In deze vastentijd wil ik een nieuwe poging ondernemen om mijn blog wat te voeden.
‘Hierna gebeurde het dat God Abraham op de proef stelde’. Zo begint het verhaal van Abraham en Isaak in het 22° hoofdstuk van het boek Genesis.
Stelt God op de proef ? Theologisch lijkt het voor ons moeilijk om zo’n godsbeeld te verdedigen of te construeren: een God die de mens beproeft en nadien troost. Zo zijn er veel opvattingen/constructies over God die we misschien al eeuwen meedragen vandaag ons niet meer aanspreken. We vallen terug op verhalen – ook dit moeilijk verhaal – en op onze levenservaring.
We kunnen het toch zo beleven – theologie of niet – dat het leven ons op de proef stelt. Misschien betekent ‘God stelde Abraham – aartsvader, archetype van de gelovige - op de proef’ zoiets als ‘het leven lijkt soms absurd, onbegrijpelijk en zwaar’. De absurditeit kan komen van het lijden (ziekte, ongeval) dat ons overkomt maar ook – en dit komt dichter bij het verhaal van Abraham – van iets in ons dat ons innerlijk drijft. We begrijpen het niet maar iets drijft ons tot het loslaten van iets, een beroep bijvoorbeeld, of van iemand die ons zeer dierbaar is. Bij dit laatste komen we voor de vraag in ons : moet ik nu echt opgeven wat mij eigenlijk het dierbaarst is – niet omdat iemand mij dat zegt, maar omdat iets in mij daartoe dwingt ?
Hoe is het mogelijk dat ik uit mezelf tot zo’n onmenselijke beproeving kom ? Bijvoorbeeld vanuit een luxe-situatie kiezen voor leven in armoede met anderen – kiezen om, zoals Etty Hillesum, mee te gaan naar Auschwitz terwijl je er eigenlijk kon aan ontsnappen ? Of religieus moeten/willen worden terwijl je toch droomt van meer sexy leefstijlen… Ik begrijp dat niet, maar die dingen bestaan. En dan lezen we dat verhaal van Abraham die voor die vraag komt te staan : iets dwingt hem zijn zoon op te offeren, zullen we het even noemen : radikaal loslaten ?
Wordt vervolgd.
vrijdag 13 maart 2009
zondag 1 februari 2009
Eigen falen
Regelmatig faal ik, misluk ik. Onlangs kwam ik in een groep laatstejaars om met hen na te denken over kiezen. In een nagesprek in kleine groep ging het over al dan niet trouwen. Een meisje zei dat ze eerst lange tijd kinderen wilde met iemand voor ze wilde trouwen. Om zeker te kunnen zijn. Op een bepaald moment zei ik dat een reden om met elkaar te trouwen mijns inziens was omdat dit ook menselijker is dan een lossere, onzekere band. Prompt zei een ander meisje op scherpe toon: 'Dat vind ik beledigend voor hen die niet trouwen: jij vindt dus dat ze minder menselijk handelen...' Dat had ik niet willen zeggen, maar je kon het natuurlijk wel uit mijn woorden afleiden. Het bleef in me hangen en ik sprak er met een andere priester over. 'Ik begrijp dat meisje', zei hij. 'Je kan ook zeggen: trouwen is ook goed.' Zo'n antwoord getuigt van meer vrijheid, vind ik. Maar ik reageer niet altijd zo vrij.
Een collega van mij is erg ziek, al jaren. Ik heb om een aantal op zich begrijpelijke maar onvoldoende redenen nooit de stap kunnen zetten om hem te bezoeken, al denk ik praktisch dagelijks aan die collega. Overigens een vorm van bidden die wat troost. Nu had ik toch getelefoneerd voor een bezoek, maar toen hoorde ik dat hij in een erg slechte toestand verbleef in een buitenlands ziekenhuis. Te laat allicht. Een van de mislukkingen in mijn leven ook al kon ik mijn groeten overbrengen.
