gelukkig in grote mate in de christelijke traditie – maar ook voor het gezonde mannelijke of vrouwelijke lichaam.
Eigenlijk zijn vele katholieke geesten, ook van priesters en religieuzen, al gerijpt, hebben ze beelden en wetten die ooit vertrouwd waren maar nu vervreemdend zijn geworden ten hemel laten varen, en bidden ze voor een grote doorbraak. In 1989 viel de Berlijnse Muur, als het ware vanzelf, van binnenuit, niet zonder het duwtje van een Poolse paus. Wanneer valt de klerikale muur rond seksualiteit? Wanneer komt Pinksteren? Misschien fluit de Geest al door de barsten heen van een door schandalen beschadigd kerkbeeld. Laat ons bidden.
13 mei 2010
Waar zou het kunnen over gaan bij een hemelvaart ? Toch niet over de lancering van Christus naar de ster ‘Vader’ zoals van Frank De Winne naar een ruimtestation! Neen, over Hemelvaart kunnen we meer leren uit rouwprocessen.
In elk rouwproces komt het moment waarop de overleden geliefde werkelijk verdwijnt. Dat is niet op het moment van het overlijden zelf. In de periode die daarop volgt kan degene die achterblijft nog heel sterk de aanwezigheid van de geliefde ervaren. ‘Het is precies alsof hij ieder moment zo gewoonweg zal binnen stappen’; ‘Ik hoor zijn stem soms’; ‘Ik zag iemand op straat en ik dacht : Hij is het…’; of: ‘Ik denk eigenlijk : hij komt nog terug’. Dat zogezegd ‘tijdelijk’ afscheid blijkt stilaan definitief te worden. De herinneringen geraken op de achtergrond, verdwijnen in een diepte , wat zich kan manifesteren in het verschijnen van dromen waarin de geliefde overledene bijvoorbeeld op vriendelijke wijze duidelijk maakt dat hij niet terug wil keren. ‘Het is goed zoals ik nu ben…’ Dat kan best moeilijk zijn voor degene die achterblijft. En toch, het laat voor jezelf toe om je stilaan terug te oriënteren op het leven zelf, en niet meer naar de hemel te staren. Hij is definitief weg, en toch ben je met hem verbonden.
Zien we niet iets heel gelijkaardigs in het rouwproces van de leerlingen na de dood van Jezus? Het definitieve afscheid van Jezus gebeurt niet op Goede Vrijdag. Dan kunnen de leerlingen nog helemaal niet zeggen : ‘Het is goed dat Hij gaat.’ Neen, het is niet goed dat Hij op die manier moet gaan ! Met Pasen ervaren de leerlingen echter dat Hij leeft, dat het Hem goed gaat. De Heer is geheeld : zijn wonden zijn zichtbaar, maar deren Hem niet meer. Hij, de dode, verschijnt aan de leerlingen – vreemd, maar wel heel vergelijkbaar met de ervaringen die ik nu hoor van mensen in rouwprocessen. Hij spreekt met hen, eet met hen, is intens aanwezig. Maar dat blijft niet duren. Zo lezen we in het begin van de Handelingen: ‘Hij verscheen hun gedurende veertig dagen…’; ‘gedurende veertig dagen…’, lees: Hij verscheen hun gedurende een beperkte tijd. Dan verdwijnt Hij. Zoals ze Hem kenden, zo zullen ze Hem nooit meer zien. Haart ten hemel maar verwijst hen naar de toekomst, naar een nieuwe verbondenheid met de Heer, afwezig en toch verbonden.
Het paasgebeuren en hemelvaart gebeuren steeds weer aan de Kerk. Dit betekent voor mij dat ook steeds weer momenten komen waarin de Kerk rouwt maar daarin tot een punt komt van: het is goed dat bepaalde vormen, beelden van Christus, wetten, gestalten ten hemel varen, ook al zullen sommigen die missen, maar het is goed en nodig opdat de Geest van Christus werkelijk ruimte zou krijgen. Misschien beleeft de kerk momenteel wel een hemelvaart-moment, al lijkt het op het eerste zicht meer op een Goede Vrijdag.
De Kerk is in de rouw. In de huidige schandaalsfeer lijkt het dat ze haar Goede Vrijdag meemaakt, dat het proces gemaakt wordt van de Kerk, vooral van haar bisschoppen en haar priesters. Dat juridisch proces moet allicht gemaakt worden, omwille van de slachtoffers, maar misschien stimuleert dit proces de Kerk ook om een veel breder rouwproces bewust door te maken, want eigenlijk is die Kerk al decennia in de rouw, en niet enkele weken.
Veel goede maar tijdgebonden structuren en werken zijn immers afgestorven, of aan het afsterven. Zoveel authentieke christenen zijn al ver in dat rouwproces, zijn niet aan Goede Vrijdag maar aan Hemelvaart toe, aan iets definitief anders en nieuws. Ze zetten lokale, kleine passen in de vernieuwing en wachten op meer openheid, niet in het minst op vlak van seksualiteit. Het lichaam van Christus is inderdaad ook een seksueel lichaam. En dan gaat het om zoveel meer dan het voorkomen, bestraffen en begeleiden van pedofilie. Want er zijn zoveel andere thema’s omtrent seksualiteit die feitelijk in de kerkelijke doofpot zitten.