Een collega van mij is erg ziek, al jaren. Ik heb om een aantal op zich begrijpelijke maar onvoldoende redenen nooit de stap kunnen zetten om hem te bezoeken, al denk ik praktisch dagelijks aan die collega. Overigens een vorm van bidden die wat troost. Nu had ik toch getelefoneerd voor een bezoek, maar toen hoorde ik dat hij in een erg slechte toestand verbleef in een buitenlands ziekenhuis. Te laat allicht. Een van de mislukkingen in mijn leven ook al kon ik mijn groeten overbrengen.
zondag 11 januari 2009
De doop van Jezus en de wetten van Kepler
Ik weet het, het is van eind november geleden dat hier nog iets verscheen. Dan maar een hele brok ineens. Mijn commentaar bij het evangelie van zondag 11 januari (Marcus 1,7-11) waarin u meteen ook iets verneemt over hoe ik Oudejaarsavond vier.
Marcus, auteur van het oudste en kortste evangelie, valt met de deur in huis. Geen hoge, intellectuele proloog als aanloop zoals bij Johannes (In het begin was het Woord…), geen stamboom/pedigree en pittoreske kindsheidsevangelies zoals bij Matteüs of Lucas. Neen, Marcus valt met de deur ttz Johannes de Doper, in huis. Die beknoptheid is het ene wat Marcus bij mij oproept. Het andere: zijn ‘goede boodschap’ luidt: zeg niet te vlug dat je weet wie Christus is. Centraal, juist in het midden, staat immers de vraag: ‘Wie zegt gij dat ik ben?’ (Mc 8,27) en ook is er steeds weer als een agnostische draad: ‘Zwijg er nu over’. Het zwijggebod, het geheim, de Mc-code.
Het evangelie van vandaag begint met twee geheimzinnige zinnen van Johannes de Doper ‘Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb jullie gedoopt met water, Hij zal jullie dopen met de heilige geest’. Hoe zou hun betekenis voor ons kunnen oplichten?
Ik weet niet wat jullie doen op oudejaarsavond. Sinds een tiental jaren lees ik dan samen met een twaalftal kennissen een grote tekst. Dit jaar: lezing over Joannes Kepler naar aanleiding van verschijning, 400 jaar geleden (1609) van zijn Nieuwe Astronomie, een titel die volgens kenners ten zeerste klopt met de inhoud. Er was reeds de copernicaanse omwenteling geweest met het heliocentrisme: de aarde draait rond de zon en niet omgekeerd. Er was ook de Deense astronoom Tycho Brahe ‘die een schat van gegevens over de baan van de planeten had verzameld maar het ontbrak Tycho aan de verbeelding om uit deze rijkdom van grondmateriaal het nieuwe model van het heelal op te bouwen. De wetten hiervan waren daar in zijn getallenkolommen; maar ‘te diep verborgen’ hierin dat hij ze kon ontcijferen. Tycho moet ook hebben gevoeld dat alleen Kepler in staat was om in die taak te slagen.’
Een beetje als JdD die de tekens van de tijd wel enigszins zag, maar aanvoelde dat ‘hij doopte met water maar Jezus van Nazaret met de heilige Geest.’
De eerste Wet, het eerste geheim: de planeten draaien niet in cirkels maar in elliptische banen om de zon, één focus van de ellips bezet door de zon. Ik weet niets van astronomie, maar wat mij frappeert en interesseert, is dat Hij daartoe heel anders moest kijken want de ellips, of erger nog, de ovaal met zijn puntig en zijn breed uiteinde – een ‘ei’ - verstoort de eeuwige droom van de harmonie van de bollen die aan de wortel van het hele toenmalige probleem lag. ‘Er is iets in de volkomen symmetrie van bollen en cirkels die een diep geruststellend gevoel aan het onderbewustzijn geeft – anders zou die niet tweeduizend jaren hebben kunnen overleven.’ Met de idee van een ovaalvormige baan van planeten vernietigde Johan Kepler de goddelijke symmetrie van bollen en cirkels waarmee men tot dan de loop van de planeten probeerde uit te leggen.’ Hij moest bepaalde als het ware dogmatische, vanzelfsprekende ideeën in vraag stellen. Een beetje zoals wij bepaalde hedendaagse dogma’s zoals ‘meten is weten’ of ‘meer met minder’ in vraag mogen stellen. Kepler leed er zelf onder, want hij was een heel religieus mens. Maar de realiteit, het leven, gebood hem anders te kijken. Kepler opende – om Jesaja te parafraseren - de ogen van zijn blinde tijdgenoten; hij bevrijdde mensen uit de kerker en de duisternis van een knellend wereldbeeld.’
Zo ook zal het leven Jezus dwingen om anders te kijken naar God, naar heil, naar de wereld. Zijn leven beantwoordt niet aan de harmonie van bollen, zij het dan nog kerst-bollen. Hij zal zelf anders leren kijken dan de gevestigde religie als bijvoorbeeld de Syrofenicische hem zal dwingen niet neer te kijken op de niet-joden; Hij zag toen dat Hij niet alleen was gekomen voor de joden.
‘Gedoopt worden met de heilige Geest’: is dat niet kijken met andere ogen naar dezelfde realiteit, de blik keren, zich be-keren. Johannes preekte toch een doopsel van bekering. Zo kijken, de blik bijsturen, de bril zo aanpassen dat het leven meer verschijnt, dat God meer verbonden kan worden met het leven zoals het is. Hoe is dat dan? Ten eerste: God spreekt normalerwijze niet rechtstreeks tot mensen door een mensenstem, door ‘stemmen’, maar wel door een mens. Ten tweede: God mengt zich in het lijden. Die twee boodschappen verschijnen eigenlijk op zeer beknopte manier, ‘in de kiem’ in de manier waarop het doopsel van Jezus wordt beschreven. Hoezo?
We bevinden ons op de overgang van het Oude naar het Nieuwe: in het Oude Testament sprak de Heer zelf. We hoorden het in de aanhef van de Jesaja-lezing: ‘Zo spreekt de Heer…’, ja, maar zo heb ik Hem nog nooit gehoord. In de evangelies vinden we daar dan ook maar weinig sporen meer van, behalve juist hier: ‘Hij zag de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel’ – zo sprak de Heer (‘Lang geleden, toen God nog sprak’); maar nu zal Hij anders spreken: helemaal als een mens. Gods afscheidswoord: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.’ ‘Gij zijt mijn zoon’: Jezus wordt erkend als authentiek beeld van God, zoals een vader zijn zoon officieel erkent. Jezus is – zoals een theoloog het treffend verwoordde - sprekend zijn Vader. Er gebeurt iets met het spreken van God, van de Vader.
Drie keer lezen we in het Marcusevangelie de uitdrukking ‘Gij zijt mijn Zoon’. In het begin, in het midden, op het einde. Die ‘zoonpunten’ openen een perspectief in filigraan. Halfweg, bij de gedaanteverandering op de berg, lezen we: Mc 9,7: “Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!” Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond.’ Gedaan, stem van God.
Derde ‘zoonpunt’, naar het einde: Mc 15,39: ‘Er viel een duisternis over het hele land… Het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën… Toen de centurio hem zo zijn laatste adem zag uitblazen (de geest geven), zei hij: “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon”.’ Het is uiteindelijk een mens, een heiden, die verklaart: hij was Gods Zoon.
Er loopt als het ware een neerwaartse lijn door het Mc-evangelie, de lijn van de menswording: van open hemel naar wolk naar duisternis, van een hemelse stem naar de verklaring van een heidense honderdman. ‘Dit is ‘m, dit is de eigenlijke mens.’ Drie punten, drie ‘zoon-punten’ waarvan de verbindingslijn geen mooie harmonische bolvorm bepaalt – de harmonie van het gepolijste woord en de succesvolle mirakels - maar eerder de ovaal en de dysharmonie van het menselijke gezicht in het lijden. God mengt zich in het lijden. Het statige, mooie voorhangsel van de tempel, van het Oude, zal van boven tot onder in tweeën scheuren. Zeg niet te vlug dat je weet wie Christus is. Om het te weten, moeten we zoals Hij beginnen met in de rij bij Johannes de Doper te gaan staan om onze blik te be-keren.