Veel authentieke christenen immers wachten op een positieve visie van hun kerkleiders op wat die christenen al lang doen in contraceptie en vruchtbaarheidsbehandelingen. Zo velen willen een open gesprek over vrouwelijke priesters in die nu uitsluitend mannelijke wereld van de kerkelijke hiërarchie – waarom zou niet van de goede geest zijn wat in alle andere geledingen van onze maatschappij wel kan? Zo velen verlangen een echte dialoog over een priestercelibaat dat niet verplicht maar vrij gekozen is, zodat het inderdaad een rijkdom kan zijn. Zo velen wachten op kerkelijke waardering niet alleen voor het zieke lichaam – want die is er gelukkig in grote mate in de christelijke traditie – maar ook voor het gezonde mannelijke of vrouwelijke lichaam.
Eigenlijk zijn vele katholieke geesten, ook van priesters en religieuzen, al gerijpt, hebben ze beelden en wetten die ooit vertrouwd waren maar nu vervreemdend zijn geworden ten hemel laten varen, en bidden ze voor een grote doorbraak. In 1989 viel de Berlijnse Muur, als het ware vanzelf, van binnenuit, niet zonder het duwtje van een Poolse paus. Wanneer valt de klerikale muur rond seksualiteit? Wanneer komt Pinksteren? Misschien fluit de Geest al door de barsten heen van een door schandalen beschadigd kerkbeeld. Laat ons bidden.
maandag 26 april 2010
Na een apoclyptische week: mijn inleiding op 25 april
Deze week gaf niet alleen een stofwolk, maar ook bijzonder veel stof tot nadenken, een nadenken dat we willen laten bezinken tot een gedenken van Jezus Christus in deze eucharistie. Samengevat zou je kunnen zeggen dat we op een vulkaan leven: letterlijk, politiek en kerkelijk. Drie uitbarstingen leidden tot stofwolken die onzichtbaar maar niettemin steeds nadrukkelijker de eindelijk zonnige lente overschaduwen
We zijn geraakt als mobiele wereldburger. Velen werden aan de grond gehouden door de eruptie van een vulkaan. Dit heeft onze ogen geopend voor de kwetsbaarheid van onze hoogtechnologische mobiliteit.
We zijn geraakt als staatsburger. Onze maatschappij en economie worden aan de grond gehouden door een communautaire uitbarsting. Dit heeft onze ogen geopend voor de kwetsbaarheid van het politiek bestel van ons land.
We zijn geraakt als kerkmens. We zijn aan de grond (ook het kruis) genageld door een persoonlijke bekentenis van een kerkelijk leider. Dit opent onze ogen voor de kwetsuren van kinderen, nu volwassenen, die misbruikt werden en die om heling, voor zover mogelijk, vragen.
Vooral die derde schokgolf zindert na. Wie zonder zonde is werpe de eerste steen, zeker, maar er moet wel gesproken worden, en vraag is als gelovige hoe je met helderziend liefde hier naar kijkt. In elk geval niet door dit en andere schandalen met de mantel van de liefde toe te dekken. Die mantel staat juist ter kritiek.
Op z’n minst zou dit een herinnering willen zijn aan onze kwetsbaarheid en een oproep tot alertheid. Het lichaam van Christus is ook een seksueel lichaam. Wij zijn geen engelen, of indien al engelen, dan gevallen engelen, mensen wiens natuur altijd kan ontsporen en die met bekoringen moeten leren omgaan.
De diepste bekoring is evenwel de wanhoop. Laten we dus bidden om hoop die ons toelaat slachtoffers het woord te geven en te helpen, en de zondaars niet te reduceren tot hun zonde. Want dan is er ook voor ons geen hoop.
We zijn geraakt als mobiele wereldburger. Velen werden aan de grond gehouden door de eruptie van een vulkaan. Dit heeft onze ogen geopend voor de kwetsbaarheid van onze hoogtechnologische mobiliteit.
We zijn geraakt als staatsburger. Onze maatschappij en economie worden aan de grond gehouden door een communautaire uitbarsting. Dit heeft onze ogen geopend voor de kwetsbaarheid van het politiek bestel van ons land.
We zijn geraakt als kerkmens. We zijn aan de grond (ook het kruis) genageld door een persoonlijke bekentenis van een kerkelijk leider. Dit opent onze ogen voor de kwetsuren van kinderen, nu volwassenen, die misbruikt werden en die om heling, voor zover mogelijk, vragen.
Vooral die derde schokgolf zindert na. Wie zonder zonde is werpe de eerste steen, zeker, maar er moet wel gesproken worden, en vraag is als gelovige hoe je met helderziend liefde hier naar kijkt. In elk geval niet door dit en andere schandalen met de mantel van de liefde toe te dekken. Die mantel staat juist ter kritiek.
Op z’n minst zou dit een herinnering willen zijn aan onze kwetsbaarheid en een oproep tot alertheid. Het lichaam van Christus is ook een seksueel lichaam. Wij zijn geen engelen, of indien al engelen, dan gevallen engelen, mensen wiens natuur altijd kan ontsporen en die met bekoringen moeten leren omgaan.
De diepste bekoring is evenwel de wanhoop. Laten we dus bidden om hoop die ons toelaat slachtoffers het woord te geven en te helpen, en de zondaars niet te reduceren tot hun zonde. Want dan is er ook voor ons geen hoop.
vrijdag 2 april 2010
Goede Vrijdag
Vandaag, Goede Vrijdag, en ook op Pasen geef ik een causerie op Radio 1 Braambos, telkens na het nieuws van 20 uur. De tekst zal op de website van Radio 1 baambos verschijnen.
Abonneren op:
Posts (Atom)