Marcus, auteur van het oudste en kortste evangelie, valt met de deur in huis. Geen hoge, intellectuele proloog als aanloop zoals bij Johannes (In het begin was het Woord…), geen stamboom/pedigree en pittoreske kindsheidsevangelies zoals bij Matteüs of Lucas. Neen, Marcus valt met de deur ttz Johannes de Doper, in huis. Die beknoptheid is het ene wat Marcus bij mij oproept. Het andere: zijn ‘goede boodschap’ luidt: zeg niet te vlug dat je weet wie Christus is. Centraal, juist in het midden, staat immers de vraag: ‘Wie zegt gij dat ik ben?’ (Mc 8,27) en ook is er steeds weer als een agnostische draad: ‘Zwijg er nu over’. Het zwijggebod, het geheim, de Mc-code.
Het evangelie van vandaag begint met twee geheimzinnige zinnen van Johannes de Doper ‘Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb jullie gedoopt met water, Hij zal jullie dopen met de heilige geest’. Hoe zou hun betekenis voor ons kunnen oplichten?
Ik weet niet wat jullie doen op oudejaarsavond. Sinds een tiental jaren lees ik dan samen met een twaalftal kennissen een grote tekst. Dit jaar: lezing over Joannes Kepler naar aanleiding van verschijning, 400 jaar geleden (1609) van zijn Nieuwe Astronomie, een titel die volgens kenners ten zeerste klopt met de inhoud. Er was reeds de copernicaanse omwenteling geweest met het heliocentrisme: de aarde draait rond de zon en niet omgekeerd. Er was ook de Deense astronoom Tycho Brahe ‘die een schat van gegevens over de baan van de planeten had verzameld maar het ontbrak Tycho aan de verbeelding om uit deze rijkdom van grondmateriaal het nieuwe model van het heelal op te bouwen. De wetten hiervan waren daar in zijn getallenkolommen; maar ‘te diep verborgen’ hierin dat hij ze kon ontcijferen. Tycho moet ook hebben gevoeld dat alleen Kepler in staat was om in die taak te slagen.’
Een beetje als JdD die de tekens van de tijd wel enigszins zag, maar aanvoelde dat ‘hij doopte met water maar Jezus van Nazaret met de heilige Geest.’
De eerste Wet, het eerste geheim: de planeten draaien niet in cirkels maar in elliptische banen om de zon, één focus van de ellips bezet door de zon. Ik weet niets van astronomie, maar wat mij frappeert en interesseert, is dat Hij daartoe heel anders moest kijken want de ellips, of erger nog, de ovaal met zijn puntig en zijn breed uiteinde – een ‘ei’ - verstoort de eeuwige droom van de harmonie van de bollen die aan de wortel van het hele toenmalige probleem lag. ‘Er is iets in de volkomen symmetrie van bollen en cirkels die een diep geruststellend gevoel aan het onderbewustzijn geeft – anders zou die niet tweeduizend jaren hebben kunnen overleven.’ Met de idee van een ovaalvormige baan van planeten vernietigde Johan Kepler de goddelijke symmetrie van bollen en cirkels waarmee men tot dan de loop van de planeten probeerde uit te leggen.’ Hij moest bepaalde als het ware dogmatische, vanzelfsprekende ideeën in vraag stellen. Een beetje zoals wij bepaalde hedendaagse dogma’s zoals ‘meten is weten’ of ‘meer met minder’ in vraag mogen stellen. Kepler leed er zelf onder, want hij was een heel religieus mens. Maar de realiteit, het leven, gebood hem anders te kijken. Kepler opende – om Jesaja te parafraseren - de ogen van zijn blinde tijdgenoten; hij bevrijdde mensen uit de kerker en de duisternis van een knellend wereldbeeld.’
Zo ook zal het leven Jezus dwingen om anders te kijken naar God, naar heil, naar de wereld. Zijn leven beantwoordt niet aan de harmonie van bollen, zij het dan nog kerst-bollen. Hij zal zelf anders leren kijken dan de gevestigde religie als bijvoorbeeld de Syrofenicische hem zal dwingen niet neer te kijken op de niet-joden; Hij zag toen dat Hij niet alleen was gekomen voor de joden.
‘Gedoopt worden met de heilige Geest’: is dat niet kijken met andere ogen naar dezelfde realiteit, de blik keren, zich be-keren. Johannes preekte toch een doopsel van bekering. Zo kijken, de blik bijsturen, de bril zo aanpassen dat het leven meer verschijnt, dat God meer verbonden kan worden met het leven zoals het is. Hoe is dat dan? Ten eerste: God spreekt normalerwijze niet rechtstreeks tot mensen door een mensenstem, door ‘stemmen’, maar wel door een mens. Ten tweede: God mengt zich in het lijden. Die twee boodschappen verschijnen eigenlijk op zeer beknopte manier, ‘in de kiem’ in de manier waarop het doopsel van Jezus wordt beschreven. Hoezo?
We bevinden ons op de overgang van het Oude naar het Nieuwe: in het Oude Testament sprak de Heer zelf. We hoorden het in de aanhef van de Jesaja-lezing: ‘Zo spreekt de Heer…’, ja, maar zo heb ik Hem nog nooit gehoord. In de evangelies vinden we daar dan ook maar weinig sporen meer van, behalve juist hier: ‘Hij zag de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen, en er klonk een stem uit de hemel’ – zo sprak de Heer (‘Lang geleden, toen God nog sprak’); maar nu zal Hij anders spreken: helemaal als een mens. Gods afscheidswoord: ‘Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen.’ ‘Gij zijt mijn zoon’: Jezus wordt erkend als authentiek beeld van God, zoals een vader zijn zoon officieel erkent. Jezus is – zoals een theoloog het treffend verwoordde - sprekend zijn Vader. Er gebeurt iets met het spreken van God, van de Vader.
Drie keer lezen we in het Marcusevangelie de uitdrukking ‘Gij zijt mijn Zoon’. In het begin, in het midden, op het einde. Die ‘zoonpunten’ openen een perspectief in filigraan. Halfweg, bij de gedaanteverandering op de berg, lezen we: Mc 9,7: “Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!” Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond.’ Gedaan, stem van God.
Derde ‘zoonpunt’, naar het einde: Mc 15,39: ‘Er viel een duisternis over het hele land… Het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot onder in tweeën… Toen de centurio hem zo zijn laatste adem zag uitblazen (de geest geven), zei hij: “Werkelijk, deze mens was Gods Zoon”.’ Het is uiteindelijk een mens, een heiden, die verklaart: hij was Gods Zoon.
Er loopt als het ware een neerwaartse lijn door het Mc-evangelie, de lijn van de menswording: van open hemel naar wolk naar duisternis, van een hemelse stem naar de verklaring van een heidense honderdman. ‘Dit is ‘m, dit is de eigenlijke mens.’ Drie punten, drie ‘zoon-punten’ waarvan de verbindingslijn geen mooie harmonische bolvorm bepaalt – de harmonie van het gepolijste woord en de succesvolle mirakels - maar eerder de ovaal en de dysharmonie van het menselijke gezicht in het lijden. God mengt zich in het lijden. Het statige, mooie voorhangsel van de tempel, van het Oude, zal van boven tot onder in tweeën scheuren. Zeg niet te vlug dat je weet wie Christus is. Om het te weten, moeten we zoals Hij beginnen met in de rij bij Johannes de Doper te gaan staan om onze blik te be-keren.
zondag 30 november 2008
Hoort, wie klopt daar, kind'ren?
Vandaag ben ik in een Parijse parochiekerk naar de mis gegaan, en was er getuige van een merkwaardig ritueel dat ik nog nooit gezien of liever gehoord had. De parochiepriester kondigde aan dat twee jonge, ongedoopte vrouwen zich wilden aanmelden aan de kerk. Deze twee zogenaamde kathechumenen willen zich voorbereiden op het doopsel.
Toen volgde het ritueel. Van buitenaf klopten ze op de grote kerkdeur achteraan in de kerk. De parochiepriester opende de zware deur en liet ze binnen. Na officieel gevraagd te hebben om tot de kerk te mogen toetreden, gingen ze met de stoet van priesters en misdienaars naar voor. Daar getuigden ze nog kort over het waarom van hun stap. Een van hen vertelde dat ze in een totaal ongelovig milieu was opgevoed, maar dat ze zich niettemin van kleinsaf gelovig had geweten.
Hoort, wie klopt daar, kind'ren?
Toen volgde het ritueel. Van buitenaf klopten ze op de grote kerkdeur achteraan in de kerk. De parochiepriester opende de zware deur en liet ze binnen. Na officieel gevraagd te hebben om tot de kerk te mogen toetreden, gingen ze met de stoet van priesters en misdienaars naar voor. Daar getuigden ze nog kort over het waarom van hun stap. Een van hen vertelde dat ze in een totaal ongelovig milieu was opgevoed, maar dat ze zich niettemin van kleinsaf gelovig had geweten.
Hoort, wie klopt daar, kind'ren?
dinsdag 11 november 2008
Onze Lieve Heer op zolder
Tijdens het voorbije weekend was ik met enkele medejezuïeten in Amsterdam. In A'dam vind je niet alleen grachten, coffeeshops, Ajax. Er zijn ook... tientallen schuilkerken. Onze gastheer-jezuïet leidde ons naar 'Onze Lieve Heer op Solder': een 17-de eeuws woonhuis met een prachtig kerkje op zolder. Dergelijke schuilkerken ontstonden na 1578, toen het katholieke stadsbestuur door een calvinistisch bewind werd vervangen, een gebeurtenis die men daar 'De Alteratie' noemt. De katholieke eredienst werd officieel verboden maar oogluikend toegestaan. Een gedoogbeleid heet dat.
Louter historisch curiosum? Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat gelovigen zich tegenwoordig ook wel in schuilkerken verenigen. In de voorbije vijftien jaren ben ik vaak met kleine groepjes samengekomen in een of ander huis en heb daar met hen eucharistie gevierd. Mijn eigen jezuïetenhuis herbergt een kleine niet publieke kapel. Schuilkerkjes.
Godsdienst is politiek gezien naar de privé-sfeer verbannen. Je mag wel gelovig zijn, maar er mogen geen uiterlijke tekens van zichtbaar zijn in een publiek ambt. Niet dat ik er zelf zo'n behoefte aan heb om mij te 'afficheren', maar waarom zou men niet mogen zien welk geloof je belijdt? Het is natuurlijk niet verboden te geloven. Geloven wordt gedoogd, zoals roken van Cannabis.
Sommige politici willen het gedoogbeleid ten aanzien van soft drugs in Nederland stop te zetten, wegens niet efficiënt. Wat met het religieus gedoogbeleid? In onze schuilkerkjes is het vaak knus en goed. Ik vraag me af hoe in A'dam de overgang destijds verlopen is van schuilkerken naar terug openbare katholieke kerken. Misschien niet zonder moeite of nostalgie. Moeten we meer uit onze schuilkerken komen? Kan het ? Willen we het? Een omgekeerde Alteratie...
Louter historisch curiosum? Ik kon de gedachte niet onderdrukken dat gelovigen zich tegenwoordig ook wel in schuilkerken verenigen. In de voorbije vijftien jaren ben ik vaak met kleine groepjes samengekomen in een of ander huis en heb daar met hen eucharistie gevierd. Mijn eigen jezuïetenhuis herbergt een kleine niet publieke kapel. Schuilkerkjes.
Godsdienst is politiek gezien naar de privé-sfeer verbannen. Je mag wel gelovig zijn, maar er mogen geen uiterlijke tekens van zichtbaar zijn in een publiek ambt. Niet dat ik er zelf zo'n behoefte aan heb om mij te 'afficheren', maar waarom zou men niet mogen zien welk geloof je belijdt? Het is natuurlijk niet verboden te geloven. Geloven wordt gedoogd, zoals roken van Cannabis.
Sommige politici willen het gedoogbeleid ten aanzien van soft drugs in Nederland stop te zetten, wegens niet efficiënt. Wat met het religieus gedoogbeleid? In onze schuilkerkjes is het vaak knus en goed. Ik vraag me af hoe in A'dam de overgang destijds verlopen is van schuilkerken naar terug openbare katholieke kerken. Misschien niet zonder moeite of nostalgie. Moeten we meer uit onze schuilkerken komen? Kan het ? Willen we het? Een omgekeerde Alteratie...
woensdag 22 oktober 2008
Waar stijgt mijn bloeddruk van?
Het huis is de laatste dagen stiller. Nicolas is net terug van tien dagen naar China. Rob veertien dagen naar Zuid-Korea en Tokio. En Jacques is met Elias naar Parijs. Ik weet niet zo heel precies het doel van hun reizen maar het zal wel respectievelijk met sinologie, spiritualiteit en vrede/conflict te maken hebben. Maar alle drie zijn ze op hun manier bezig met het Rijk Gods. De hele wereld is ons werkterrein. Dat vind ik een mooie gedachte. Ondertussen ben ik druk bezig in ons kleine Vlaanderen. Wat te druk blijkbaar want dat lijkt mijn te hoge bloeddruk mij duidelijk te willen maken. Natuurlijk werk ik heel veel uren, slaap ik te weinig en eet ik te veel. En ook stress? Indien wel, dan niet ten gevolge van mijn zieken, maar wel ten gevolge van mijn reflectie over het management in de gezondheidszorg.
Daar kan ik mij namelijk 'druk' over maken. Het zit overigens veel dieper en breder dan mijn werkplaats. Meer en meer zie ik dat over de hele wereld een bepaald economisch en managementsdenken het leven van ontelbaar velen sterk bepaalt en onder druk zet. Het is zo 'globaal' dat je je afvraagt of het de moeite loont ertegen in te gaan. De Bijbelse verhalen vinden van wel. David tegenover Goliath bijvoorbeeld. De huidige financiële crisis toont dat Goliath toch kwetsbaar is, en legt ook de ultieme verleiding bloot die in een doorgedreven managementsdenken schuilt: hoogmoed, megalomanie, macht omwille van de macht en niet meer ten dienst van de ander. 'Zo mag het niet zijn onder ons', zou Jezus zeggen. Ik moet hier denken aan de Geestelijke Oefening van 'de twee standaarden' bij Ignatius van Loyola. Laten we ons leiden door de dynamiek die uiteindelijk leidt tot nederigheid? Of laten we ons meer leiden door de dynamiek die leidt tot hoogmoed? die analyse heeft niets aan actualiteit verloren.
Daar kan ik mij namelijk 'druk' over maken. Het zit overigens veel dieper en breder dan mijn werkplaats. Meer en meer zie ik dat over de hele wereld een bepaald economisch en managementsdenken het leven van ontelbaar velen sterk bepaalt en onder druk zet. Het is zo 'globaal' dat je je afvraagt of het de moeite loont ertegen in te gaan. De Bijbelse verhalen vinden van wel. David tegenover Goliath bijvoorbeeld. De huidige financiële crisis toont dat Goliath toch kwetsbaar is, en legt ook de ultieme verleiding bloot die in een doorgedreven managementsdenken schuilt: hoogmoed, megalomanie, macht omwille van de macht en niet meer ten dienst van de ander. 'Zo mag het niet zijn onder ons', zou Jezus zeggen. Ik moet hier denken aan de Geestelijke Oefening van 'de twee standaarden' bij Ignatius van Loyola. Laten we ons leiden door de dynamiek die uiteindelijk leidt tot nederigheid? Of laten we ons meer leiden door de dynamiek die leidt tot hoogmoed? die analyse heeft niets aan actualiteit verloren.
Abonneren op:
Posts (Atom)